nieuws

Beantwoording nadere vragen evaluatie tarievenwet Commissie m.e.r.

23-10-2018

Bij dezen beantwoord ik de vragen van de leden van de vaste Commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, zoals geformuleerd in uw brief met kenmerk 162471.04u. Deze vragen zijn gesteld naar aanleiding van:

- mijn brief, d.d. 8 februari 2018, waarbij ik de Kamer het rapport van de Evaluatie Tarievenwet Commissie m.e.r. heb aangeboden; - mijn brief, d.d. 13 april 2018, waarin ik de vragen van uw Kamer beantwoord heb zoals geformuleerd in uw brief met kenmerk 162471.02u; - mijn brief van 5 juli 2018, waarin ik de vragen van uw Kamer beantwoord heb zoals geformuleerd in uw brief met kenmerk 162471.03u.

Met betrekking tot de gewijzigde herziene EU-richtlijn wil ik het volgende opmerken: in de Europese richtlijn (Richtlijn 2014/52/EU) staat dat de lidstaten om de zes jaar (vanaf 16 mei 2017) de Europese Commissie in kennis stellen van het aantal projecten waarvoor een milieueffectrapportage uitgevoerd moet worden. In de richtlijn staat ook de voorwaarde dat deze verplichting geldt indien dergelijke gegevens beschikbaar zijn. Op dit moment heeft Nederland (gelijk de meeste andere lidstaten) geen compleet overzicht van alle milieueffectrapportages. Het verzamelen van alle gegevens is een grote uitdaging gezien de verschillende bevoegde gezagen die daarvoor verantwoordelijk zijn, de verschillende aanleidingen voor een milieueffectrapportage (passende beoordeling, plannen, bepaalde activiteiten) en de grote diversiteit aan milieueffectrapportages. Nederland zal daarom in de rapportage aan de Europese Commissie waarschijnlijk geen compleet beeld geven van alle milieueffectrapportages. Als de omgevingswet wordt ingevoerd zal over MER’en die ten grondslag liggen aan een ruimtelijk besluit via het digitale stelsel van de Omgevingswet wel informatie verkregen kunnen worden. Ik verwacht de Europese Commissie dan vollediger te kunnen informeren over het aantal MER’en in Nederland.

In uw brief van 28 september 2018 vragen de GroenLinks- en PvdA-leden mij te reageren op de stijging van het percentrage milieueffectrapporten (hierna: MER’en) met onvoldoende informatie. Daarbij merken uw leden op dat het hierbij volgens de Commissie voor de m.e.r altijd gaat om essentiële informatie. Uw leden geven aan dat zij het verontrustend vinden dat in meer dan 70% van de MER’en die de Commissie ziet belangrijke informatie ontbreekt.

De leden van GroenLinks en PvdA geven verder aan dat zij vinden dat uit het feit dat het aantal projecten dat bij de bestuursrechter struikelt over een MER, niet is toegenomen niet de conclusie kan worden getrokken dat de beoordeelde MER’en van voldoende kwaliteit zijn. Uw leden vragen tevens of ik een goed monitorsysteem wil opzetten van het aantal m.e.r.-trajecten met en zonder betrokkenheid van de Commissie.

In antwoord op deze vragen wil ik benadrukken dat uit het feit dat er geen stijging is van projecten die bij de bestuursrechten struikelen over een MER, ook niet het omgekeerde kan worden afgeleid, namelijk dat de beoordeelde MER’en van onvoldoende kwaliteit zouden zijn. Deze toetsing is immers aan de bestuursrechter. Ik heb echter begrip voor de zorgen van uw leden en zal daarom een onderzoek laten doen naar de kwaliteit van milieueffectrapportages (zowel de MER’en waarbij de Commissie betrokken is als de MER’en waarbij de Commissie niet betrokken is). Hierin zal ik laten onderzoeken welke factoren invloed hebben op de kwaliteit van MER’en, maar ook welke mogelijkheden er zijn om de kwaliteit van MER’en positief te beïnvloeden (ook onder de Omgevingswet).

Dit onderzoek kan tevens als nul-situatie dienen voor het monitoren van eventuele effecten van veranderingen, die intreden met het invoeren van de Omgevingswet. Hiermee verwacht ik tegemoet te komen aan de zorgen die leven bij uw leden over de kwaliteit van de MER’en. Zodra het onderzoek wordt opgeleverd in 2019 zal ik uw Kamer rapporteren over de uitkomsten ervan.

Meer van Omgevingsweb