Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Grote stookinstallaties en de Omgevingswet – oplegnotitie BREF LCP

In dit nieuwsbericht bespreek ik de oplegnotitie BREF LCP waarin allereerst een handvat wordt gegeven voor vergunningverleners voor de implementatie van de BREF LCP. Daarnaast is interessant dat hierin de eisen uit de Omgevingswet (Bal, Bkl) vergeleken worden met de milieuprestaties van Europese referentie installaties (BREF LCP). Het bevoegd gezag kan op basis van deze uitkomsten bepalen of een aanscherping in de (reeds bestaande) vergunning haalbaar is. Voor vergunninghouders is het goed zich te realiseren dat de oplegnotitie ook een voorstel doet voor een aangescherpte eis. Die eis is gebaseerd op de verwachting dat Nederlandse stookinstallaties kunnen presteren op een niveau van 30% van de best presterende Europese referentie-installatie.

Onrust, Fleur
11 augustus 2020

Artikelen

Artikelen

Oplegnotitie BREF-LCP

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft samen met Rijkswaterstaat bekeken op welke wijze verschillende sectoren hun emissies kunnen verlagen ingegeven door het Schone Lucht Akkoord. Omgevingsvergunningen nu en onder de Omgevingswet moeten bij industriële activiteiten voldoen aan BBT op grond van de (Europese) Richtlijn Industriële Emissies (RIE). De RIE heeft als doel de verontreiniging veroorzaakt door industriële activiteiten te verminderen en zoveel mogelijk uit te bannen. De best beschikbare technieken (verder ook: BBT) zijn een middel om dit doel te bereiken. Omdat de industrie – en stookinstallaties- een rol kunnen spelen bij het verlagen van emissies heeft Rijkswaterstaat een hulpmiddel voor het bevoegd gezag geschreven voor de verlening van omgevingsvergunningen voor grote stookinstallaties. Dit hulpmiddel betreft de oplegnotitie voor de BREF LCP. In de oplegnotitie wordt de nieuwe Omgevingswet reeds meegenomen, zodat dit document ook onder de Omgevingswet (inwerkingtreding 1 januari 2022?) bruikbaar blijft.

In de oplegnotitie worden eisen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (AMvB onder de nieuwe Omgevingswet, verder ook: Bal) vergeleken met de milieuprestaties van de Europese referentie installaties (uit de BREF LCP). Op basis daarvan wordt beoordeeld of aanscherping in de vergunning op de (toekomstige) eisen in het Bal realistisch is. Van belang is voor vergunningverleners en initiatiefnemers om te realiseren dat de eisen in Bal niet voor iedere situatie BBT (best beschikbare technieken) zijn. De vergunningverlener moet nog altijd beoordelen of een strengere eis mogelijk is.

In de BBT-conclusies wordt aangegeven welke technieken als BBT worden gezien en wat de emissieniveaus zijn bij toepassing van BBT. Deze BBT-GEN’s (met BBT geassocieerde emissie niveaus) dienen als basis voor het vaststellen van emissiegrenswaarden in vergunningen en algemene regels. BBT-GEN’s zijn opgenomen in paragraaf 4.3 van het Bal.

Voor initiatiefnemers is het van groot belang te weten dat in de oplegnotitie aan vergunningverleners een suggestie voor een aangescherpte emissie-eis wordt gedaan. Deze is gebaseerd op de verwachting dat Nederlandse grote stookinstallaties zouden moeten kunnen presteren op het niveau van 30% van de best presterende Europese referentie installaties. Let wel, dat zou een aanzienlijk lagere emissie-eis opleveren ten opzichte van de BREF. Hoewel uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat de oplegnotitie niet in de plaats komt van een individuele afweging van de vergunningverlener en dat een individuele afweging tot een andere conclusie kan leiden dan de conclusies in deze oplegnotitie, dienen vergunninghouders zich te realiseren dat dergelijke notities veelal eenvoudig worden toegepast door het bevoegd gezag. Voor het bevoegd gezag is het aan te raden om weliswaar de oplegnotitie te gebruiken, maar een kritische individuele beoordeling niet na te laten.

Afhankelijk van de situatie kan het toepassen van BBT leiden tot verschillende emissieniveaus. Soms bovenin de range, maar het kan ook onderin de range zijn. Het is daarom de taak van de vergunningverlener om te bepalen of de grote stookinstallatie voldoende BBT toepast en waar in de bandbreedte de grote stookinstallatie mag vallen, door de eisen af te stemmen op de specifieke situatie. Daarbij dient te worden gerealiseerd dat in het Bal de bovenste waarde van de emissierange uit de BREF LCP is verwerkt.

Naast de BBT-conclusies, speelt bij het verlenen van een omgevingsvergunning ook de nationale wetgeving een rol. Onder de Omgevingswet wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder ook: Bkl) geregeld hoe met de implementatie van de BBT conclusies omgegaan kan worden. In het Bal wordt de nationale regelgeving over stookinstallaties omschreven. In artikel 8.27 lid 1 Bkl is de regel neergelegd dat de emissiegrenswaarden van een installatie in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger mogen zijn dan de emissieniveaus in de BBT-conclusies. Het is aan de vergunningverlener om de BBT-conclusie(s) naar een emissiegrenswaarde in de vergunning. Op grond van artikel 8.30 Bkl kan het bevoegd gezag strengere voorwaarden op leggen dan volgt uit de BBT. Afwijken (strenger) zal wel gemotiveerd moeten worden door het bevoegd gezag.

Maar van belang is te weten dat het opleggen van strengere eisen in de vergunning zelfs verplicht kan zijn. Dat is het geval indien dit nodig is om een rijksomgevingswaarde te halen. Voorbeelden van rijksomgevingswaarden zijn de waarden voortvloeiend uit de de Richtlijn luchtkwaliteit en de Richtlijn gevaarlijke stoffen (paragraaf 2.2.1 Bkl) en de NEC-plafonds uit de NEC-Richtlijn.

Let op, ook voor bestaande omgevingsvergunningen geldt dat deze zo nodig gewijzigd of zelfs ingetrokken moeten worden in verband met nieuwe (strengere) BBT-conclusies.

Artikel delen

Reacties

Geef een reactie