Menu

Filter op
content
Omgevingsweb

Beantwoording Kamervragen over bevolkingsdaling en krimp

Minister Ollongren beantwoordt vragen naar aanleiding van verschillende brieven over bevolkingsdaling en krimp.

3 juli 2020

Kamerstuk: kamervraag

Kamerstuk: kamervraag

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de vragen die zijn gesteld door de Commissie Binnenlandse Zaken tijdens het SO op 14 mei jl. over verschillende brieven inzake bevolkingsdaling en krimp. De vragen zijn thematisch gebundeld. In de bijlage vindt u alle vragen genummerd terug. Tevens wordt ingegaan op een aantal nog openstaande toezeggingen uit o.a. de brief van 23 januari jl. (TK 31757-99; 2020). De beantwoording is mede namens de staatssecretaris van BZK, de minister en staatssecretaris van IenW, de ministers voor MZS en BVOM en de minister van LNV.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

drs. K.H. Ollongren

De rol van het ministerie van BZK met betrekking tot bevolkingsdaling

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe het ministerie van BZK de vele initiatieven die er zijn om krimpregio’s te ondersteunen coördineert (46), en wat deze coördinerende rol betekent voor de taken en bevoegdheden van de vakdepartementen en voor de rol van de minister van LNV die verantwoordelijk is voor de regiodeals (47).

Het ministerie van BZK zorgt voor een goede afstemming tussen enerzijds de vakdepartementen en anderzijds de provincies en gemeenten waar sprake is van bevolkingsdaling. In toenemende mate gaat het daarbij overigens mede om samenwerking tussen regio’s en Rijk met betrekking tot integrale gebiedsontwikkelingen. Vakdepartementen zijn en blijven hierbij verantwoordelijk voor hun eigen beleid. Als vakdepartement is het ministerie van BZK zelf onder meer verantwoordelijk voor goed openbaar bestuur, sterke democratie, goed wonen en duurzame ruimtelijke ontwikkeling. De minister van LNV is, naast haar andere verantwoordelijkheden, primair verantwoordelijk voor de inzet van de regio envelop en de regiodeals. Aan deze verantwoordelijkheid geeft zij concreet invulling in overleg met mij.

De leden van de D66-fractie en de PvdA-fractie stellen beiden vragen over de eind van het Actieprogramma Bevolkingsdaling (20, 94, 95).

Zoals in mijn brief van 28 januari jl. aangekondigd, wordt het Actieplan Bevolkingsdaling 1 januari 2021 beëindigd.

Aanbevelingen wetenschappers en K6: Van generiek krimpbeleid naar integraal gebiedsgericht maatwerk

De leden van de VVD-fractie vragen mij aan te geven welke specifieke aanbevelingen, gedaan door de wetenschappers betrokken bij de essaybundel ‘Nederland in Samenhang’ ik overneem bij de bepaling van de Rijksinzet op gebieden met bevolkingsdaling vanuit mijn ministerie

(5) en hoe ik aankijk tegen regio specifieke maatregelen, waarvoor ook gepleit wordt in het position paper van de K6 ‘Helemaal Nederland: te klein voor grote verschillen’ (99).

Waar het gaat om gebieden die nu of later geconfronteerd worden met bevolkingsdaling pleiten zowel wetenschappers in de essaybundel ‘Nederland in samenhang’ als de K6 in hun position paper voor een beleid dat is gericht op heel Nederland. Een beleid waarin stad en land, krimp en groei in samenhang met elkaar worden bezien en waarin tegelijkertijd gebiedsgericht wordt ingespeeld op de (toenemende) verschillen tussen regio’s. Dit betekent dat demografische groei en krimp niet op zichzelf dienen te worden bezien maar – in het kader van een visie op de ontwikkeling van heel Nederland – in samenhang met specifieke karakteristieken, kansen, bedreigingen en maatschappelijk opgaven in een gebied.

Dit pleidooi van wetenschappers en de K6 sluit aan op tenminste twee beleidsontwikkelingen aan de kant van de Rijksoverheid. In de eerste plaats zet ik, in samenwerking met mijn ambtsgenoten van LNV en andere vakdepartementen, betrokken bestuurders van gebieden met bevolkingsdaling en hun maatschappelijke partners, in op de versterking van de ruimtelijk- economische structuur en de sociaal fysieke leefbaarheid in die gebieden. Door benutting van het instrument regiodeal kan hierbij per regio maatwerk worden geleverd. Inmiddels is circa € 200 miljoen euro uit de regio envelop ingezet in gebieden met bevolkingsdaling (TK 29697-72; 2019). In de tweede plaats neem ik, zoals verwoord in mijn brief van 23 april jl. (TK 24682-48; 2020) over de NOVI, het pleidooi van de wetenschappers en de K6 ook mee bij de voorbereiding van de NOVI en – in dat kader – bij de selectie van voorlopige NOVI-gebieden, en bij de ontwikkeling van de landsdelige omgevingsagenda’s.

Tegen deze achtergrond wil het tot nu toe gevoerde generieke Rijksbeleid met betrekking tot krimpgebieden doorontwikkelen in de richting van meerjarige interbestuurlijke partnerschappen, gericht op een integrale – deels grensoverschrijdende – ontwikkeling van gebieden waar een inzet van de Rijksoverheid onmisbaar is.

Regionale gespreksronde

De leden van de VVD-fractie en de leden van de CDA-fractie zijn benieuwd hoe ik in het kader van Covid-19 invulling ga geven aan de regionale rondes die medio 2020 plaats zouden vinden met belanghebbenden om te horen wat de komende jaren nodig is om de regionale vitaliteit van gebieden met bevolkingsdaling te versterken (4, 13). Tevens vragen de leden van de VVD-fractie mij hoe ik mijn beleidsinzet voor de krimpregio’s op basis hiervan wil bepalen. De leden van de CDA-fractie, de D66-fractie en de PvdA-fractie vragen bovendien of (en wanneer) er in dit licht ook een herijking van de indeling in krimp en anticipeerregio’s komt op basis van de meest recente prognoses. Zo ja, wat deze regio indeling betekent voorde krimp- en anticipeerregio’s? En zo nee, of ik bereid ben, indien nodig, de regio-indeling op basis van de laatste prognoses aan te passen (12, 21, 22, 23, 92). Leden van de fractie GroenLinks vragen de regering aan te geven wat de actuele stand van zaken is met betrekking tot het onderzoek om de consequenties van demografische ontwikkelingen in verschillende scenario’s in kaart te brengen (n.a.v. de motie Dijkhoff c.s.) (44).

In de brief van 28 januari jl. (TK 31757-99; 2020) heeft de toenmalige minister van BZK aangekondigd, dat medio 2020 regionale gespreksronden met betrokkenen in gebieden met bevolkingsdaling georganiseerd zouden worden. Mede vanwege de coronacrisis heb ik besloten geen aparte discussieronden te organiseren, maar zoveel mogelijk aan te sluiten bij al lopende gesprekken over de integrale ontwikkeling van gebieden met de desbetreffende landsdelen, provincies en gemeenten. In deze gesprekken wil ik onder andere van gedachten wisselen over de uiteenlopende integrale ontwikkeling van de gebieden die nu of later worden geconfronteerd met bevolkingsdaling, en over de vraag wat betrokken publieke en private partijen (waaronder zo nodig de rijksoverheid) in dat licht te doen staat.

Omdat op 1 januari 2021 het actieplan bevolkingsdaling wordt beëindigd en ik niet van plan ben een nieuw actieplan te starten, is het ook niet nodig de indeling in krimp- en anticipeerregio’s ter herijken. Teneinde de betrokken regio’s en de rijksoverheid de ruimte te bieden voor de omslag van generiek krimpbeleid naar een gebiedsspecifieke en integrale ontwikkelingsaanpak heb ik besloten de looptijd van deze DU met één jaar te verlengen (tot en met 2021). De uitkomsten van de inmiddels gestarte evaluatie van deze DU ontvangt uw kamer dit najaar. De uitkomsten van deze evaluatie zullen worden betrokken bij de besluitvorming over de nieuwe verdeling van het gemeentefonds (TK 35300B-15;2019/2020).

In het kader van de motie Dijkhoff (TK 35000-3; 2018), is inmiddels het eerste deel van een verkenning uitgevoerd naar demografische ontwikkelingen in heel Nederland tot 2050. Hierover wordt uw kamer nog voor het zomerreces geïnformeerd door mijn ambtsgenoot van SZW. In november wordt het tweede deel van deze verkenning verwacht waarbij de nadruk ligt op de doordenking van de maatschappelijke gevolgen van de demografische ontwikkelingen, inclusief de aanknopingspunten voor beleid.

Tegen deze achtergrond en gezien er reeds een verkenning wordt uitgevoerd in het kader van de motie Dijkhoff naar demografische ontwikkelingen in heel Nederland zie ik af van een apart verkenningsonderzoek naar de opgaven en kansen in Nederland door demografische ontwikkelingen, zoals aangekondigd in de brief van de toenmalige minister van BZK van 28 januari jl. (TK 31757-99; 2020).

In aanvulling op bovenstaande, vragen de leden van de VVD-fractie mij hoe de beleidskeuzes in de NOVI voor vitaliteit en leefbaarheid in krimpgebieden verder zullen worden uitgewerkt, en of ik hier een tijdpad voor kan aangeven (9).

Zoals in de brief over de NOVI van 23 april jl. (TK 24682-48; 2020) is aangegeven ontwikkelen het Rijk, regionale overheden, maatschappelijke partners en burgers per regio/gebied een integraal toekomstperspectief en een ontwikkelstrategie, die worden verwerkt in de landsdelige omgevingsagenda’s. In alle vijf landsdelen is inmiddels een start gemaakt en wordt gewerkt aan bouwstenen voor een omgevingsagenda. Uiterlijk in het najaar van 2021 zullen deze omgevingsagenda’s worden vastgesteld.

Effecten coronacrisis

De leden van de CDA-fractie, GroenLinks-fractie en de D66-fractie stellen vragen over de gevolgen van de coronacrisis. Leden van de CDA-fractie vragen zich af of de coronacrisis een andere blik werpt op het beoogde krimpbeleid (10). Leden van de GroenLinks-fractie vragen het kabinet aan te geven wat de gevolgen zijn van de coronacrisis voor zover bekend

(43). Leden van de D66-fractie vragen of de regering specifiek beleid voor krimpregio’s gaat opstellen vanwege de voortdurende coronacrisis en vragen zich af of ik het eens ben dat het risico op het sterker voortzetten van bevolkingskrimp in deze regio’s groter kan worden als gevolg van de economische crisis (14). Zo ja, of ik voornemens ben om voor de regio’s aanvullend beleid op te stellen om de gevolgen van de coronacrisis zoveel mogelijk op te vangen (15). Zo nee, wat mijn inzet wordt om deze regio’s te helpen bij het tegengaan van de economische effecten van de coronacrisis (19). Ik beantwoord deze vragen graag in samenhang.

Om te voorkomen dat gemeenten door de coronacrisis in financiële problemen komen, hebben de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en ik, in overleg met de medeoverheden, maatregelen genomen om medeoverheden te compenseren. Uw Kamer is hierover op 28 mei jl. geïnformeerd (TK 35420-43; 2019-2020).

Voor de periode na 1 juni, trekken Rijk en medeoverheden samen op bij de invulling van de nodige maatregelen en om de sociaaleconomische crisis het hoofd te bieden. Het kabinet zal niet nalaten u over eventuele nadere maatregelen te informeren.

Verder zie ik, dat gemeenten waar dit nodig is, hebben kunnen lenen om verplichtingen na te komen, vooruitlopend op de uitbetaling van de afgesproken compensatiemaatregelen. Tevens is het aantal gemeenten dat in 2020 onder (preventief) verscherpt toezicht staat nog beperkt en wijkt het niet sterk af van de aantallen van de afgelopen tien jaar. Tegelijk is duidelijk dat, ook los van de gevolgen van de coronacrisis, de financiële positie van gemeenten aandacht vraagt. De gevolgen van de coronacrisis voor de financiële positie van gemeenten zal het kabinet nauwlettend blijven volgen en ik voer hierover structureel het gesprek met medeoverheden.

De leden van de D66-fractie vragen mij of ik de mening deel dat de regiodeals een prima instrument kunnen zijn voor aanvullend beleid en dat de coronacrisis een goede aanleiding kan zijn om het toekennen van de regiodeals ook na dit jaar voort te zetten (17, 18).

Met de leden van de D66-fractie onderschrijf ik dat de regiodeals, in combinatie met de inzet van middelen uit de regio envelop, een goed instrument lijken te zijn voor een gebiedsspecifieke en integrale ontwikkeling van regio’s. Hierover is meer te zeggen als dit najaar de uitkomsten van een inmiddels gestart ‘ex durante evaluatieonderzoek’ beschikbaar zijn. Het is aan een volgend kabinet om hier een vervolg aan te geven.

De leden van de D66-fractie vragen mij ook of ik de mening deel dat de huidige coronacrisis ook een kans biedt ten aanzien van het bevorderen van het werken op afstand nu thuiswerken door de coronacrisis de nieuwe norm in veel bedrijven en instellingen is geworden (25).

Daarnaast vragen deze leden of ik van plan ben om ook na deze crisis het thuiswerken te stimuleren zodat de werkgelegenheid minder gebonden wordt aan een enkele plaats. Aanvullend vragen zij in hoeverre dit ook een positieve invloed kan hebben op het aantrekken van de vraag naar woningen binnen de krimpregio’s (26, 27).

Door de crisis hebben thuiswerken en videoconferencing , zeker als het om kantoorwerk gaat, een stimulans gekregen. Nieuwe en innovatieve manieren van samenwerken worden vaker benut. Ik ben bezig met de ontwikkeling van een plan om richting te geven aan blijvende veranderingen bij de rijksdienst als gevolg van de coronacrisis. Het kenniscentrum Center for People and Buildings heeft opdracht om te onderzoeken hoe het thuiswerken wordt ervaren. De uitkomsten van dat onderzoek verwacht ik deze zomer en neem ik mee in mijn verdere planvorming. In hoeverre thuiswerken ook na de crisis de norm blijft, is nu nog niet te zeggen. Het is dan ook niet mogelijk om een uitspraak te doen over de invloed hiervan op het aantrekken van de vraag naar woningen in krimpregio’s.

Inzet beleidsinstrumenten

De leden van de SP-fractie vragen wat er bedoeld wordt met ‘inhoudelijke ondersteuning’ van de regio’s en op welke wijze en met welke middelen de overige krimp- of anticipeerregio’s worden ondersteund (55, 56).

De inhoudelijke ondersteuning waar de SP-fractie naar vraagt, betreft de in 2019 gestarte expertisetrajecten over woningmarkt en klimaat-en energietransitie in regio’s met bevolkingsdaling. De regio’s worden middels onderzoek en masterclasses inhoudelijk ondersteund met kennis en kunde. Daarnaast worden de regio‘s qua financiële middelen onder andere ondersteund via de Decentralisatie uitkering (DU) bevolkingsdaling en middelen uit de regio envelop.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering in een overzichtelijk schema weer kan geven welke krimpregio’s er zijn, welke acties concreet lopen, welke doelstellingen er zijn en wat de resultaten tot nu toe zijn (42).

Voor het overzicht van de krimpregio’s, de acties, doelstellingen en resultaten verwijs ik u naar het Actieplan Bevolkingsdaling en de drie voortgangsrapportages van het Actieplan die ik uw Kamer jaarlijks toestuur.1

De leden van de GroenLinks-fractie vernemen graag een actuele stand van zaken van de aanpak van de regering ten aanzien van het voorzieningenniveau waarbij specifiek ingegaan wordt op het onderwijsaanbod, de medische zorg en het openbaar vervoer (45). De leden van de SP-fractie vragen of ik bereid ben om een totaal overzicht te leveren van de bijdrage die de verschillende ministeries, direct en indirect leveren, aan de ontwikkeling van een krimp-of anticipeerregio en de middelen die daartoe worden ingezet (57). Ik beantwoord de vragen graag in samenhang.

1 (TK 31757-93; 2017) (TK 31757-97; 2018) (TK 31757-99; 2020).

Door verschillende vakdepartementen en andere overheden wordt gewerkt aan het onderhouden van een passend aanbod op het gebied van onderwijs, medische zorg en mobiliteit in deze gebieden.

De daling van het aantal basisschoolleerlingen vlakt de laatste jaren af. In de periode dat de daling van het aantal basisschoolleerlingen snel ging, zijn er tal van maateregelen genomen om schoolbesturen te helpen bij het aanbieden van goed basisonderwijs op een redelijke afstand. Een overzicht van de maatregelen staat in de brief van staatssecretaris Dekker van OCW van 23 mei 2014 (TK 31293-203; 2014). Daardoor zijn schoolbesturen in het primair onderwijs goed op de hoogte van de ontwikkeling van het aantal leerlingen en weten zij welke maatregelen zij kunnen nemen om te zorgen voor een goed onderwijsaanbod met voldoende diversiteit. In overleg met de PO-Raad is daarom besloten dat OCW de schoolbesturen niet langer proactief benadert. Wel kunnen schoolbesturen nog steeds met vragen terecht bij OCW.

In het voortgezet onderwijs in krimpregio’s is de leerlingendaling nog in volle gang. De commissie-Dijkgraaf heeft in 2019 geadviseerd hoe schoolbesturen beter in staat kunnen worden gesteld zorg te dragen voor toekomstbestendig voortgezet onderwijs in de regio. Op 19 mei jl. is een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin de actuele stand van zaken uiteen wordt gezet met betrekking tot de maatregelen gericht op de aanpak van leerlingendaling in reactie op dit advies van de commissie-Dijkgraaf (TK 31289-406; 2018/2019).

De regionale zorginfrastructuur is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van partijen in de regio. Zij brengen zelf de regionale behoeften in kaart en maken op basis daarvan samenwerkingsafspraken om beschikbaarheid van zorg te garanderen. Daarnaast maken zorgverzekeraars sinds 2019 iedere vier maanden een inventarisatie van de cruciale zorginfrastructuur per regio, om zo tijdig te kunnen anticiperen wanneer er problemen met betrekking tot de cruciale zorginfrastructuur dreigen te ontstaan. Het ministerie van VWS en de Landelijke Huisartsen Vereniging gaan met medewerking van een bureau de regio’s in om ondersteuning te bieden en regio’s te helpen het aanbod van huisartsenzorg te verhogen voor zowel de korte als lange termijn. De regionale urgentie van de problematiek en de wijze waarop ondersteuning kan worden geboden wordt momenteel in kaart gebracht.

Tot slot geldt dat ziekenhuizen die hun afdeling spoedeisende hulp of acute verloskunde willen sluiten of huisartsen die een huisartsenpost willen sluiten, op basis van de concept algemene maatregel van bestuur ‘beschikbaarheid en bereikbaarheid acute zorg’ zoals die op 26 mei 2020 is aangeboden aan de Tweede Kamer (TK 34767 en 34768 D;2019/2020), een zorgvuldig besluitvormingsproces moeten doorlopen, waarbij ook colleges van burgemeester en wethouders en inwoners worden betrokken.

De ov-concessies, en daarmee afwegingen over het schrappen of toevoegen van lijnen of –haltes, liggen bij de provincies (en vervoerregio’s) als opdrachtgevers van het regionale openbaar vervoer. Zij werken voortdurend aan de optimalisering van het vervoeraanbod in samenspraak met de regionale vervoerders en consumentenorganisaties. Zoals beschreven in de kamerbrief van de Staatsecretaris van IenW, met reactie op de motie van de leden Laçin en Kröger over de dekking en bereikbaarheid van het ov (TK 23645-715;2020), zijn in ‘De staat van het regionale openbaar vervoer 2018’ (CROW-KpVV) per concessie cijfers opgenomen over de ov-beschikbaarheid door de jaren heen.

Hierin is becijferd dat de huidige ov-beschikbaarheid in Nederland gemiddeld 92,1% is.

Daar waar onvoldoende vraag is naar openbaar vervoer kunnen provincies en gemeenten ook besluiten reizigers een alternatief te bieden met (kleinschaliger) flexibel vervoer in plaats van of in aanvulling op bestaande lijnen.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of een investeringsfonds om de leefbaarheid in krimpgebieden niet een deel van de oplossing moet zijn en waarom een dergelijk fonds nog niet opgericht is (70). Zij vragen ook of het op peil houden van lokale voorzieningen geen uitdaging is waar extra middelen voor nodig zijn en het kabinet bereid is om dit te erkennen en actie te ondernemen (71, 72)? Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie mij welke acties ik onderneem om de basisinfrastructuur overeind te houden (100)?

Het op peil houden van lokale voorzieningen is van groot belang voor de leefbaarheid van een regio. Door het Rijk wordt langs verschillende lijnen ook financieel bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid in krimpgebieden. Door het ministerie van BZK worden de krimpgemeenten sinds de start van het Actieplan Bevolkingsdaling ondersteund door middel van de DU bevolkingsdaling. Mijn ambtsgenoten van VWS en OCW hebben, zoals ik hiervoor al heb aangegeven, specifieke programma’s om het voorzieningenniveau in deze gebieden op peil te houden. Bovendien wordt de brede welvaart in krimpgebieden bevorderd door middel van substantiële bijdragen uit de regio envelop. Tegen deze achtergrond zie ik nu geen reden een investeringsfonds op te richten.

De leden van de PvdA-fractie vragen in welke mate er rekening wordt gehouden met specifieke wensen van regio’s (63). En of er genoeg ruimte is om voor de verschillen die bestaan tussen gebieden gedifferentieerd beleid te maken (64). Tevens vragen deze leden of dit bijvoorbeeld ook geldt voor gemeenten die wel te maken hebben met krimp maar dit in bepaalde delen van hun gebied ervaren (65). Hierbij vragen zij of het mogelijk is om deze gemeenten aan te wijzen als krimpgebieden (66). Tevens vragen de leden of er een meldpunt zal worden opgericht om knelpunten aan te dragen (67).

Met de omslag van generiek krimpbeleid naar een gezamenlijke integrale en gebiedsspecifieke ontwikkelingsaanpak ontstaat meer ruimte voor beleid dat inspeelt op verschillen tussen en binnen gebieden. Tegen deze achtergrond ligt het aanwijzen van gemeenten als krimpgebieden niet (meer) in de rede. De intensievere gebiedsgerichte contacten tussen onderscheiden regio’s en Rijk maken de oprichting van een knelpuntenmeldpunt op dit moment niet opportuun.

Expertisetrajecten Woningmarkt en klimaat- en energietransitie in krimpregio’s

De leden van de fracties van D66, GroenLinks en PvdA vragen of de resultaten van het onderzoek naar de energietransitie en klimaatadaptatie al beschikbaar zijn (34, 49, 88) en wat deze resultaten betekenen voor de woningvoorraad in gebieden met bevolkingsdaling (35, 50, 89). De leden van de fracties van D66 en GroenLinks vragen ook of er sprake is van een (deel van de) woningvoorraad waarbij het niet meer de moeite loont om ze geschikt te maken voor de energietransitie en te behouden (36, 51). De leden van de PvdA-fractie vragen of er nagedacht wordt over de mogelijkheid dat niet alle woningen geschikt te maken zijn voor de energietransitie (90).

Het expertisetraject klimaat- en energietransitie richt zich op het vergroten van de kennis over hoe de energietransitie in krimpgebieden vorm krijgt (waaronder de betaalbaarheid), en het vergroten van het inzicht in de kansen die de klimaat- en energietransitie voor krimpgebieden met zich meebrengt. Het expertisetraject bestaat uit twee sporen. Het eerste spoor is een reeks webinars en masterclasses in 2020. Hiermee wordt de uitwisseling van goede voorbeelden en slimme oplossingen tussen krimp- en anticipeerregio’s ondersteund. Het tweede spoor betreft (tot nu toe) een viertal (lopende) onderzoeken/projecten, te weten:

  1. Een onderzoek door het EIB naar de betaalbaarheid van de warmtetransitie voor particuliere woningeigenaren in krimpgebieden.

  2. Leerlijn Duurzaamheid en demografie binnen de ‘Wij Maken Nederland’ Academie met een focus op Limburg.

  3. Onderzoek van Rebel Group naar best practices hoe de energietransitie ingezet wordt voor leefbaarheid in krimpgebieden.

  4. Project van o.a. Platform31 verbinding stad en platteland over de manieren waarop de energietransitie bij kan dragen aan de vitaliteit op het platteland en de verbinding tussen stad en platteland.

De onderzoeken genoemd onder 3 en 4 zijn reeds afgerond en worden binnenkort gepubliceerd. Hierover wordt na het zomerreces een webinar georganiseerd om de opgedane kennis te delen. Over het onderzoek genoemd onder 1 is op 25 juni jl. een webinar georganiseerd. Ik zal u na de zomer het definitieve rapport doen toekomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe er binnen de verduurzamingsopgave van de woningvoorraad aandacht is voor krimpgebieden (110).

Ook voor de verduurzaming van woningen in krimpgebieden zijn alle subsidies en andere beleidsinstrumenten, zoals het warmtefonds, beschikbaar. Hetzelfde geldt voor de proeftuinen aardgasvrije wijken waarvan er een aantal in gebieden liggen die geconfronteerd worden met bevolkingsdaling. Platform 31 werkt in opdracht van het Programma Aardgasvrije Wijken aan een publicatie over de vraag hoe kleine gemeenten werken aan de energietransitie. Aan de hand van circa 10 praktijkvoorbeelden, waaronder enkele proeftuinen, zal worden belicht hoe deze kleine gemeenten de energietransitie in de gebouwde omgeving aanpakken en welke lessen dit oplevert. De resultaten hiervan komen na de zomer beschikbaar voor alle gemeenten via de website www.aardgasvrijewijken.nl.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat ik met twee expertisetrajecten ben gestart. Zij vragen in hoeverre heeft het eerste traject, betreffende de sloop- en herstructurering van woningen in krimpgebieden, concrete voorstellen heeft opgeleverd (82).

Het doel van het traject is om kennis en expertise uit te wisselen over de woningmarktopgave in krimpgebieden. Daarnaast heeft het RIGO Research een onderzoek uitgevoerd naar de woningmarktopgave in krimpgebieden tot 2040. Dit rapport is aan uw Kamer gestuurd samen met de Staat van de Woningmarkt (TK 32847-653; 2020). Het traject heeft nog niet geleid tot concrete voorstellen.

Signalen knellende wet- en regelgeving, grenseffecten en GROS

De leden van de PvdA-fractie zien dat er nog steeds hordes zijn voor regio’s veroorzaakt door nationale wet- en regelgeving. Kan de minister aangeven of regelgeving omtrent Europese subsidies kan worden aangepast om regio’s toch te laten profiteren (79)?

Dat er nog steeds hordes zijn voor regio’s veroorzaakt door nationale wet- en regelgeving onderschrijf ik. De staatssecretaris van BZK zet zich er, in het kader van zijn verantwoordelijkheid voor grensoverschrijdende samenwerking, in samenwerking met zijn ambtsgenoten, voor in om deze hordes zoveel mogelijk te slechten. De regelgeving met betrekking tot Europese subsidies is vanaf volgend jaar onderdeel van de besluitvorming over het Meerjarig Financieel Kader. De inzet van het kabinet is binnen dit kader Nederland (waaronder Nederlandse regio’s) in staat te stellen zoveel mogelijk te profiteren van mogelijkheden die de EU biedt.

De leden van de fracties van de VVD, ChristenUnie en de PvdA hebben gelezen dat nationale wet- en regelgeving nadelig kan uitpakken in gebieden met bevolkingsdaling. De leden van de VVD-fractie vragen of ik dit kan toelichten en een overzicht kan maken van de betreffende wet- en regelgeving (1). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen aan de regering een nadere toelichting hoe dit inzicht vooraf inzichtelijk zal worden gemaakt en op welke wijze rapportage kan plaatsvinden over signalen vanuit krimpregio’s over knellend rijksoverheidsbeleid (96). De leden van de PvdA-fractie vragen of ik kan aangeven of het interdepartementale overleg in dit kader al tot voorstellen is gekomen (62). De leden van de CDA-fractie en de ChristenUnie-fractie stellen vragen over de motie van Kamerlid van der Molen c.s. van 31 oktober 2019 over grens- en krimpeffecten op te nemen in het Integraal Afwegingskader. De CDA-fractie stelt dat de motie nog niet wordt uitgevoerd omdat ik eerst aan de slag wil met de leidraad grenseffecten in het IAK om te zien of dat zijn werking heeft (11). Deze leden vernemen graag op welke termijn dat gaat gebeuren. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen tevens welk tijdspad de regering voor zich ziet (97). Aanvullend vragen deze leden of er hierbij ook nadrukkelijk gekeken wordt naar de mogelijkheid tot een sterkere verankering van toetsing van zowel krimpregio- als grensregio-effecten in het afwegingskader dan alleen middels een leidraad (98). Leden van de D66- fractie vragen mij toe te lichten in hoeverre het opgestelde toetsingskader al heeft bijgedragen (41).

Wet- en regelgeving kan verschillend uitpakken voor gebieden, waaronder voor gebieden met bevolkingsdaling. Dit vloeit voort uit de (toenemende) verschillen tussen gebieden. Een overzicht van wet- en regelgeving waar dit aan de orde is kan ik niet maken.

Het integraal afwegingskader (IAK) verplicht bij de ontwikkeling van nieuwe wet- en regelgeving alle gevolgen in kaart te brengen en deze op te nemen in de memorie van toelichting. Bij alle nieuwe wet- of regelgeving dienen met andere woorden, mits opportuun, ook nu al de uiteenlopende effecten hiervan voor uiteenlopende regio’s, waaronder krimpregio’s, te worden geëxpliciteerd.

Voor de grensregio’s - goeddeels dezelfde gebieden als de regio’s met bevolkingsdaling - is bovendien de ‘leidraad grenseffecten’ relevant. Deze leidraad is erop gericht dat bij nieuw beleid en wet- en regelgeving de effecten hiervan voor grensregio’s worden geëxpliciteerd. Hierbij komt dat het ministerie van BZK voorstellen voor nieuw beleid en wet- en regelgeving toetst op de gevolgen voor interbestuurlijke verhoudingen. Daarbij wordt ook gekeken of er voldoende aandacht is voor grenseffecten. Zo nodig attendeert het ministerie BZK het verantwoordelijke departement op de mogelijke grenseffecten. Ook in de interdepartementale overleggen vraagt het ministerie van BZK aandacht voor grenseffecten. De werking van de leidraad wordt in de tweede helft van 2021 extern geëvalueerd. Bij de evaluatie van de werking van de leidraad zal deze bredere werkwijze, die als doel heeft de toepassing van de leidraad te bevorderen, worden betrokken.

Op 9 juni jl. is de motie Van der Molen c.s. aangenomen die het kabinet verzoekt de leidraad grenseffecten op te nemen als verplichte kwaliteitseis in het IAK (TK 32851-62; 2020). BZK is met de andere departementen in gesprek hoe deze motie kan worden uitgevoerd. De staatssecretaris van BZK heeft het onderzoeksinstituut van de Universiteit Maastricht Item subsidie toegekend om grenseffecten te signaleren en kennis hierover beschikbaar te stellen.

De leden van de D66-fractie vragen wat ik eraan doe om krimpregio’s aan de grens breder te verbinden met regio’s en gemeenten aan de andere kant van de grens (31).

Het ministerie van BZK doet dit door een aanpak langs vier sporen: 1) het stimuleren van grensoverschrijdende initiatieven, zowel in het kader van de regiodeals als in ander verband (waaronder het programma Onbegrensd, gericht op jongerenuitwisseling over de grens), 2) het verbeteren van de randvoorwaarden voor grensoverschrijdende samenwerking, 3) een actieve inzet in de gros-governance met Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en Vlaanderen en

4) het benutten van de instrumenten van de EU en Benelux. Bij deze sporen zijn ook regio’s en gemeenten aan de grens actief betrokken, en via euregionale en andere samenwerkingsverbanden zijn zij verbonden met regio’s en gemeenten aan de andere kant van de grens.

De leden van D66-fractie stellen dat in de oostelijke grensregio's bijvoorbeeld al langer gepleit wordt voor het aanbieden van het vak Duits vanaf groep 7 in het basisonderwijs en het verbeteren van het taalonderwijs in het voortgezet onderwijs en tijdens beroepsopleidingen. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd of ik opensta voor het stimuleren van dit aanbod en op hoe ik hierin optrek met de betrokken collega’s binnen het kabinet (32, 33). De leden van de PvdA-fractie vragen of ik het vak Duits op korte termijn kan aanbieden in grensregio’s (74, 75).

Sinds 1 januari 2016 is het wettelijk toegestaan om tot vijftien procent van de onderwijstijd in het primair onderwijs (po) in het Engels, Frans of Duits te geven. Hiermee wordt scholen de ruimte geboden om al in het primair onderwijs een stevig fundament te leggen voor het aanleren van een vreemde taal, bijvoorbeeld Duits, zonder dat dit in een apart vak aangeboden hoeft te worden. Het is echter uiteindelijk aan de scholen om daar eigen keuzes in te maken. Momenteel wordt op een beperkt aantal scholen een pilot uitgevoerd waarin we onderzoeken of uitbreiding van de ruimte voor vroegvreemdetalenonderwijs (vvto) wenselijk is, en zo ja, onder welke voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek worden verwacht in het voorjaar van 2023.

In het voortgezet onderwijs is het al sinds jaar en dag gebruikelijk in het tweede jaar te beginnen met het vak Duits. In de grensregio waar geëxperimenteerd wordt met het eerder aanbieden van buurtalen heeft het primair en voortgezet onderwijs overlegd over de doorlopende leerlijn. Daar zijn dan ook scholen te vinden die al in de brugklas beginnen met Duits. Een dergelijke beslissing is aan de scholen: zij weten als geen ander waar hun leerlingen behoefte aan hebben en hoe zij dat kunnen aanbieden. Scholen die eerder willen beginnen met het vak Duits kunnen dit dus doen binnen de huidige wet- en regelgeving. Het Ministerie van OCW biedt scholen ondersteuning bij verbetering van hun talenonderwijs aan via programma’s als vvto, LinQ, tweetalig onderwijs en Taalassistenten. Nuffic is op dit moment uitvoerder van deze programma’s.

De staatssecretaris van BZK onderhoudt intensieve relaties met de belanghebbenden in de grensregio over de diverse opgaven in het grensgebied. Indien nodig stemt hij op interdepartementaal af met zijn collega’s.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke kansen ik zie voor samenwerking tussen Zeeuws-Vlaanderen en Vlaanderen in België en (68) hoe de genoemde grensoverschrijdende aanpak eruit ziet en wat de status hiervan is (69).

Intensievere grensoverschrijdende samenwerking in dit gebied maakt het mogelijk dat: 1) elkaars arbeidsmarkten toegankelijker worden; 2) een betere grensoverschrijdende verbinding tot stand komt tussen onderwijs en arbeidsmarkt; en 3) een betere matching plaatsvindt van vraag en aanbod van huisvesting en voorzieningen, door de opgaven en mogelijkheden van de gebieden aan beide kanten van de grens met elkaar te verbinden. Zo is in de regio Gent sprake van bevolkingsgroei en in Zeeuws-Vlaanderen sprake van vergrijzing en bevolkingsdaling. Overigens biedt de samenwerking in dit gebied ook kansen op hele andere terreinen, zoals natuurontwikkeling, toerisme, CO2- reductie, waterstofeconomie, schaalvergroting van het havengebied en watermanagement etc. In de laatste voortgangsbrief GROS (TK 32851-58; 2020) is hier verder op ingegaan. De regionale en lokale overheden aan beide kanten van de grens hebben een werkagenda voor het zogenaamde North Sea Port District in ontwikkeling. De rijksoverheid en de Vlaamse overheid worden daarbij betrokken. Tenslotte ben ik van plan Zeeuws-Vlaanderen aan te wijzen als voorlopig NOVI-gebied

Woningmarkt

De leden van de VVD-fractie, SP-fractie en PvdA stellen enkele vragen over de Verhuurderheffing. De SP-fractie vraagt of ik kan aangeven welk deel van de 700 miljoen aan korting op de verhuurderheffing ten goede is gekomen aan de regio’s die kampen met krimp (59) en deze regeling ook in 2019 is en in 2020 wordt ingezet en met hoeveel middelen (60).

Hiernaast vraagt de fractie of ik een overzicht kan geven van de wijze waarop deze korting is ingezet en het effect daarvan op de betrokken krimp- of anticipeerregio (61).

Tot 1 juli 2018 konden verhuurders aanvragen indienen voor verschillende heffingsverminderingen waaronder nieuwbouw, en ook enkele specifieke heffingsverminderingen voor krimpgebieden, zoals sloop. Voor deze heffingsverminderingen is € 470 miljoen aan investeringen daadwerkelijk gerealiseerd, en kan nog voor meer dan € 1 miljard worden gerealiseerd. De verhuurders in krimpgebieden hebben reeds voor € 95 miljoen aan heffingsvermindering ontvangen. Er staat nog voor € 167 miljoen aan aanvragen voor de heffingsvermindering open.

In 2019 konden verhuurders een heffingsvermindering aanvragen voor het verduurzamen van de woningen. Hier is landelijk voor meer dan € 300 miljoen aan heffingsvermindering aangevraagd. Sinds begin 2020 is een nieuwe heffingsvermindering voor nieuwbouw aan te vragen voor verhuurders. Op 4 mei was er voor een totaal van € 1,7 miljard euro aan heffingsvermindering aangevraagd voor de bouw van 75.000 woningen. Hiervan zijn er bijna 8000, voor een bedrag van € 117 miljoen, ingediend vanuit de krimp- en anticipeerregio's.

De uitvoering van de regelingen voor de heffingsverminderingen lopen de komende jaren nog door en ik bezie in het licht van de gevolgen van corona of er een verlenging nodig is.

De leden van de ChristenUnie-fractie en de VVD-fractie vragen beiden naar de uitvoering en voortgang van de motie Dik-Faber c.s. (35300-VII-

81) over een nieuwe sloopregeling voor krimpgebieden (111, 7). De leden van de PvdA-fractie vragen of ik bereid ben om een heffingsvermindering op de verhuurderheffing in te voeren bij sloop zoals in het verleden het geval was (87). De leden van de VVD-fractie willen weten welke kansen en mogelijkheden ik zie voor sloopregelingen voor krimpregio’s en andere gebieden die hier behoefte aan hebben, zoals de gemeente Almelo (6). Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie of ik bereid ben de regels rondom de verhuurderheffing en de beperkte doelgroep aan te passen (81). Ik beantwoord de vragen graag in samenhang.

Op 29 mei jl. heb ik de rapportage over de verhuurderheffing inclusief evaluatie van de heffingsverminderingen naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd. Er wordt ook ingegaan op de motie van Dik-Faber c.s. (TK 35300-VII-81; 2019). Naar aanleiding van deze motie heb ik bij de bestuurders van de krimpgebieden en de corporatiebestuurders uit deze gebieden een enquête uitgezet naar de wensen voor een dergelijke regeling. Uit de enquête blijkt dat er draagvlak is vanuit de krimpgebieden voor een nieuwe sloopregeling, voor zowel de opgave in de corporatievoorraad als de particuliere voorraad.

In de aanbiedingsbrief bij de genoemde rapportage verhuurderheffing heb ik aangegeven dat de WOZ-waarde een erg volatiele en lastig te voorspellen factor van de grondslag van de verhuurderheffing blijkt te zijn. Deze volatiliteit zorgt voor onzekerheid bij corporaties, waarvoor een stabiele en planbare kasstroom cruciaal is om investeringsbeslissingen voor de lange termijn te maken, maar ook voor onzekerheid bij de inkomsten voor de overheid. Ik wil de mogelijkheid om de afhankelijkheid van de heffing van de ontwikkeling van de WOZ-waarde te beperken verder uitwerken. Dit wordt in samenhang bekeken met de resultaten van het onderzoek met betrekking tot de motie van Ronnes c.s. (TK 35000-VII- 52; 2018/2019) over de (financiële) balans van opgaven en middelen van corporaties op de langere termijn, die voor de zomer naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Het vervolg van de uitwerking van andere (nieuwe) beleidsopties wil ik overlaten aan een volgend kabinet.

De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van het woonbeleid wat het effect is van een budget neutrale omzetting van de maximale WOZ- waarde van 294.000 euro in de grondslag voor de verhuurderheffing naar een heffingsvrije voet aan de onderkant voor de investeringscapaciteit van woningcorporaties in krimpgebieden (2).

Uit het rapport over de Verhuurderheffing blijkt dat de invoering van de maximering van de WOZ-waarde € 38 miljoen aan verhuurderheffing te hebben gekost. Daartegenover stond een stijging van het heffingspercentage van de verhuurderheffing van 0,01%-punt. Door het afschaffen van de maximering kan budget vrijgemaakt worden voor andere faciliteiten. Een verhoging van de heffingsvrije voet voor corporaties in krimpgebieden zal echter juridisch en uitvoerbaar moeilijk vorm te geven zijn. Hierdoor wordt er een juridisch onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten verhuurders in de regio.

Daarvoor dient een objectieve rechtvaardiging te zijn. Daarnaast is het uitgangspunt van de verhuurderheffing geweest om de uitvoeringslasten zo laag mogelijk te houden. Een differentiatie in tarieven of heffingsvrije voeten tussen verschillende verhuurders draagt hier niet aan bij.

De leden van de VVD-fractie nemen ook kennis van de constatering dat bestuurders voor uitdagingen staan waarbij zij vanuit een middellange termijn perspectief in tijden van woningvraag extra woningen willen bijbouwen, terwijl voor de langere termijn bevolkingsdaling wordt verwacht. Deze leden zien in deze situaties een oplossing in flexwoningen en vragen of ik dat mee kan nemen in de gesprekken met krimpregio’s (3).

Ja, dat neem ik mee.

De leden van de VVD-fractie vragen ook hoe staat het met de beschikbaarheid van seniorenwoningen en welke afspraken er met provincies en gemeenten gemaakt zijn om de beschikbaarheid te vergroten (8).

In het meest recente WoonOnderzoek Nederland (WoON2018), dat elke drie jaar in opdracht van het Ministerie van BZK wordt uitgevoerd, zijn de huidige woonsituatie én woonwensen van ouderen in beeld gebracht. Het gaat hierbij om het aantal nultredenwoningen in de woningvoorraad, het aantal ouderen dat in een zelfstandige seniorenwoningen woont en het aantal ouderen dat in een specifiek op ouderen gericht wooncomplex woont. Enkele resultaten van dit onderzoek zijn onder meer terug te vinden in de kernpublicatie ´Ruimte voor Wonen´ en de kernrapportages op COROP-niveau die via de website www.datawonen.nl beschikbaar zijn. Momenteel wordt gewerkt aan het WoON2021, de resultaten hiervan worden medio 2022 gepresenteerd.

Daarnaast heeft onderzoeksbureau RIGO in het kader van het expertisetraject woningmarkt in krimpregio´s onlangs een onderzoek uitgevoerd naar de woningmarktopgaven in krimpgebieden tot 2040. Hierbij is onder meer gekeken naar het aandeel van de woningvoorraad in deze regio´s dat nu al levensloopbestendig is en wat de kosten zijn om de gehele woningvoorraad in deze regio´s levensloopbestendig te maken. Dit onderzoek is onlangs samen met de Staat van de Woningmarkt (TK 32847-653; 2020) aan uw Kamer aangeboden.

In het kader van de regiodeals worden met gemeenten en provincies afspraken gemaakt en ondersteund mijn ministerie bij het realiseren van een passende woningvoorraad. Het gaat hierbij onder meer om het levensloopbestendig maken van bestaande woningen en het realiseren van nieuwe levensloopbestendige woningen.

De leden van de GroenLinks-fractie en D66-fractie vragen of er plannen in de maak zijn voor een nationaal sloopfonds (52, 37) en de leden van de D66-fractie vragen aansluitend of ik het er mee eens ben dat een dergelijk fonds het verduurzamen en op peil houden van de woningvoorraad in krimpgebieden bevorderd kan worden (38)?

Nee, er zijn op dit moment geen plannen in de maak voor een nationaal sloopfonds. Het verduurzamen en op peil houden van de woningvoorraad in krimpgebieden is een belangrijke opgave. Ik zal daarom wel goed in de gaten blijven houden of er ook in toekomst voldoende geld beschikbaar is om de gewenste aanpassingen in de woningvoorraad in krimpgebieden te realiseren.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie Asscher c.s. over het op peil houden van investeringen in betaalbare huurhuizen en krimpgebieden (84). Aanvullend vragen zij of er al plannen uitgedacht over de woningvoorraad in krimpgebieden (85), hoe regionale tekorten of overschotten voorkomen kunnen worden (86) en wat voor balans wordt er wordt gezocht tussen sloop en herstructurering van woningen (83).

In de Kamerbrief van 9 november 2018 (TK 32847-441; 2018) over de ontwikkeling van financiën van corporaties ga ik in op de motie Asscher c.s. Ik geef hier onder meer aan dat het belangrijk is de ontwikkeling in de gaten te houden. Om tot plannen te komen en tekorten en overschotten in de toekomst te voorkomen, is het belangrijk eerst de woningbouwopgave per regio goed in beeld te brengen. Begin dit jaar presenteerde het CBS een fors hogere bevolkingsprognose. Dit heeft logischerwijs grote gevolgen voor de woningbouwopgave. Deze opgave verschilt echter sterk per regio. Hierover heeft de minister voor Milieu en Wonen op 2 maart jl. een bestuurlijk overleg gevoerd met gedeputeerden van alle twaalf provincies. In het kader van dat overleg wordt met alle provincies gezamenlijk in kaart gebracht welke opgaven er in de provincies spelen in het kader van woningbouw en herstructurering. Hiermee voldoe ik tevens aan de toezegging de Kamer te informeren over de gesprekken die ik voer met de krimpregio’s over de manier waarop de regionale woningmarktopgaven aangepakt kunnen worden (TK 32847-441; 2018). De gevolgen van de nieuwe CBS-prognose voor de woningbehoefte zijn inmiddels doorgerekend door ABF Research en met deze uitkomsten wordt op ambtelijk niveau het gesprek met de provincies aangegaan om ervoor te zorgen dat de toekomstige woningvraag en -aanbod goed op elkaar zijn afgestemd. In het kader van het expertisetraject woningmarkt in krimpregio´s heeft onderzoeksbureau RIGO daarnaast onlangs een onderzoek uitgevoerd naar de woningmarktopgaven in krimpgebieden (sloop, herstructurering, verduurzaming, levensloopbestendig maken) en de bijbehorende kosten hiervoor. Dit onderzoek is op 15 juni jl. aan uw Kamer aangeboden samen met de Staat van de Woningmarkt (TK 32847-653; 2020). Ik neem de uitkomsten van dit onderzoek mee in de gesprekken met de provincies en gemeenten. In de eerder genoemde regiodeals zijn al concrete afspraken gemaakt om in de Achterhoek, Zuid- en Oost-Drenthe en Parkstad Limburg onder meer tot een toekomstbestendige woningvoorraad te komen. Om ervoor te zorgen dat er, ook in krimpgebieden, meer betaalbare huurwoningen bebouwd worden, kunnen verhuurders van sociale huurwoningen tot 1 juli 2020 een aanvraag doen voor de Regeling Heffingsvermindering voor nieuwbouw.

Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie of er nog andere knelpunten opgelost kunnen worden door te schaven aan de bestaande wet- en regelgeving. Deze leden wijzen daarbij op de beperkte ruimte die wooncorporaties krijgen om te bouwen (80).

Een knelpunt waarover ik met uw Kamer gesproken heb, is de marktverkenning. Woningcorporaties kunnen sociale huurwoningen bouwen vanuit hun DAEB-tak (bestaat uit huurwoningen met een huurprijs tot en met de liberalisatiegrens).

Dat is hun kerntaak en daarvoor krijgen ze staatssteun in de vorm van geborgde leningen door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Daarnaast mogen ze middenhuurwoningen en koopwoningen bouwen vanuit hun niet-DAEB-tak, onder marktconforme condities en zonder geborgde leningen. Voor het bouwen van woningen in de niet-DAEB-tak is een marktverkenning vereist. Dit is een procedurele verplichting waardoor het minder gemakkelijk is om commerciële investeringen te plegen als woningcorporatie. In mijn brief over betaalbaar wonen voor starters en mensen met een middeninkomen van 15 mei jl. (TK 32847-654; 2020) heb ik de marktverkenning aangehaald. Hierin geef ik aan dat we gesproken hebben over de marktverkenning, gezien de mogelijke belemmering die deze vormt voor woningcorporaties om te investeren in middenhuur. Het is belangrijk dat zowel woningcorporaties als marktpartijen kunnen doorbouwen. Ik bezie de marktverkenning daarom in dit belang samen met Aedes en VNG en streef erna uw Kamer rond de zomer nader te informeren.

Zorg

De leden van de D66-fractie vragen of het kabinet voornemens is om na de coronacrisis een evaluatie uit te voeren naar de wijze waarop deze regionale kwetsbaarheid van de zorg bij een toekomstige crisis beter ondervangen kan worden (28)?

De coronacrisis heeft de zorg in zeer korte tijd in heel Nederland onder druk gezet. Dit geldt voor zowel krimpregio’s als voor de rest van het land. Wanneer de coronacrisis geëvalueerd wordt, zal er vanzelfsprekend ook aandacht zijn voor de regionale impact van de crisis en de wijze waarop in de toekomst op regionaal niveau beter op een dergelijke crisis geanticipeerd kan worden.

De leden van de D66-fractie geven aan dat regio’s in de zorgverlening aanlopen tegen een groeiend tekort aan medici (huisartsen, tandartsen en medisch specialisten). De leden vragen of ik kansen zie voor bijvoorbeeld het bevorderen van stageplaatsen voor deze medische beroepsgroepen in regio’s (29)?

De opleidingen tot huisarts en tot medisch specialist zijn vervolgopleidingen na de opleiding tot basisarts. Deze vervolgopleidingen vinden plaats in huisartsenpraktijken en ziekenhuizen verspreid over het land.

De opleiding tot huisarts wordt op dit moment op twaalf locaties verdeeld over Nederland aangeboden: acht instituten bij de UMC’s en vier opleidingslocaties regionaal verspreid in Twente, Zwolle en Eindhoven. De verdeling van de opleidingsplekken wordt voornamelijk bepaald op basis van de bevolkingsaantallen van de gemeentes die behoren bij het instituut of regionale locatie. Het eerste en derde jaar van de huisartsopleiding vindt plaats in een huisartspraktijk die verbonden is aan een van de acht instituten.

Voor minder populaire locaties (met name de minder dichtbevolkte regio’s) worden aanvullende acties ondernomen om ook die plaatsen ingevuld te krijgen. Te denken valt hierbij aan speciale wervingsacties waarbij deze locaties extra worden belicht en aan meeloopdagen in die regio’s. Verder wordt op dit

moment in Zeeland een pilot gedraaid waarbij vier huisartsen in opleiding hun totale opleiding in Zeeland volgen. De hoop is dat ze zich daar in de toekomst ook zullen vestigen.

Ook medisch specialisten worden gespreid over het land opgeleid. Daarbij gelden wel bepaalde restricties. Medisch specialisten kunnen uitsluitend worden opgeleid in ziekenhuizen die over een opleidingserkenning beschikken. Dit is van belang, omdat daarmee de opleidingskwaliteit en het opleidingsklimaat worden gewaarborgd. UMC’s en topklinische (algemene) ziekenhuizen hebben erkenningen voor de meeste specialistische opleidingen, sommige kleinere algemene ziekenhuizen of categorale instellingen zijn erkend voor één of enkele opleidingen of voor alleen onderdelen van opleidingen.

Vorig jaar kwam uit Nivel-onderzoek naar regionale (dis)balans bij medisch specialisten naar voren dat er geen algemeen probleem is met de regionale beschikbaarheid van medisch specialisten. Wel werd geconstateerd dat het lokaal soms lastig is bepaalde specialisten aan te trekken. Met name in de provincies Drenthe, Flevoland en Zeeland zou dat spelen. Alleen in de provincie Zeeland zijn geen opleidingsplaatsen voor medisch specialisten. Daarom is bij Viazorg, de organisatie van Zeeuwse zorgwerkgevers waarbij ook de Zeeuwse ziekenhuizen zijn aangesloten, nagevraagd of dit tot problemen leidt bij het aantrekken van medisch specialisten. Dat bleek niet het geval.

Een interessant initiatief bij de kindergeneeskunde is de recent gecreëerde mogelijkheid van een twee weken durende kennismaking (expliciet geen opleiding) voor artsen in opleiding tot specialist (aios) en kleinere algemene niet- opleidingsziekenhuizen. Aios die daarvoor belangstelling hebben, kunnen zo ervaren hoe het is om in een kleiner ziekenhuis te werken. Het is nog te vroeg om een effect hiervan te zien in de vervolgkeuzes die kinderartsen na afronding van de opleiding maken.

De opleiding tot tandarts is een initiële opleiding die kan worden gevolgd op drie locaties (Amsterdam, Groningen, Nijmegen). De opleiding vindt in principe geheel aan de universiteit plaats. Alle verrichtingen worden aangeleerd in de kliniek van de faculteit. Studenten die dat willen kunnen een stage doen in een tandartspraktijk. Zij moeten dat dan zelf regelen, het is geen standaardonderdeel van de opleiding.

Afsluitend vragen de leden van de D66-fractie nog hoe ik aan kijk tegen het idee om het zorgstelsel voor regio’s te versimpelen, zodat samenwerking tussen zorgaanbieders vanuit de overheid gestimuleerd kan worden (30)?

Bij de behandeling van de begroting van VWS voor 2020 op 30 en 31 oktober 2019 heeft de minister van VWS een Contourennota aangekondigd. Daarbij is aangegeven dat de Tweede Kamer voor de zomer van 2020 via de Contourennota zou worden geïnformeerd over mogelijke aanpassingen van het zorgstelsel, waarbij ook een vraag is hoe wij omgaan met (regionale) samenwerking tussen aanbieders en inkopers ten aanzien van domein overstijgende vraagstukken.

Wegens de coronacrisis is de Contourennota uitgesteld tot het najaar.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er mogelijkheden worden gezien voor samenwerking tussen regio’s om de tekorten in de zorg op te vangen (73).

Samenwerking binnen en tussen regio’s kan een belangrijke bijdrage leveren aan het opvangen van de personeelstekorten. Dat geldt ook voor de regio’s met bevolkingsdaling. Het ministerie van VWS stimuleert en faciliteert die samenwerking met een subsidie aan RegioPlus, het landelijk dekkend samenwerkingsverband van 14 werkgeversverenigingen in zorg en welzijn. Zij hebben hiervoor het programma Samen Regionaal Sterk opgezet, waarmee ze langs drie programmalijnen (kiezen en toeleiden / leren en opleiden / werken en behoud) samenwerken aan een betere arbeidsmarkt voor zorg en welzijn. Vanuit dit samenwerkingsverband worden onder andere de regionale actieplannen aanpak tekorten (RAATs) van het Actieprogramma Werken in de Zorg gefaciliteerd. Ook is er laagdrempelige loopbaancoaching beschikbaar via Sterk in je Werk (www.sterkinjewerk.nl) en investeren we €420 mln. in het opleiden van met name zij-instromers via SectorplanPlus (www.sectorplanplus.nl).

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze krimpregio's extra aandacht krijgen bij het borgen van bereikbare eerstelijns- en tweedelijnszorg (101).

De toegankelijkheid van de zorg speelt een belangrijke rol in het beleid van het ministerie van VWS.

Voor de acute ziekenhuiszorg op SEH’s en afdelingen acute verloskunde bestaat bijvoorbeeld de zogenaamde 45 minuten-norm. Afdelingen die ‘gevoelig’ zijn voor deze norm, wat betekent dat er door sluiting van een dergelijke afdeling meer inwoners zouden zijn voor wie deze acute ziekenhuiszorg niet meer binnen deze norm bereikbaar zou zijn, mogen niet sluiten. Het RIVM brengt jaarlijks op verzoek van het ministerie van VWS een analyse uit, waarin deze ‘gevoelige’ afdelingen in kaart worden gebracht. Deze gevoelige afdelingen kunnen onder bepaalde voorwaarden een beschikbaarheidsbijdrage van de NZa ontvangen. Op dit moment doet de Gezondheidsraad onderzoek naar de 45 minuten-norm.

Daarnaast moeten ambulancediensten op basis van de Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg hun standplaatsen zo inrichten dat 97% van de bevolking binnen 12 minuten rijtijd bereikt kan worden. Deze regel is vooral van belang voor dunbevolkte regio’s.

In de houtskoolschets acute zorg en de contourennota zal ook aandacht besteed worden aan de bereikbaarheid van zorg en de integrale samenwerking tussen de verschillende domeinen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het kabinet kijkt naar het pleidooi van de K6 ten aanzien van de schaarste in de zorg in krimpgebieden (102)? Tevens vragen deze leden hoe in dit licht uitvoering wordt gegeven aan de motie Dik-Faber c.s. (31016 nr. 274) (103)?

De minister van MZS vindt het positief dat de K6 kijkt naar de manieren om ook in de toekomst de zorg te kunnen blijven leveren.

Voldoende personeel is een van de belangrijkste voorwaarden voor de toegang tot zorg, en tegelijkertijd één van de grootste uitdagingen. Als onderdeel van het Actieprogramma Werken in de Zorg hebben alle regio’s een aanpak gericht op meer personeel voor de zorg en het behoud van personeel, gebaseerd op de opgaven in de eigen regio. VWS ondersteunt dit onder andere met de subsidie Sectorplanplus voor het opleiden en trainen van nieuwe medewerkers.

Ook anders organiseren van zorg, zoals ook in het pleidooi benoemd is belangrijk. Samenwerking over de domeinen heen en het inzetten van technologie kan daarbij meerwaarde hebben.

Zo wordt nu in Drenthe gewerkt met virtuele huisartsen van de praktijk Westerdokters in Amsterdam om zo tegemoet te komen aan het huisartsentekort wat daar speelt. Het zijn dit soort vernieuwingen die de zorg ook in de toekomst toegankelijk houden. Het ministerie van VWS ondersteunt dit in de beweging naar De Juiste Zorg op Juiste Plek en met het programma Innovatie en Zorgvernieuwing.

Daarnaast hebben partijen in de regio conform de afspraken uit de hoofdlijnakkoorden per regio een regiobeeld opgesteld. Deze beelden laten zien hoe de zorg- en ondersteuningsvraag zich de komende jaren gaat ontwikkelen in een regio en vormen de basis voor het gesprek over een breed gedragen regiovisie. Gegeven het regiobeeld en regiovisie maakt elke partij afspraken over de organisatie van zorg en ondersteuning. Dat betekent onder andere dat zorginkopers op basis van het gedeelde beeld de zorg inkopen die zij nodig achten voor de mensen in de regio.

Daarnaast maken zorgverzekeraars sinds 2019 iedere vier maanden een inventarisatie van de cruciale zorginfrastructuur per regio, om zo tijdig te kunnen anticiperen wanneer er problemen met betrekking tot de cruciale zorginfrastructuur dreigen te ontstaan.

Het ministerie van VWS en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) gaan met medewerking van een bureau regio’s in om ondersteuning te bieden en regio’s te helpen met de toegankelijkheid van huisartsenzorg te verhogen voor zowel de korte als lange termijn. De regionale urgentie van de problematiek en de wijze waarop ondersteuning kan worden geboden wordt momenteel in kaart gebracht.

Infrastructuur en mobiliteit

De leden van de D66-fractie vragen of de pilots rondom het thema Mobility as a service (MaaS) doorgang hebben gekregen, ondanks de huidige problematiek in het openbaar vervoer vanwege de coronacrisis (Kamerstuk 31-757-99)? Tevens vragen deze leden wanneer de resultaten hiervan verwacht worden (24).

In verband met de coronacrisis wordt nog niet aan campagnes voor reizen met MaaS gedaan. Dat wordt nu voor later dit jaar voorzien. Voor de verdere stand van zaken omtrent de MaaS pilots verwijs ik u naar de MIRT-brief die mijn collega van IenW recentelijk naar de Kamer heeft gestuurd (TK2020D25072).

De leden van de PvdA-fractie wijzen op het belang van een snelle verbinding tussen regio’s en de Randstad. En vragen de minister van IenW of er stappen worden genomen om additionele snelle verbindingen te realiseren (76, 77). Tevens vragen deze leden waar de minister kansen ziet om verbeteringen aan te brengen op bestaande trajecten (78)?

Aansluitend hierop vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de regering aankijkt tegen het pleidooi van de K6 voor snelle verbindingen vanuit bijvoorbeeld Maastricht en Leeuwarden/Groningen richting Amsterdam (108), en welke stappen worden ondernomen om dit soort snelle verbindingen tussen de Randstad en de transitieregio's te realiseren (109)?

In de contouren van het Toekomstbeeld OV van vorig jaar februari is geschetst dat IenW richting de toekomst inzet op vaak en snel reizen in een brede stedelijke ring, met enkele sterke assen naar de verschillende landsdelen en de landen om ons heen. Dit vraagt om maatwerk op deze verschillende assen naar de landsdelen in termen van frequentie, stops en snelheid en hiermee samenhangende strategieën op het gebied van auto, fiets en HOV (hoogwaardig openbaar vervoer). De (kosten)effectiviteit, de wijze en het tempo van reistijdverkorting worden momenteel in het kader van de uitwerking van de contouren van het Toekomstbeeld OV nader onderzocht. De resultaten van al deze onderzoeken worden meegenomen naar de ontwikkelagenda van het Toekomstbeeld OV die dit najaar met regio’s en vervoerders wordt opgesteld.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke manier het perspectief van de krimp- en grensregio beter verankerd kan worden bij besluitvorming rondom infrastructurele projecten (106).

Zoals aangegeven in de brief aan uw Kamer met beantwoording van de vragen van het Schriftelijk Overleg m.b.t. het Mobiliteitsfonds (TK2020D24176) ontwikkelt het ministerie van IenW een samenhangend instrumentarium dat een brede, integrale en gebiedsgerichte afweging van opgaven en mogelijke oplossingsrichtingen ondersteunt. Naast de wetswijziging in het kader van het Mobiliteitsfonds, werkt IenW ook aan de herziening van de MIRT-spelregels en aanpassing van de Nationale Markt en Capaciteitsanalyse (NMCA).

Voorts vragen de leden van deze fractie of bij een project als de Nedersaksenlijn voor financiering ook breder kan worden gekeken dan enkel het infrastructuurfonds, juist ook gezien de economische impuls en impuls aan de leefbaarheid in krimpgebieden die een dergelijke verbinding kan opleveren (107).

Bij het nemen van investeringsbeslissingen in het kader van het infrastructuur- en straks het mobiliteitsfonds, worden zaken als ruimtelijk-economische en leefbaarheidseffecten meegenomen. Alternatieve bekostiging, bijvoorbeeld vanuit private partijen, kan een optie zijn als dekkingsbron van infrastructuurprojecten.

Onderwijs

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de minister op welke wijze er in krimpgebieden kan worden voortgebouwd op de interessante inzichten die zijn opgedaan door de coronacrisis met betrekking tot niet- traditionele onderwijsvormen om de levensvatbaarheid van scholen en vrijheid van onderwijs in deze gebieden te borgen (104). Tevens vragen genoemde leden of er momenteel afdoende ruimte is voor samenwerking tussen scholen, waarbij toch de diversiteit van het onderwijsaanbod en het eigen karakter van diverse onderwijsrichtingen gewaarborgd blijft (105).

De coronacrisis heeft de ontwikkeling van onderwijs op afstand in een stroomversnelling gebracht. Het noodgedwongen experimenteren heeft geleid tot waardevolle inzichten. Op www.lesopafstand.nl wordt informatie over afstandsonderwijs van verschillende partijen gebundeld. Deze informatie en de ervaringen die nu met deze vorm van onderwijs worden opgedaan, kunnen in de toekomst in krimpregio’s mogelijk een rol van betekenis spelen bij het aanbieden van vakken die maar door een zeer beperkt aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs worden gevolgd. Deze ervaringen zullen dan ook actief worden gedeeld tijdens de gesprekken die de accountmanagers leerlingendaling met het onderwijsveld voeren. In het basisonderwijs is sprake van een dicht netwerk van scholen, waardoor onderwijs op afstand in verband met demografische ontwikkelingen niet nodig zal zijn. Daarnaast laat deze tijd ook zien dat afstandsonderwijs niet voor ieder onderdeel of leerling werkbaar is. Zo zijn praktijkvakken op afstand niet mogelijk, terwijl een aantal avo-vakken juist wel meer mogelijkheden bieden dan vooraf gedacht.

De ruimte voor samenwerking is er en van deze ruimte wordt in regio’s met bevolkingsdaling ook gebruik gemaakt. Zo is het vormen van een samenwerkingsschool eenvoudiger geworden en is hiervoor een handreiking gemaakt. Om de samenwerking in regio's met bevolkingsdaling te stimuleren,

heeft de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media op 30 april jl. de Subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling vo 2020 gepubliceerd. Op basis van deze regeling kunnen scholen van 8 tot en met 22 juni 2020 een subsidie van € 50.000 per regio aanvragen voor ondersteuning bij het opstellen van een plan om de transitie te maken naar een levensvatbaar en kwalitatief goed onderwijsaanbod, waarbij de reisafstand voor leerlingen binnen acceptabele grenzen blijft. Aan het einde van dit jaar kunnen scholen vervolgens een subsidie van maximaal € 700.000 per regio aanvragen voor de uitvoering van dit transitieplan.

Werkgelegenheid en industriële werkgevers

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het kabinet erkent dat in krimp- en grensregio’s er veelal sprake is van industriële werkgevers. En dat het van belang is dat er voor het behoud van deze werkgelegenheid aandacht is deze industrieën bij de energietransitie (112). Tevens vragen de leden van deze fractie hoe dit perspectief wordt meegenomen in de te treffen maatregelen en ondersteuning van ondernemingen bij verduurzaming en of er hierin nadrukkelijk oog voor ondernemingen in krimpgebieden is (113).

Het kabinet erkent dit. Ik verwijs hiervoor ook graag naar de visie van het kabinet op verduurzaming basisindustrie 2050 (TK 29696-15; 2020). Ons land kent vijf industriële regio’s waar de bedrijvigheid van de energie-intensieve basisindustrie sterk is geclusterd, waaronder ook krimp- en bevolkingsdaling gebieden: Zeeland (Terneuzen en omstreken), Noord-Nederland (Eemshaven-Delfzijl en Emmen) en Chemelot (regio Geleen, Limburg). In deze regio’s is het directe belang van de basisindustrie in termen van toegevoegde waarde en werkgelegenheid groot.

De belangrijkste pijlers voor de industrie zijn de regionale koploperprogramma’s, de CO2-heffing, de verbreding van de SDE en de ontwikkeling van infrastructuur. Op initiatief van VNO NCW worden momenteel per industriecluster de koploperprogramma’s uitgewerkt richting 2030 met per programma de industrieroutes naar klimaatneutraal in 2050. Concrete projecten worden geïdentificeerd en de randvoorwaarden aangegeven. Via deze plannen is er dus ook specifiek oog voor ondernemingen in krimpgebieden.

Compensatie Vlissingen

De leden van de fractie van GroenLinks en de leden van de ChristenUnie- Fractie vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de gesprekken ter compensatie van Zeeland vanwege het voorgenomen besluit om de marinierskazerne niet naar Vlissingen te verhuizen. Aansluitend hierop vragen de leden van de GroenLinks-fractie naar de planning, of de huidige situatie tot vertraging gaat leiden en wanneer de Kamer hierover nader geïnformeerd wordt (48, 116).

De staatssecretaris van BZK heeft met zijn brief van 26 juni jl. (TK Z12419; 2020) uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het proces voor het compensatiepakket Zeeland en in het bijzonder over het bestuursakkoord van 26 juni 2020 over dit compensatiepakket.

Oost-Drenthe

De leden van de PvdA-fractie vragen of de minister sinds het geven van het antwoord op de motie van de leden Ronnes en Dik-Faber over het aanwijzen van Oost-Drenthe als krimpregio tot een andere conclusie in gekomen voor wat betreft het aanwijzen van regio Oost-Drenthe als krimpregio (91). Deze leden vragen ook of een of een eventuele nieuwe indeling gevolgen zal hebben voor de regio Oost-Drenthe (93).

Nee, dat ben ik niet. In 2015 is de huidige regio-indeling in krimp- en anticipeerregio’s door de minister voor W&R vastgelegd tot en met de afloop van het Actieplan Bevolkingsdaling. Dit om jaarlijkse discussies over prognoses en indeling te voorkomen, en de regio’s ruimte te geven voor het ontwikkelen van een lange termijn aanpak. Ik verwijs u ook graag naar mijn antwoord op o.a. vraag 21 waarin ik aangeef niet voornemens te zijn om na afloop van het Actieplan bevolkingsdaling de indeling van de krimp- en anticipeerregio’s te herijken.

Overige vragen

De leden van de SP-fractie vragen waarom voor een andere methode is gekozen bij de derde voortgangsrapportage van het Actieprogramma Bevolkingsdaling en wat dit betekent voor de vergelijkbaarheid met de voorgaande rapportages. Hierop aansluitend vragen deze leden of dit onderzoek en de beperkte schaal waarop dit is uitgevoerd in voldoende mate de situatie in de verschillende regio’s weergeeft (53 en 54).

De derde voortgangsrapportage bevolkingsdaling kent een andere opzet om een duidelijker en meer compleet beeld te geven. Er is gekozen voor soortgelijke elementen, waardoor de rapportages onderling vergelijkbaar zijn.

Het onderzoek bestond uit literatuuronderzoek en diepte-interviews met medewerkers en vertegenwoordigers vanuit alle regio’s. Hierdoor geeft het onderzoek een goed beeld van de situatie in de verschillende regio’s.

De leden van de SP-fractie vragen mij een overzicht te leveren van het verloop van de demografische ontwikkelingen per regio sinds 2014, in relatie tot de in de initiatieven in deze regio (58).

Ik heb in de bijlage van deze kamerbrief een overzicht opgenomen met de bevolkings- en huishoudensontwikkeling in de krimp- en anticipeerregio's vanaf 2014. Voor een overzicht van de initiatieven in de regio verwijs ik uw Kamer naar de voortgangsrapportages van het Actieplan Bevolkingsdaling.

De leden van de D66-fractie vragen een toelichting op de status van de toezegging die ik in 2019 deed om de financiële verhoudingswet aan te passen zodat de besteding van de regiogelden een gelijkwaardiger samenwerking oplevert tussen het Rijk en decentrale overheden (Kamerstuk 35000-B-13)? Hier op aansluitend vragen deze leden of ik op koers lig om de wijziging in 2021 door te voeren (39, 40)?

Overeenkomstig hetgeen ik heb gemeld in mijn brief van 6 september 2019 (TK 35000-B-13; 2019) is het mijn streven om de wetswijziging financiële verhoudingen per 2021 in te laten gaan. Begin dit jaar heb ik een wetsvoorstel ter consultatie voorgelegd aan onder andere de koepels en de Algemene Rekenkamer. Ik voer op dit moment overleg met de betrokken partijen over de verwerking van de gemaakte opmerkingen. Ik zal de Kamer hierover in de tweede helft van 2020 nader informeren.

De leden van de ChristenUnie-fractie geven aan dat het Rijk een belangrijke stimulans kan aan krimp- en anticipeerregio’s in de vorm van landelijke spreiding van Rijksbanen. Deze leden vragen of het kabinet dit onderschrijft als een wezenlijk instrument dat het Rijk in handen heeft om deze regio’s te versterken (114). In aanvulling hierop vragen deze leden of er ook bij toekomstig nieuw te realiseren Rijksdiensten, verplaatsingen van Rijksdiensten of af te schalen Rijksdiensten, nadrukkelijk het perspectief van deze regio’s wordt meegewogen (115).

In het Regeerakkoord is nadrukkelijk aandacht besteed aan de positie van regio’s. Het gaat daarbij om allerlei zaken: maatschappelijk, economisch en ruimtelijk.

Een relevant aspect is de werkgelegenheid in regio’s. Het belang dat het kabinet hecht aan de evenwichtige spreiding van rijkswerkgelegenheid over het land is tijdens diverse overleggen met uw Kamer benadrukt. Het gaat overigens niet alleen om het aantal rijksambtenaren, maar ook om de functionaliteit en pluriformiteit van de werkgelegenheid.

Bij huisvestingsbesluiten van de rijksoverheid staat uiteraard het primaire proces van de organisatie voorop. In de afweging worden ook andere aspecten betrokken, zoals het financiële belang voor het Rijk, een efficiënte invulling van de rijksvastgoedportefeuille en het maatschappelijk rendement. Ook wordt er gekeken naar het cumulatieve effect op een provincie of regio. Het streven van het kabinet is om niet alles in Den Haag of Utrecht te concentreren, maar bijvoorbeeld - daar waar het kan - uitvoeringsorganisaties buiten de Randstad te huisvesten.

Download in PDF

Kamervragen krimp en bevolkingsdaling met nummering

Genummerde lijst van Kamervragen over krimp en bevolkingsdaling.

Bevolkings- en huishoudensontwikkeling krimp- en anticipeerregio's 2014-2019

Cijfers over de ontwikkeling van bevolkingsaantallen en aantallen huishoudens in krimp- en anticipeerregio's in de periode 2014-2019.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.

KENNISPARTNER

Teensma, Mischa