Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Vierde rechterlijke uitspraak BOPA! Toetsing evenwichtige toedeling functies aan locaties in verband met verkeersveiligheid

Op 13 mei 2024, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland een uitspraak gedaan over een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) inzake een tijdelijk gronddepot in Nunspeet. Dit is inmiddels de vierde rechterlijke uitspraak over een BOPA. In deze uitspraak toetst de voorzieningenrechter aan het nieuwe toetsingskader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en dan specifiek op het aspect verkeersveiligheid. Interessant voor de uitvoeringspraktijk is dat jurisprudentie van voor de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

14 mei 2024

Samenvatting

Samenvatting

De gemeente Nunspeet is begonnen met graafwerkzaamheden voor het aanleggen van twee tunnels onder het spoor in [plaats]. Het betreft een tunnel voor gemotoriseerd verkeer en een tunnel voor fietsers en voetgangers. Deze tunnels hebben tot doel om de gevaarlijke overweg, die vlak naast het station van [plaats] ligt, te vervangen.

Het zand dat daarvoor weggegraven moet worden, wordt tijdelijk opgeslagen op het perceel. De gemeente wil het zand gaan gebruiken voor de ontwikkeling van [woonwijk]. Omdat de tijdelijke grondopslag in strijd is met het omgevingsplan, heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. Bij besluit van 11 april 2024 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend.

Verzoekers wonen in de nabijheid van het perceel waar de tijdelijke grondopslag gerealiseerd is. Verzoekers zijn, zo hebben zij op zitting toegelicht, niet tegen de grondopslag, maar komen enkel tegen omgevingsvergunning op omdat zij vrezen voor de verkeersveiligheid aan [locatie] vanwege het aan- en afrijdend vrachtverkeer.

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente (zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet).

Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de grondopslag gerealiseerd is, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2018 geldt op het perceel de bestemming ‘Agrarisch’. De tijdelijke grondopslag past niet binnen een agrarische functie.

Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd (dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd). Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De vraag die in het kader van deze procedure dus moet worden beantwoord, is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de tijdelijke grondopslag op het perceel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij dit criterium spelen verschillende (omgevings)factoren een rol, maar omdat verzoekers enkel vrezen voor de verkeersveiligheid op [locatie] zal de voorzieningenrechter zich tot dit aspect beperken.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties; verkeersveiligheid

Verzoekers stellen dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen voor verkeersveiligheid aan [locatie]. In het primaire besluit is volgens verzoekers namelijk geen aandacht besteed aan de verkeersveiligheid. De combinatie van auto’s, fietsers, voetgangers en de extra vrachtwagens, waarbij een maximum snelheid geldt van 60 kilometer per uur, gaat volgens verzoekers echter wel voor gevaarlijke situaties zorgen. Verzoekers stellen dat de verkeersveiligheid gewaarborgd kan blijven als de snelheid op [locatie] tijdelijk wordt verlaagd naar 30 kilometer per uur.

Het college heeft volgens verzoekers niet gemotiveerd waarom deze snelheidsverlaging niet kan worden ingevoerd. Op zitting hebben verzoekers daarnaast gesteld dat de memo van de verkeersdeskundige op aannames berust en dat het college een feitelijk onderzoek had moeten doen naar de verkeersintensiteit en verkeersveiligheid op [locatie].

Het college stelt dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot een verkeersonveilige situatie ter plaatse van [locatie]. Het college wijst erop dat het aantal vrachtwagens en de periode waarbinnen deze rijden beperkt is. Daarnaast stelt het college dat vrachtwagens reeds zijn toegestaan op [locatie]. De omgevingsvergunning heeft in feite enkel tot gevolg dat in een beperkte periode slechts vier vrachten per uur naar het zanddepot af- en aanrijden.

Ook wijst het college op de memo van de verkeersdeskundige van de gemeente Nunspeet van 3 mei 2024. Daaruit volgt dat [locatie] meer dan voldoende capaciteit heeft om de vier vrachten per uur te verwerken. Tot slot wijst het college erop dat in de vergunningvoorschriften maatregelen zijn genomen in het belang van de verkeersveiligheid. Deze verplichtingen rusten op de gemeente Nunspeet als vergunninghoudster.

Verkeersveiligheid is een aspect dat bij de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een rol kan spelen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college in het kader van de primaire besluitvorming, anders dan verzoekers menen, wel oog heeft gehad voor de verkeersveiligheid en dit aspect ook uitdrukkelijk heeft betrokken bij de besluitvorming.

In de omgevingsvergunning zijn namelijk een aantal vergunningvoorschriften opgenomen ter bescherming van de verkeersveiligheid op [locatie]. Zo rust op vergunninghoudster de verplichting om de verkeersveiligheid te monitoren en om de weg schoon te houden, moet de in-/uitrit van het gronddepot met bebording duidelijk worden aangegeven en is het niet toegestaan om vrachtwagens op [locatie] te laten wachten. Al deze voorschriften geven er blijk van dat het college de verkeersveiligheid wel heeft betrokken bij de vergunningverlening. Verder heeft het college op zitting toegelicht dat de verkeersveiligheid tweemaal daags gemonitord wordt en dat de weg wordt schoongehouden. In zoverre twijfelt de voorzieningenrechter ook niet dat de vergunningvoorschriften niet zouden worden nageleefd.

De voorzieningenrechter heeft daarnaast op voorhand geen reden om aan te nemen dat de opgenomen voorschriften ter bescherming van de verkeersveiligheid onvoldoende zijn. Uit de memo van 3 mei 2024 die is opgesteld door de verkeersdeskundige van de gemeente Nunspeet komt namelijk naar voren dat de betreffende toename in verkeersbewegingen geen nadelige gevolgen heeft voor de capaciteit van [locatie] en de verkeersveiligheid.

De voorzieningenrechter acht dit voldoende begrijpelijk omdat het om een (relatief beperkte) toename van het aantal verkeersbewegingen gaat. Dit geldt zeker voor de periode tot eind mei, waarbij het gaat om vier transporten per uur (en dus acht extra verkeersbewegingen per uur) gedurende de werkweek, welke transporten tussen 7 uur ’s ochtends en 7 uur ’s avonds mogen plaatsvinden. De opgestelde memo ligt weliswaar niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag, maar het college kan dit advies alsnog ten grondslag leggen aan de nog te nemen beslissing op bezwaar. Het college mag op grond van vaste rechtspraak aan een deskundigenadvies in beginsel ook doorslaggevende betekenis toekennen (ABRvS 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:61). Het is de voorzieningenrechter naar aanleiding van hetgeen verzoekers op zitting naar voren hebben gebracht niet gebleken dat deze memo naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan de beslissing op bezwaar ten grondslag mag leggen.

Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom een verlaging van de snelheid naar 30 kilometer per uur op [locatie] onwenselijk is in het kader van de verkeersveiligheid. In de memo en op zitting heeft de verkeersdeskundige toegelicht dat bij snelheidsverlaging altijd meegenomen moet worden of het voor de weggebruiker logisch is om op een bepaalde weg opeens 30 km/u te moeten rijden. Een weg is er immers op ingericht om een bepaalde snelheid te rijden en automobilisten anticiperen daarop. Een weggebruiker die opeens langzamer moet rijden op een bepaalde weg, moet volgens de verkeersdeskundige dan ook duidelijk ervaren waarom de snelheidsverlaging op die weg van toepassing is.

Dit kan bijvoorbeeld op wegen van toepassing zijn als er aan de weg gewerkt wordt. Op [locatie] is echter sprake van een geringe toename in transportverkeer, waardoor het voor de weggebruiker dus niet logisch zou zijn om opeens een lagere snelheid te moeten rijden. Gelet daarop acht de verkeersdeskundige het aannemelijk dat een (groot) deel van de weggebruikers de genoemde snelheid van 60 kilometer per uur blijft rijden. De kleine hoeveelheid weggebruikers die wel gehoor geeft aan de nieuwe maximumsnelheid zorgen dan onbedoeld voor grote snelheidsverschillen. Daarbij wordt in de hand gewerkt dat meer inhaalbewegingen worden gemaakt. Een verlaging naar 30 km/u zorgt daarom juist voor verkeersonveiligheid. De voorzieningenrechter acht deze uitleg voldoende begrijpelijk en verzoekers hebben onvoldoende aannemelijk weten te maken waarom een verlaging naar 30 kilometer per uur desondanks een positieve bijdrage zou leveren aan de verkeersveiligheid op [locatie].

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het college in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat op [locatie] geen verkeersonveilige situatie zal ontstaan als gevolg van de toename aan vrachtverkeer in verband met het realiseren van de tijdelijke grondopslag. Het college heeft het aspect verkeersveiligheid daarnaast voldoende geborgd in de omgevingsvergunning. De bezwaren van verzoekers hebben dan ook geen redelijke kans van slagen.

Artikel delen