Menu

Zoek op
rubriek

Twee bedrijven: één inrichting?

In 2005 verleenden Burgemeester en wethouders van Stadskanaal een revisievergunning voor één inrichting die bestond uit een transportbedrijf, een autobusstalling, een opslag, een werkplaats en een tankstation. De vergunninghouder besloot op enig moment de werkplaats te verhuren aan het bedrijf Truck Service Stadskanaal (TSS). Burgemeester en wethouders concludeerden dat er daardoor sprake was van twee inrichtingen en dat TSS – een inrichting type B – daarom een melding moest doen op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (waarin is bepaald dat degene die een inrichting type B opricht, dit ten minste vier weken voor de oprichting dient te melden aan het bevoegd gezag). TSS weigerde dit, waarna een last onder dwangsom volgde. In beroep stond de vraag centraal of, zoals TSS betoogde, sprake was gebleven van één inrichting, waarvoor eerder al een vergunning was verleend.

8 januari 2021

De AbRvS oordeelt in zijn uitspraak van 30 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3146) dat dit niet het geval is. Toetsend aan de criteria van artikel 1.1, lid 4, van de Wet milieubeheer concludeert de AbRvS dat de bedrijven weliswaar in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen en dat er enige functionele bindingen zijn (TSS onderhield het wagenpark van de vergunninghouder), maar dat verdere bindingen, met name op het organisatorische en technische vlak, ontbreken. Zo had de vergunninghouder geen zeggenschap over TSS en was er geen sprake van de uitwisseling van goederen, bedrijfsmiddelen en/of personeel. TSS kan daarom zijn werkplaats niet onder de vlag van de vergunning uit 2005 exploiteren en zal als zelfstandige inrichting alsnog een melding moeten doen.

Artikel delen