Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

De voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan

Alice Meijer 21 juni 2022

Jurisprudentie – Samenvattingen

In een eerdere publicatie is Thea de Ruijter, senior jurist bij Thorbecke, ingegaan op het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan. Zij behandelde de vraag wat je regelt in een bestemmingsplan en wat in een privaatrechtelijke overeenkomst. Maar moet de gemeenteraad ook een voorwaardelijke verplichting opnemen wanneer de gemeente zelf de uitvoerende partij is? Jurist Alice Meijer vertelt meer.

De juiste juridische borging

In de eerdere publicatie is aangehaald dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) waarde hecht aan het op juiste wijze borgen van afspraken. Het gaat hierbij om die afspraken die nodig zijn om tot een goede ruimtelijke ordening te komen. Bij dergelijke afspraken is de enige juridisch juiste manier van borgen het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van een bestemmingsplan. 

Het belang van juist formuleren

Ook is in de eerdere publicatie ingegaan op het belang van het juist formuleren van de voorwaardelijke verplichting. Het moet duidelijk zijn dat het gaat om een voorwaardelijke verplichting en niet om een directe verplichting (ABRvS 24 augustus 2016 ECLI: NL:RVS:2016:2331). 
In een bestemmingsplan kan namelijk een eigenaar (of grondgebruiker) niet worden verplicht de bestemming ook daadwerkelijk te realiseren. Van belang hierbij zijn de bepalingen over het overgangsrecht van het gebruik van de gronden en bouwwerken die in strijd zijn met het nieuwe bestemmingsplan – zoals omschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. 

Het opnemen van een voorwaardelijke verplichting voor de gemeente

In een uitspraak van 3 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:226) wijst de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) erop dat een voorwaardelijke verplichting een bijzondere gebruiksregel is die de werking van het algemene gebruiksovergangsrecht opzij zet. Het gaat hier zowel om bouwwerken als gebruik (art. 3.2.1 en art. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening).  

In de uitspraak gaat het om een afvalverwerkingsbedrijf dat niet in eigendom van de gemeente is. In het bestemmingsplan is de verplichting opgenomen om de stortheuvels van groen te voorzien. De gemeente had deze verplichting opgenomen om het afvalverwerkingsbedrijf landschappelijk in te passen. Het geschil lag in het feit dat in het bestemmingsplan stond dat een stortheuvel alleen dan van groen moest worden voorzien wanneer de heuvel niet meer in gebruik is. Op de heuvels werd daarentegen nog steeds vuil gestort. Volgens appelanten was het eind hiervan nog niet in zicht.

De Afdeling oordeelde dat uit het bestemmingsplan duidelijk werd dat de gemeenteraad de landschappelijke inpassing van het afvalverwerkingsbedrijf in het bestemmingsplan, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, klaarblijkelijk noodzakelijk vond. Volgens de Afdeling was in het betreffende bestemmingsplan – door de gemeenteraad – de uitvoering en instandhouding van een goede ruimtelijke ordening onvoldoende geregeld. De gemeenteraad had een voorwaardelijke verplichting op moeten nemen. Hierbij vond de Afdeling het van belang dat de gemeente het niet zelf in haar macht heeft om de landschappelijke inpassing uit te voeren. Dit omdat de grond – waarop de inpassing van toepassing is – niet in eigendom van de gemeente is (vgl. RvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2929). Daarnaast was er geen andere publiekrechtelijke weg die kon waarborgen dat de betreffende landschappelijke inpassing daadwerkelijk werd uitgevoerd. Overigens schortte het ook nog aan het niet opnemen van een redelijke overgangstermijn in de planregels omdat het afvalverwerkingsbedrijf al bestond. 

Conclusie

Het komt er kortom op neer dat, wanneer de gemeente zelf eigenaar van de betreffende gronden is, zij geen voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan hoeft op te nemen. Dat is omdat de gemeente zelf bij machte is om de nodige maatregelen voor deze goede ruimtelijke ordening uit te voeren doordat zij bijvoorbeeld zelf eigenaar is. Daar staat wel tegenover dat de gemeenteraad zorgvuldigheid moet betrachten en moet motiveren waarom zij gekozen heeft wel of geen voorwaardelijke verplichting op te nemen in het bestemmingsplan. Ook moet de gemeenteraad motiveren waarom de voorwaardelijke verplichting op een dergelijke wijze is geformuleerd en opgebouwd. 

Ten slotte

Uit de zojuist besproken uitspraak blijkt voor wat betreft “een goede ruimtelijke ordening” het belang van een zorgvuldige voorbereiding en motivering door de gemeenteraad van haar bestemmingsplan en zo ook van de voorwaardelijke verplichting. In de uitspraak wordt door de Afdeling aangegeven dat zij niet zelf vaststelt of een bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt alleen of aan de hand van de beroepsgronden, de gemeenteraad in redelijkheid heeft kunnen komen tot het standpunt dat het bestemmingsplan – en zo ook een voorwaardelijke verplichting – strekt tot een goede ruimtelijke ordening. Bij de beantwoording van die vraag is het van belang dat de gemeente het zelf in haar macht heeft door eigenaarschap of dat een andere publiekrechtelijke weg de uitvoering waarborgt. 

Kortom de gemeente moet een voorwaardelijke verplichting in haar bestemmingsplan opnemen wanneer zij het plangebied niet zelf in eigendom heeft (en dus niet bij machte is) of wanneer een andere publiekrechtelijke weg de uitvoering niet waarborgt. 

>> Lees hier de volledige uitspraak

Artikel delen