← Terug naar vorige pagina

Impliciete vrijstelling? Opnemen in het bestemmingsplan!


Op 30 mei 2018 heeft de Afdeling twee lezenswaardige uitspraken gewezen over de zogenoemde impliciete vrijstelling in relatie tot het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan (ECLI:NL:RVS:2018:1798 en ECLI:NL:RVS:2018:1784). Een impliciete vrijstelling houdt, naar vaste rechtspraak van de Afdeling, in dat als uit de bouwaanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt en het bevoegde bestuursorgaan, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van de planvoorschriften heeft verleend (ABRvS 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9919). Als het bevoegde bestuursorgaan (i.c. het college van B&W) een impliciete vrijstelling heeft verleend van het vorige bestemmingsplan is sprake van bestaand legaal gebruik. Bestaand legaal gebruik dient in beginsel – gelet op de rechtszekerheid – als zodanig te worden bestemd door de raad in een nieuw bestemmingsplan. Dat heeft de raad in beide zaken nagelaten.

Impliciete vrijstelling

De figuur van de impliciete vrijstelling kan worden teruggevoerd op het limitatief-imperatieve stelsel dat is neergelegd in artikel 2.10 lid 1 onder c Wabo. Als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, dan wordt blijkens artikel 2.10 lid 2 Wabo de aanvraag van rechtswege aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo.

De drempel voor het aannemen van een impliciete vrijstelling is niet hoog: voldoende is dat het bevoegde bestuursorgaan had behoren te weten dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt. Een gebruik kan geacht worden rechtstreeks uit een bouwvergunning voort te vloeien, wanneer het college van B&W had behoren te weten dat dit gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Uit het aanvraagformulier, de situatietekening of de bouwtekening zou het strijdige gebruik kunnen worden afgeleid (vgl. ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:578).

Casus

De kern van het geschil spitste zich in de beide zaken toe op de vraag of de verleende bouwvergunning onder het vorige plan een impliciete vrijstelling bevat. De Afdeling beantwoordt die vraag in beide zaken bevestigend.

Texel

In de zaak tegen de raad van de Gemeente Texel betoogde appellante dat haar perceel ten onrechte buiten het reparatieplan is gelaten en dat geen aanduiding voor 18 slaapplaatsen “Logies en Ontbijt” is opgenomen, terwijl zij beschikte over een onherroepelijke bouwvergunning onder het aan het moederplan voorafgaande plan voor 18 recreatieve slaapplaatsen. Onder dat plan was gebruik van het perceel voor het aanbieden van recreatieve slaapplaatsen niet toegelaten. De onherroepelijke bouwvergunning ziet op het gedeeltelijk vergroten van het woonhuis. De vergroting omvat volgens de bouwtekening onder meer het realiseren van zeven tweepersoons-slaapkamers met eigen sanitaire voorzieningen op twee aparte verdiepingen. Hieruit leidt de Afdeling af dat de bouwvergunning verblijfsrecreatief gebruik in een omvang van maximaal 14 slaapplaatsen mogelijk maakt. Het College van B&W had derhalve behoren te weten dat de slaapkamers voor verblijfsrecreatief gebruik konden worden aangewend. Gelet hierop is sprake van een impliciete vrijstelling. Dat brengt mee dat er sprake is van bestaand legaal gebruik dat in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dient te worden bestemd.

Epe

Dan de zaak tegen de raad van de Gemeente Epe. Appellante betoogt in die kwestie dat het gebruik van de recreatiewoning niet als zodanig is bestemd, terwijl in 1993 een bouwvergunning is verleend voor het geheel vernieuwen van de woning. Op grond van het vorige bestemmingsplan was het gebruik voor permanente bewoning niet toegestaan. In dat plan was de woning bestemd als bijgebouw bij de hoofdbebouwing. In zowel de aanvraag als de daarbij behorende bouwtekeningen wordt het bouwplan omschreven als het vernieuwen van een permanent bewoond logiesbedrijf dan wel een permanent bewoond zomerhuis. Hieruit had het College van B&W moeten kunnen afleiden dat de woning zou worden gebruikt in strijd met het bestemmingsplan. Voor het gebruik van de woning voor permanente bewoning is al in 1993 impliciet vrijstelling verleend. Er is dus sprake van bestaand legaal gebruik dat in beginsel als zodanig dient te worden bestemd in het nieuwe plan.

Uitzondering: nieuwe inzichten

Als er sprake is van bestaand legaal gebruik dient dat gebruik – zoals hiervoor uiteengezet – in beginsel als zodanig te worden bestemd in een nieuw plan. Op dit uitgangspunt kan volgens vaste rechtspraak een uitzondering worden gemaakt als het als zodanig bestemmen van het gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij een gewijzigde bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen (zie o.a. ABRvS 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:870 en ABRvS 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:579).

Uitsterfregeling

Bijzonder is dat in de zaak tegen de raad van de Gemeente Epe het gebruik voor permanente bewoning al onder zeker drie plannen door het gebruiksovergangsrecht wordt beschermd. De Afdeling oordeelt dat het slechts onder zeer bijzondere omstandigheden aanvaardbaar kan zijn om bestaand legaal gebruik opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. Hiervoor is vereist dat zicht bestaat op beëindiging van het legale gebruik binnen de planperiode. Is die verwachting er niet, dan is het plan in zoverre niet uitvoerbaar en hebben belanghebbenden recht op een positieve bestemming van hun bouwwerk of het gebruik (P.J.J. van Buuren, Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 73).

De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom het bestaande legale gebruik opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

“De Afdeling geeft de raad mee dat, indien hij van mening is dat het als zodanig bestemmen van het gebruik niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en hij dit, na een deugdelijke afweging van alle betrokken belangen, alsnog toereikend kan motiveren, het op de weg van de raad ligt om te bezien welke regeling kan worden getroffen om het bestaande legale gebruik in het plan te kunnen voortzetten. Dit kan bijvoorbeeld door een uitsterfregeling in het plan op te nemen. Een uitsterfregeling is een bijzondere vorm van positief bestemmen, waarbij aan het bestaande gebruik weliswaar geen beperkingen zijn gesteld, maar waarbij dit gebruik niet opnieuw een aanvang mag nemen, indien dit is beëindigd en een ander gebruik dat wel in overeenstemming is met het plan is aangevangen.”

Bij een uitsterfregeling wordt de woning als recreatiewoning bestemd, terwijl in afwijking van het verbod van permanente bewoning, permanente bewoning van de recreatiewoning wel wordt toegestaan. Zodra het permanente gebruik van de recreatiewoning eindigt mag het niet worden hervat.

Geen samenvattingen beschikbaar.

  • ECLI:NL:RVS:2018:1798

    Bij besluit van 21 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied" vastgesteld (hierna: het reparatieplan).

    Lees verder

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLI ECLI:NL:RVS:2018:1798
Datum publicatie 12-06-2018