Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

ECLI:NL:RVS:2019:2011

26 juni 2019

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

201806813/1/A1.

Datum uitspraak: 26 juni 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wouw, gemeente Roosendaal,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juli 2018 in zaak nr. 17/7388 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2017 heeft het college [appellant] onder aanzegging van een dwangsom gelast de loods op het perceel [locatie A] te Wouw te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 4 oktober 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 5 april 2017 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 3 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.G.A. Mattheussens, advocaat te Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.N. van den Heykant, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het perceel waarop de loods zich bevindt (hierna: het woonperceel) maakt onderdeel uit van het gedeelte van het woonwagencentrum "Boterstraat". Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Wouw" mag daar worden gewoond.

    Op een ander deel van het woonwagencentrum bevinden zich gronden waaraan in het bestemmingsplan de bestemming "Bedrijf" is toegekend en waarop bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan (hierna: het bedrijfsterrein).

    Vast staat dat voor de bouw van de loods op het woonperceel een omgevingsvergunning is vereist, terwijl die niet is verleend. Het college is daarom bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel en op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. [appellant] kan zich daarmee niet verenigen.

Vertrouwensbeginsel

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Hij voert daartoe aan dat het college van burgemeester en wethouders van Wouw - de rechtsvoorganger van het college - (hierna ook: het college) heeft toegezegd dat de loods mocht blijven staan totdat een nieuwe loods op het bedrijfsterrein is gerealiseerd. Een nieuwe loods is niet gerealiseerd, zo stelt hij. [appellant] wijst ter onderbouwing van de gestelde toezegging op een brief van 2 februari 1996 en diverse andere stukken van het college alsmede een verslag van een bewonersbijeenkomst van woningcorporatie Aramis Allee Wonen op 10 december 2009. Daarnaast is volgens [appellant] door een ambtenaar tijdens een gesprek in september 2006 mondeling toegezegd dat de loods mocht blijven staan. [appellant] voert verder aan dat het college gedurende lange tijd niet handhavend heeft opgetreden tegen de loods en dat ook daaraan het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat de loods mocht blijven staan.

2.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, dient, om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.

2.2.    In een brief van 23 oktober 1995 heeft het college [appellant] verzocht om medewerking te verlenen aan het laten nemen van bodemmonsters op het bedrijfsterrein. In de door [appellant] genoemde brief van 2 februari 1996 heeft het college de gebruikers van het bedrijfsterrein geïnformeerd over een voorgenomen ontruiming daarvan en de voorgenomen bouw van een nieuwe loods. In een memo van 6 september 2005 worden mogelijkheden geschetst voor het saneren van de bodem van het bedrijfsterrein. In een ongedateerde memo is een advies gegeven over verder onderzoek naar bodemverontreiniging op het bedrijfsterrein. In het verslag van een bewonersbijeenkomst op 10 december 2009 staat, voor zover thans van belang, dat is voorgenomen om de situatie met betrekking tot de loods op het bedrijfsterrein op papier te regelen, zodat de bewoners op dezelfde wijze gebruik kunnen blijven maken van de loodsen.

    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat uit deze stukken niet blijkt dat dat het college heeft ingestemd met de aanwezigheid van de loods op het woonperceel. De stukken waaruit de toezegging volgens [appellant] zou blijken, zien namelijk uitsluitend op het bedrijfsterrein. Verder is niet duidelijk op welke loodsen wordt gedoeld in het verslag van de bewonersbijeenkomst, zodat ook daarom daaruit niet kan worden afgeleid dat een toezegging is gedaan over de loods op het woonperceel. Ook de stelling van [appellant] dat namens het college mondeling aan hem is toegezegd dat de loods mocht blijven staan, is onvoldoende om een dergelijke toezegging aan te nemen, nu dat niet met stukken is onderbouwd.

    Dat het college gedurende lange tijd niet handhavend heeft opgetreden tegen de aanwezigheid van de loods, betreft geen omstandigheid op grond waarvan gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Daargelaten of het college op de hoogte was van de overtreding, is de enkele omstandigheid dat het college bekend was met de overtreding, maar daartegen gedurende langere tijd niet heeft opgetreden, in dit geval onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het college daardoor het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat daartegen niet handhavend zou worden opgetreden.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat van handhavend optreden zou worden afgezien.

    Het betoog faalt.

Gelijkheidsbeginsel

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door handhavend op te treden tegen de loods en gevallen die in relevant opzicht gelijk zijn, ongemoeid te laten. Daarbij wijst hij op het gebruik door zijn [zoon] van een loods aan de [locatie B].

    [appellant] voert verder aan dat uit uittreksels van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat op de percelen Boterstraat 18 en 28 bedrijfsmatige activiteiten, respectievelijk een kapperszaak en een klusbedrijf, worden uitgeoefend, wat in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming "Wonen-2". Daarbij verwijst hij naar het huisnummerbordje van het pand op het perceel Boterstraat 18, met daarop de tekst "Kapsalon Bella Hairstyling".

    [appellant] wijst tot slot op de aanwezigheid van een nissenhut op het perceel [locatie B], die volgens hem eveneens in strijd is met het bestemmingsplan en waartegen evenmin handhavend wordt opgetreden.

3.1.    De Afdeling overweegt dat de door [appellant] genoemde gevallen zien op gebruik dat volgens hem in strijd is met het bestemmingsplan, terwijl tegen [appellant] handhavend is opgetreden omdat zijn loods zonder omgevingsvergunning voor bouwen is gerealiseerd. Verder heeft het college bij besluit van 27 februari 2018 aan [zoon] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van zijn loods. Het gaat dus niet om in relevant opzicht gelijke gevallen.

    Gelet op wat hiervoor staat, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college het besluit op bezwaar niet heeft genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Drop    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2019

163-912.

Artikel delen