Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBZWB:2021:5514

2 november 2021

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/9221 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser

gemachtigde: mr. W.J. Bosma,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 14 mei 2020 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een corridor op het perceel [perceel] in [plaatsnaam] afgewezen.

In het besluit van 16 september 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank op 17 september 2021. Hierbij werd eiser vertegenwoordigd door zijn echtgenote, mevrouw [echtgenote], zijn gemachtigde en mr. R.N. van der Velden. Het college werd vertegenwoordigd door mr. Y. Bons en mr. I. Kraus.

Overwegingen

1. Feiten

Op 20 maart 2020 heeft eiser een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een corridor op het perceel [perceel] in [plaatsnaam] (het perceel).

De corridor moet de bestaande vrijstaande woning verbinden met de bestaande vrijstaande schuur/garage/berging.

Bij het primaire besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het bouwplan van eiser in strijd is met het geldende bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ (het bestemmingsplan).

Het college is niet bereid om mee te werken aan verlening van omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan, omdat het college dit in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening.

Bij het bestreden besluit heeft het college, conform het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

2. Standpunt college

Het college heeft de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan. De aanvraag betreft het realiseren van een corridor, waardoor het hoofdgebouw (de woning) en het vrijstaande bijgebouw met elkaar worden verbonden. Door de verbinding merkt het college het geheel aan als hoofdgebouw. Binnen de bestemming ‘Wonen’ mag de inhoud van een woning niet meer dan 750 m3 bedragen. De inhoud van de bestaande woning bedraagt circa 1137 m3. De inhoud van het bijbehorende bouwwerk bedraagt 940 m3. Door het realiseren van de corridor zal de totale inhoud van het hoofdgebouw circa 2153 m3 bedragen. De aanvraag is daarom volgens het college in strijd met het bestemmingsplan.

Het college is niet bereid om medewerking te verlenen aan een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan. Het creëren van een hoofdgebouw met een dergelijke inhoud acht het college in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

3. Standpunt eiser

Primair voert eiser aan dat zijn aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens hem moet de corridor gekwalificeerd worden als ‘bijbehorend bouwwerk’. Dan kunnen de regels van artikel 24.2.2 van het bestemmingsplan voor “Hoofdgebouwen” niet worden toegepast. In het toepasselijke artikel 24.2.3 voor “Bijbehorende bouwwerken” zijn geen maximale inhoudsmaten opgenomen. Volgens eiser kan de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ niet op deze grond worden geweigerd.

Subsidiair stelt eiser dat het perceel feitelijk de afronding van de bebouwde kern van Roosendaal vormt. Daarom moet het perceel tot de kern worden gerekend en valt het dus binnen de bebouwde kom. Daarom kan niet, althans niet zonder meer, aansluiting worden gezocht bij de inhoudsmaten van het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’. Het college had redelijkerwijs medewerking moeten verlenen aan het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.

Ten slotte doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zowel het perceel [perceel] als eisers perceel ligt binnen de bebouwde kom. Er is dus sprake van vergelijkbare gevallen. Voor het perceel [perceel] is een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd. De regels van dat plan voorzien niet maximale inhoudsmaten, maar bepalen dat het volledige bouwvlak kan worden volgebouwd. Niet valt in te zien waarom het door eiser aangevraagde bouwplan op dat perceel wel zou zijn toegestaan en op zijn perceel niet.

Het perceel [perceel 2] ligt naast het perceel van eiser en dus in dezelfde omgeving. Op dat perceel is wel een corridor toegestaan. [perceel 2] heeft weliswaar een andere bestemming, maar dat is op zichzelf geen valide reden om eiser geen corridor toe te staan.

3. Wettelijk kader

De relevante wet- en regelgeving is, ten behoeve van de leesbaarheid, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4. Bijbehorend bouwwerk of hoofdgebouw?

4.1De rechtbank moet eerst beoordelen of het bouwplan van eiser (het bouwen van een corridor) getoetst moet worden aan artikel 24.2.3 van de planregels voor bijbehorende bouwwerken, of (ook) aan artikel 24.2.2 van de planregels voor hoofdgebouwen.

4.2Ter onderbouwing van het standpunt van het college, dat de corridor als onderdeel van het hoofdgebouw moet worden gezien, heeft de commissie voor de bezwaarschriften verwezen naar een uitspraakn

AbRS 16 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2127, r.o. 2.3.

van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), waarin als volgt is overwogen:

“Uit de bouwtekeningen en de door [wederpartij] overgelegde foto’s blijkt dat de corridor één onverbrekelijk geheel vormt met de woning. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het dak van de woning één geheel is met het dak van de corridor en de pilaren aan het uiteinde van de corridor de draagconstructie van het dak vormen. Gelet op deze constructie kan, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet worden staande gehouden dat de corridor een zelfstandig bouwwerk geen gebouw zijnde is. De corridor maakt deel uit van de woning en dient voor het berekenen van de oppervlakte van de woning te worden meegeteld.”

Volgens eiser is de verwijzing naar deze uitspraak om twee redenen niet overtuigend.

Ten eerste is de feitelijke situatie in de uitspraak niet vergelijkbaar met deze situatie, en ten tweede wordt in de uitspraak van de AbRS getoetst aan het begrip ‘bijgebouw’ van het bestemmingsplan ‘Villawijken’ van de gemeente Wassenaar dat heel anders luidt dat het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ van het bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat in bovenstaande zaak sprake was van een ander soort corridor in constructief opzicht en dat de vraag aan de orde was of sprake was van een ‘bijgebouw’ in de zin van een ander bestemmingsplan. Dat is in deze zaak niet de vraag.

4.3De rechtbank stelt vast dat de beoogde corridor voldoet aan de definitie van een bijbehorend bouwwerk zoals opgenomen in artikel 1.39 van het bestemmingsplan. Het is immers een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daartegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

Omdat sprake is van een bijbehorend bouwwerk moet dus in ieder geval getoetst worden aan artikel 24.2.3 van de planregels voor bijbehorende bouwwerken. De stelling van het college dat artikel 24.2.3 alleen betrekking heeft op vrijstaande bijbehorende bouwwerken, en dus niet op de aan te bouwen corridor, volgt de rechtbank niet. Dat staat immers niet in het artikel.

De rechtbank is verder van oordeel dat de door eiser gewenste corridor een bijbehorend bouwwerk is, zijnde een uitbreiding van het hoofdgebouw (de woning). De corridor vormt een verbinding tussen het hoofdgebouw (de woning) en het bijgebouw. Deze verbinding is aan beide zijden open, en dus wordt in feite bouwkundig gezien één groot hoofdgebouw gecreëerd.n

Vergelijk de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 juli 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BR2463, r.o. 21.

Dit geldt ook voor het gebruik, aangezien zowel de woning, de corridor als het bijgebouw een woonbestemming heeft. Omdat de corridor moet worden gekwalificeerd als een uitbreiding van het hoofdgebouw, moet tevens getoetst worden aan artikel 24.2.2 van de planregels voor hoofdgebouwen. Op grond van artikel 24.2.2 onder e van de planregels mag de inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 750 m³. Dit inhoudscriterium is verbonden aan de functie “Wonen”. Door het realiseren van de corridor zal de totale inhoud van het hoofdgebouw deze maximale inhoud ruimschoots overschrijden. Het college heeft dus terecht gesteld dat de aanvraag om omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan.

5. Afwijken van het bestemmingsplan?

5.1Eiser voert aan dat het college redelijkerwijs medewerking had moeten verlenen aan het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo, in samenhang met artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Daartoe voert hij aan dat zijn perceel feitelijk de afronding van de bebouwde kern van Roosendaal vormt. Daarom moet het perceel tot de kern worden gerekend en valt het dus binnen de bebouwde kom.

5.2In het primaire besluit, het bestreden besluit, en met de toelichting ter zitting, heeft het college zijn standpunt als volgt verwoord.

Door het realiseren van een corridor tussen het hoofdgebouw (de woning) en het vrijstaande bijgebouw ziet het college het geheel als één woning met een inhoud van circa 2153 m3. Deze inhoud is een forse overschrijding ten opzichte van de maximaal toegestane inhoud van een woning van 750 m3, die als vaste lijn in het buitengebied van Roosendaal wordt gehanteerd. Als dat wordt losgelaten, moet dat voor 80% van het buitengebied worden losgelaten. Er is wel een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van 10%, maar die wordt volgens het college alleen in bijzondere gevallen toegepast, bijvoorbeeld ten behoeve van een gehandicapt kind.

De aanvraag van eiser geeft het college geen aanleiding om af te wijken van de lijn. Het creëren van een hoofdgebouw met een dergelijke inhoud acht het college in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Door een corridor wordt potentieel verblijf in het bijgebouw in de hand gewerkt. Dat het bijgebouw al een woonbestemming heeft, maakt dat niet anders.

Met een corridor realiseert men één grote woning. Door de verbinding te weigeren, wordt voorkomen dat het bijgebouw onderdeel wordt van de woning, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van het college.

Ten aanzien van het argument van eiser dat zijn perceel feitelijk tot de bebouwde kern van Roosendaal behoort en dat dus niet zonder meer hoeft te worden aangesloten bij een maximale inhoudsmaat van 750 m3, heeft het college gewezen op het planologische verschil tussen het wonen binnen de bebouwde kom en het wonen in het buitengebied. De percelen binnen de bebouwde kom van Roosendaal zijn meestal gebonden aan een bouwvlak. De percelen in het buitengebied zijn niet gebonden aan een bouwvlak, en hebben dus meer mogelijkheden om te bouwen, maar zijn daarentegen wel gehouden aan een maximale inhoudsmaat.

5.3De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom het in deze situatie niet bereid is om medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank kan deze motivering volgen en is van oordeel dat het college deze afweging in redelijkheid heeft mogen maken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat dat de grens tussen de bebouwde kern en het buitengebied ergens moet worden getrokken en dat het niet onredelijk is dat het wonen in het buitengebied zowel voor- als nadelen met zich brengt.

6. Gelijkheidsbeginsel

In het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft eiser gewezen op de percelen [perceel] en [perceel 2].

De rechtbank is gebleken dat [perceel] een voormalig agrarisch perceel is. De gemeente heeft mee willen werken aan burgerbewoning door middel van het vaststellen van een ontwerpbestemmingsplan voor dat perceel. Over dat bestemmingsplan is geprocedeerd bij de AbRS. De voorzieningenrechter van de AbRS heeft het plan vernietigd en het college stelt zich nu op het standpunt dat het bouwvlak van dat perceel niet zo groot zal worden als oorspronkelijk was beoogd.

Over [perceel 2] is de rechtbank gebleken dat dit perceel een agrarische bestemming heeft waarvoor dus andere regels gelden dan voor het perceel van eiser. Op dat perceel is een corridor gerealiseerd ten behoeve van het agrarische bedrijf dat daar is gevestigd en niet ten behoeve van uitbreiding van de woonfunctie.

De rechtbank concludeert dat reeds hierom geen sprake is van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

7. Conclusie

Nu de beroepsgronden van eiser niet slagen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 29 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, voor zover hier van belang:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.12, eerste lid:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen

Artikel 1: Begrippen

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

hoofdgebouw:

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Artikel 24 Wonen - 2

Artikel 24.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

e. de inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 750 m³ met dien verstande dat voor zover de inhoud ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan meer bedraagt, de bestaande inhoud als maximum geldt.

Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

a. bijbehorende bouwwerken (met uitzondering van erkers die tot ten hoogste 1,5 m. uit de zijgevel springen) dienen op een afstand van tenminste 3 m. achter de voorgevel van het hoofdgebouw (en het verlengde daarvan) te worden opgericht;

b. indien de bijbehorende bouwwerken niet in de perceelsgrens worden gebouwd, dient de afstand tot de perceelsgrens ten minste 1 m. te bedragen;

c. de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken per bouwperceel mag niet meer bedragen dan 100 m2;

d. de goot- en/of bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste bedragen:

1. bijbehorende bouwwerken opgericht voor de voorgevel: bouwhoogte maximaal 3 m.

2. goothoogte: 3.00 m.;

3. bouwhoogte: 6.00 m.

Artikel delen