Menu

Filter op
content
Omgevingsweb

ECLI:NL:OGHACMB:2023:70

30 mei 2023

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

AUA2022H00053, AUA2022H00055 en AUA2022H00129

Datum uitspraak: 24 mei 2023

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu, thans de minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidsorganisatie, Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening (hierna: de minister),

2. Three Rivers Real Estate VBA, gevestigd in Aruba (hierna: Three Rivers),

3. [ appellant 3] en M.B. Boyce, beiden wonend in Aruba (hierna gezamenlijk: [appellant 3])

appellanten,

tegen de uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 9 februari 2022 in zaak nr. AUA202101487, en van 7 maart 2022 in zaak nr. AUA202101589 in de gedingen tussen:

[appellant 3]

en

de minister

Procesverloop

Zaken nrs. AUA2022H00053 en AUA2022H00055

Bij beschikking van 28 mei 2020, kenmerk BA-0994-2019, heeft de minister aan Three Rivers een bouwvergunning verleend voor de bouw van een hotel in Sero Colorado (hierna: bouwvergunning 1).

Bij beschikking van 9 maart 2021 heeft de minister het door [appellant 3] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2022 heeft het Gerecht het door [appellant 3] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking op bezwaar vernietigd en de minister opgedragen opnieuw te beschikken.

Tegen deze uitspraak hebben de minister en Three Rivers hoger beroep ingesteld.

[appellant 3] heeft in zaak nr. AUA2022H00053 een verweerschrift ingediend en in zaak nr. AUA2022H00055 een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft in zaak nr. AUA2022H00055 een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Three Rivers en [appellant 3] hebben nadere stukken ingediend.

Zaak nr. AUA2022H00129

Bij beschikking van 28 mei 2020, kenmerk BA-0853-2019 heeft de minister aan Three Rivers een bouwvergunning verleend voor de bouw van een hotel in Sero Colorado (hierna: bouwvergunning 2).

Bij beschikking van 4 februari 2021 heeft de minister het door [appellant 3] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2022 heeft het Gerecht het door [appellant 3] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant 3] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Three Rivers heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het Hof heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 31 maart 2023. De minister werd vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken. Three Rivers werd vertegenwoordigd door mr. M.R.M. Reinkemeyer en mr. A.A. Ruiz, beiden advocaat, vergezeld door A.S. Rosenstand, architect. Namens [appellant 3] is mr. M.B. Boyce, vergezeld door mr. N. Esquivel, verschenen.

Overwegingen

Inleiding

  1. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, die daarvan deel uitmaakt.

  2. Three Rivers beoogt in Sero Colorado in de omgeving van Baby Beach een hotel te bouwen met in totaal 900 kamers. Het hotel zal in twee fases worden gebouwd. De eerste fase bestaat uit de bouw van 600 'all-inclusive' hotelkamers en centrale hotelfaciliteiten zoals een lobby en een restaurant. Ten behoeve van de eerstesteenlegging op 15 november 2019 heeft Three Rivers op 22 oktober 2019 een eerste bouwvergunning aangevraagd. Deze is verleend op 30 oktober 2019 met kenmerk 0899-2019. Op 14 november 2019 heeft Three Rivers de minister verzocht om bouwvergunningen voor fase 1. Bij beschikkingen van 28 mei 2020 zijn de door Three Rivers aangevraagde bouwvergunningen met kenmerken 09942019 (bouwvergunning 1) en 0853-2019 (bouwvergunning 2) verleend. De eerdere bouwvergunning met kenmerk 0899-2019 is samengevoegd met bouwvergunning 2. Three Rivers heeft dus twee bouwvergunningen voor het realiseren van fase 1. Momenteel is ruim de helft daarvan gerealiseerd.

  3. [appellant 3] woont in de directe omgeving van het te bouwen hotel en vreest dat zijn woon- en leefklimaat daardoor onaanvaardbaar wordt aangetast. Volgens [appellant 3] is het hotel veel te omvangrijk voor de gekozen locatie waardoor de omgeving zal worden verstoord en ontsierd.

Bouwvergunning 1

Aangevallen uitspraak van 9 februari 2022

4. In deze uitspraak lag de beschikking van 9 maart 2021 voor, waarbij het bezwaarschrift tegen bouwvergunning 1 niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep was ingesteld door negen eisers, waaronder [appellant 3]. Omdat de overige zeven eisers geen bezwaarschrift hadden ingediend tegen bouwvergunning 1 heeft het Gerecht hen niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep.
Over het beroep van [appellant 3] heeft het Gerecht onder meer overwogen dat hij eerst op 16 oktober 2020 inzage heeft gekregen in bouwvergunning 1, zodat het op 21 oktober 2020 ingediende bezwaarschrift is ingediend zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. [appellant 3] heeft de gronden van bezwaar niet binnen de gestelde termijn aangevuld, maar volgens het Gerecht had de minister het bezwaarschrift in deze specifieke omstandigheden niet nietontvankelijk mogen verklaren wegens het ontbreken van gronden. De minister heeft, ondanks vele verzoeken daartoe, geweigerd om [appellant 3] afdoende in kennis te stellen van de inhoud van bouwvergunning 1 en de daarbij behorende stukken. Van [appellant 3] kon daarom niet worden verwacht bezwaargronden te formuleren op basis van een eenmalige inzage van de stukken, mede gelet op de omvang van het dossier en de complexiteit van het bouwproject. Het Gerecht heeft de beschikking van 9 maart 2021 vernietigd en de minister de opdracht gegeven opnieuw te beschikken met inachtneming van de gronden van het bezwaar zoals ingediend op 3 februari 2021. Vervolgens heeft het Gerecht bouwvergunning 1 geschorst totdat de minister op het bezwaar van [appellant 3] heeft beslist.

Actuele stand van zaken

5. Bij de beschikking van 5 mei 2022 heeft de minister opnieuw beschikt en het bezwaar van [appellant 3] tegen bouwvergunning 1 ongegrond verklaard. Daartegen heeft [appellant 3] beroep ingesteld. Het Hof kan de beschikking van 5 mei 2022 of het daartegen ingestelde beroep niet betrekken in deze hogerberoepsprocedure wegens het ontbreken van een daartoe strekkende bepaling in de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar). Het Gerecht heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de uitspraak van het Hof op de nu voorliggende hoger beroepen van de minister en Three Rivers.

Verder heeft [appellant 3] de minister op 18 november 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen Three Rivers. Op dat verzoek is door de minister niet tijdig beslist. [appellant 3] heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de fictieve afwijzende beschikking op zijn handhavingsverzoek. Tijdens de bezwaarprocedure heeft [appellant 3] het Gerecht verzocht bouwvergunning 1 te schorsen. Dit verzoek heeft het Gerecht bij uitspraak van 5 mei 2023 afgewezen omdat bouwvergunning 1 volgens het Gerecht op grond van artikel 59 van de Bouw en woningverordening van rechtswege is geschorst als gevolg van het door [appellant 3] ingestelde beroep tegen de beschikking van 5 mei 2022.

Hoger beroepen van de minister (AUA2022H00053) en van Three Rivers (AUA2022H00055)

6. De minister en Three Rivers voeren aan dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in de uitspraak van 9 februari 2022, [appellant 3] voldoende gelegenheid tot inspraak heeft gehad en al veel eerder dan 16 oktober 2020 op de hoogte was van de verleende bouwvergunningen. De minister en Three Rivers betogen dan ook dat het bezwaarschrift van [appellant 3] van 21 oktober 2022 niet verschoonbaar te laat is ingediend. Daarnaast betogen de minister en Three Rivers dat, mocht het Hof al oordelen dat zijn bezwaar tijdig is ingediend, moet worden vastgesteld dat [appellant 3] de gronden van zijn bezwaar te laat heeft aangevuld. Een termijn van twee weken was, gelet op de eerdere inspraakprocedures, voldoende om in ieder geval één bezwaargrond te formuleren. Ook om die reden heeft het Gerecht ten onrechte de beschikking van 9 maart 2021 vernietigd. Aldus de minister en Three Rivers.

6.1.Het Hof stelt op basis van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

6.2.Naar aanleiding van berichtgeving in Amigoe di Aruba van 9 februari 2019 over de bouw van een hotel te Sero Colorado dient [appellant 3] op 13 februari 2019 een zienswijze in bij de minister over het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan 2019 in relatie tot het bouwplan van Three Rivers. Vervolgens verzoekt [appellant 3] bij de balie van de Dienst Infrastructuur en Planning (hierna: DIP) verschillende malen om een afspraak met de directeur van DIP om het bouwplan te bespreken. Bij de brieven van 10 en 18 april 2019 verzoekt [appellant 3] DIP en de Dienst Openbare Werken (hierna: DOW) om inspraak en inzage in de stukken die gaan over het bouwplan. In het dossier is geen reactie op deze brieven aangetroffen.

6.3.Op 30 oktober 2019 krijgt [appellant 3] toestemming van DOW om de stukken van het bouwplan in te zien. Hij constateert dat Three Rivers een bouwaanvraag heeft gedaan, maar dat nog geen bouwvergunning is verleend.

6.4.Op 15 november 2019 vindt een eerstesteenleggingsceremonie plaats. [appellant 3] raakt hiervan op de hoogte door berichtgeving in de media. In de maanden daarop verzoekt [appellant 3] de minister, DIP, DOW en Three Rivers verschillende keren om informatie over het bouwplan en om inspraak. Op 5 februari 2020 krijgt [appellant 3] van DOW gelegenheid om bouwtekeningen in te zien. Ook woont hij op 6 februari 2020 een vergadering bij van de Welstandscommissie. Met zijn brief van 28 februari 2020 verzoekt [appellant 3] opnieuw om inspraak en om op de hoogte te worden gehouden van de vergunningverlening. In het dossier is geen reactie op deze brief aangetroffen.

6.5.Op 1 augustus 2020 informeert een baliemedewerker van DIP [appellant 3] over een aan Three Rivers verleende bouwvergunning. Vervolgens dient [appellant 3] op 10 augustus 2020 een bezwaarschrift in tegen een bouwvergunning die is afgegeven voor de bouw van een hotel in Sero Colorado. De minister heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als gericht tegen bouwvergunning 2 en dit niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

6.6.Op 24 augustus 2020 verzoekt [appellant 3] DOW opnieuw om informatie over de afgegeven bouwvergunning. Eveneens op 24 augustus 2020 laat DIP [appellant 3] een kopie voorblad van een tweetal aanlegvergunningen van 26 augustus 2019 inzien. Dit betreffen andere vergunningen dan bouwvergunning 1 en 2.

6.7.Op 25 augustus 2020 verzoekt [appellant 3] op grond van de Landsverordening Openbaarheid van Bestuur (hierna: Lob) om een kopie van dan wel inzage in enige bouwvergunning die mocht zijn verleend voor de bouwwerken die thans worden opgericht in Sero Colorado/Baby Beach. Op 11 september 2020 verzoekt [appellant 3] specifiek om een kopie dan wel inzage in enige bouwvergunning met kenmerk 0899-2019 en 0853-2019 (de samengevoegde bouwvergunning 2) en een nog te verlenen bouwvergunning met kenmerk 09442019 (bouwvergunning 1). In het dossier is geen reactie op deze brieven aangetroffen.

6.8.Op 16 oktober 2020 krijgt [appellant 3] inzage in onder meer bouwvergunning 1 met bijbehorende bouwtekeningen. Daartegen dient hij op 21 oktober 2020 op nader aan te voeren gronden een bezwaarschrift in. Op 27 oktober 2020 vraagt [appellant 3] aan DOW wanneer kopieën van de bouwvergunningen en bijbehorende stukken kunnen worden afgehaald. In het dossier is geen reactie op deze brief aangetroffen.

6.9.Bij de brief van 3 november 2020, door [appellant 3] ontvangen op 9 november 2020, bevestigt de minister de ontvangst van het bezwaarschrift van 21 oktober 2020 en stelt hij [appellant 3] in de gelegenheid de gronden van het bezwaar binnen twee weken aan te vullen. Op 23 november 2020 verzoekt [appellant 3] om uitstel van deze termijn omdat hij niet beschikt over bouwvergunning 1 en de bijbehorende bouw- en situatietekeningen. Op deze brief heeft de minister niet gereageerd. Bij de brief van 3 februari 2021 vult [appellant 3] de gronden van het bezwaar aan. Bij de beschikking van 9 maart 2021 verklaart de minister het bezwaar van [appellant 3] nietontvankelijk omdat de gronden van bezwaar niet binnen de gegeven termijn van twee weken zijn aangevuld.

6.10.Over de tijdigheid van het op 21 oktober 2020 ingediende pro forma bezwaarschrift overweegt het Hof als volgt. Vaststaat dat het bezwaarschrift ruim na het verstrijken van de op grond van artikel 11, eerste lid, van de Lar geldende termijn is ingediend. Partijen zijn verdeeld over de vraag of nietontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens verschoonbare termijnoverschrijding achterwege moet blijven. Daarbij is gelet op artikel 12, derde lid, van de Lar van belang of [appellant 3] bezwaar heeft gemaakt zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend en neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Gelet op de hiervoor weergegeven feiten, met name het bezwaarschrift van 10 augustus 2020 en het Lob-verzoek van 11 september 2020, wist [appellant 3] al vóór het inzagemoment op 16 oktober 2020 dat Three Rivers bouwvergunningen had aangevraagd en dat bouwvergunning 2 al was verleend. Niet aannemelijk is echter dat [appellant 3] toen ook wist dat bouwvergunning 1 was verleend. Het pro forma bezwaarschrift van 10 augustus 2020 was namelijk gericht tegen een bouwvergunning afgegeven aan Three Rivers voor de bouw van een hotel te Sero Colorado. De minister heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als gericht tegen bouwvergunning 2, en niet als mede gericht tegen bouwvergunning 1. Uit het Lobverzoek volgt dat [appellant 3] weliswaar wist dat het om meerdere aanvragen om bouwvergunning ging, maar daaruit volgt niet dat hij wist dat bouwvergunning 1 inmiddels was verleend. In zijn Lobverzoek wijst [appellant 3] immers op een nog te verlenen bouwvergunning met kenmerk 0944-2019. De overgelegde chatgesprekken van eind juli 2020 tussen [appellant 3] en de architect van Three Rivers geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Daaruit kan worden afgeleid dat [appellant 3] wist van een bouwvergunning voor de bouw van een hotel te Sero Colorado, maar niet dat bouwvergunning 1 op 28 mei 2020 was verleend. Pas toen [appellant 3] op 16 oktober 2020 inzage werd gegund in de stukken raakte hij bekend met het feit dat net als bouwvergunning 2 ook bouwvergunning 1 al op 28 mei 2020 was verleend. [appellant 3] heeft vijf dagen later, namelijk op 21 oktober 2020 een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen specifiek bouwvergunning 1. Naar het oordeel van het Hof is dat bezwaarschrift ingediend zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kon worden, zodat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat nietontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding achterwege moet blijven.

6.11.Over de vraag of de bezwaargronden door [appellant 3] binnen de gestelde termijn zijn aangevuld overweegt het Hof als volgt. Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Lar moet de minister de bezwaarmaker in de gelegenheid stellen het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. In de Lar is niet een vaste termijn voorgeschreven, zodat de minister bij het bepalen van die termijn de relevante omstandigheden van het geval moet betrekken. In voorliggend geval is dat onder meer de omvangrijkheid en complexiteit van het bouwplan, maar ook het (niet) kunnen beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarbij is in dit geval van belang dat het project in delen is aangevraagd en vergund, aanvragen en vergunningen herhaaldelijk zijn gewijzigd, de vergunningen niet zijn gepubliceerd, en de betrokken overheden weinig coöperatief zijn geweest bij het verstrekken van de door [appellant 3] gevraagde informatie, het bieden van de mogelijkheid tot inzage in de relevante stukken of het verstrekken van afschriften van verleende vergunningen. [appellant 3] heeft zich sinds april 2019 ingespannen om te kunnen beschikken over de relevante stukken. Uiteindelijk heeft hij de stukken na vele brieven en bezoeken aan DIP en DOW op 16 oktober 2020 bij de balie van DOW kunnen inzien. Het maken van kopieën is hem echter niet toegestaan. Het niet kunnen beschikken over de relevante stukken heeft [appellant 3] belemmerd bij het formuleren van bezwaargronden. De gevolgen hiervan mogen niet voor rekening van [appellant 3] komen. Gelet hierop acht het Hof de geboden hersteltermijn van twee weken onredelijk kort. Het Hof stelt vast dat de minister niet heeft gereageerd op het – weliswaar een paar dagen na het verstrijken van de hersteltermijn – ingediende verzoek van [appellant 3] om verlenging van die termijn. Het Hof stelt verder vast dat de minister het bezwaarschrift nietontvankelijk heeft verklaard vier maanden na het verstrijken van de geboden hersteltermijn, terwijl [appellant 3] de bezwaargronden reeds zes weken daarvóór al had ingediend. Het Hof is van oordeel dat de minister in dit geval, gelet op de hele voorgeschiedenis, in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid het bezwaarschrift nietontvankelijk te verklaren wegens ontijdig herstel van het verzuim.

Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het Gerecht de beschikking van 9 maart 2021 ten onrechte heeft vernietigd. De minister is terecht opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift te beschikken met inachtneming van de aanvullende gronden van bezwaar ingediend op 3 februari 2021. De betogen slagen niet.

7. Het Hof stelt vast dat [appellant 3] in zijn verweerschrift heeft beoogd incidenteel hoger beroep in te stellen omdat hij zich niet kan vinden in de nietontvankelijkverklaring door het Gerecht van de beroepen van de overige zeven eisers tegen bouwvergunning 1.
Het Hof stelt voorop dat de Lar de mogelijkheid tot het instellen van incidenteel hoger beroep niet kent. Het Hof stelt verder vast dat door of namens bedoelde zeven eisers in eerste aanleg geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht van 9 februari 2022. [appellant 3] kan met zijn verzoek niet bereiken dat bedoelde zeven personen worden geacht alsnog hoger beroep te hebben ingesteld. Maar ook inhoudelijk treft het betoog van [appellant 3] geen doel. Het Hof stelt vast dat deze zeven eisers niet worden vermeld in het pro forma bezwaarschrift van 21 oktober 2020. Hun namen zijn pas toegevoegd in de brief met aanvullende gronden van 3 februari 2021. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Lar moet een bezwaarschrift, ook een pro forma bezwaarschrift, ten minste de naam van de indiener(s) bevatten. Na het verstrijken van de bezwaartermijn kunnen daar geen nieuwe bezwaarmakers aan worden toegevoegd. Ook niet bij het aanvullen van de gronden van bezwaar. Het Gerecht heeft daarom terecht en op goede gronden bedoelde zeven personen niet in hun beroep ontvangen.

Bouwvergunning 2

Aangevallen uitspraak van 7 maart 2022

8. In deze uitspraak lag de beschikking van 4 februari 2021 voor, waarbij het bezwaarschrift tegen bouwvergunning 2 niet-ontvankelijk is verklaard. Het Gerecht heeft onder meer overwogen dat de beroepstermijn niet pas aanvangt op de dag nadat de beschikking is uitgereikt, maar op de dag na dagtekening van de beschikking. In dit geval dus op 5 februari 2021. Het op 9 juli 2021 ingediende beroepschrift is daarmee buiten de beroepstermijn ingediend. Omdat [appellant 3] in ieder geval op 3 mei 2021 kennis heeft kunnen nemen van de beschikking van 4 februari 2021, is het beroepschrift niet ingediend zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd. Het Gerecht heeft het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

Hoger beroep van [appellant 3] (AUA2022H00129)

9. Het Hof is van oordeel dat het hoger beroep van [appellant 3] geen doel treft en ongegrond moet worden verklaard. Het Hof overweegt daartoe het volgende.

9.1.De in dit hoger beroep voorliggende beschikking is gedagtekend op 4 februari 2021. Gelet op artikel 27, eerste lid, van de Lar is de termijn voor het indienen van een beroepschrift een dag later, dus op 5 februari 2021 aangevangen, en zes weken later, dat wil zeggen op 18 maart 2021 geëindigd. Het beroepschrift van 7 juli 2021 is dus ruim vier maanden te laat ingediend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Niet is gebleken dat de beschikking op bezwaar binnen de beslistermijn aan [appellant 3] is toegezonden of uitgereikt als voorgeschreven in artikel 22, eerste lid, van de Lar. Evenmin is gebleken dat [appellant 3] binnen de beroepstermijn heeft kennis genomen van het besluit van 4 februari 2021. Hiermee is echter niet gegeven dat [appellant 3] tegen de beschikking van 4 februari 2021 beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Daarvoor is van belang dat de gemachtigde van [appellant 3] het Gerecht op 12 maart 2021 heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar tegen bouwvergunning 2 en dat de minister op 3 mei 2021 de beschikking van 4 februari 2021 in die procedure heeft ingebracht. [appellant 3] en Boyce waren beiden partij in die procedure en hebben dus in ieder geval op of kort na 3 mei 2021 kennis kunnen nemen van de beschikking van 4 februari 2021. [appellant 3] en Boyce hadden na kennisname van de beschikking zo spoedig mogelijk een beroepschrift moeten indienen. Dit hebben zij nagelaten. Het betoog dat de beschikking pas op 7 juli 2021 aan [appellant 3] is uitgereikt in de zin van artikel 22, eerste lid, van de Lar, leidt niet tot een ander oordeel, omdat [appellant 3] al twee maanden eerder de beschikking in handen had gekregen. Op grond van deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat [appellant 3] niet beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Het betoog slaagt niet.

Slotsom

10. De hoger beroepen van de minister en Three Rivers tegen de uitspraak van het Gerecht van 9 februari 2022 zijn ongegrond zodat die uitspraak moet worden bevestigd. Dat betekent dat de minister opnieuw op het bezwaarschrift van [appellant 3] tegen bouwvergunning 1 moet beschikken met inachtneming van de aanvullende gronden van bezwaar ingediend op 3 februari 2021.

10. Het hoger beroep van [appellant 3] tegen de uitspraak van het Gerecht van 7 maart 2022 is ongegrond zodat ook die uitspraak moet worden bevestigd. Dat betekent dat bouwvergunning 2 onherroepelijk is.

10. De minister hoeft de proceskosten van [appellant 3] in hoger beroep niet te vergoeden omdat Boyce als belanghebbende mede namens zichzelf (hoger) beroep heeft ingesteld en daarmee geen sprake is van proceskosten die geheel zijn toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 9 februari 2022 in zaak nr. AUA202101487;

II. bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 7 maart 2022 in zaak nr. AUA202101589.

Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.

w.g. Bel

voorzitter

w.g. Van der Heide

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023.

BIJLAGE

Landsverordening administratieve rechtspraak

[…]

Artikel 11

1. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken en gaat in op de dag na die waarop de beschikking is gedagtekend.

2. Indien het bezwaarschrift evenwel betrekking heeft op het uitblijven van een beschikking, bedraagt de termijn acht weken en gaat hij in op de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt, tijdig een beschikking te geven.

Artikel 12

1. Een bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend voordat de termijn is ingegaan of nadat de termijn is verstreken.

2. Deze beslissing wordt, met redenen omkleed, schriftelijk aan de indiener van het bezwaarschrift meegedeeld.

3. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

Artikel 13

1. Het bezwaarschrift bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener en, indien het bezwaarschrift namens deze door een gemachtigde wordt ingediend, de naam en het adres van de gemachtigde;

b. een aanduiding van de beschikking waartegen het bezwaar zich richt, indien mogelijk onder overlegging van een afschrift daarvan;

c. de gronden waarop het bezwaar berust;

d. de dagtekening van het bezwaarschrift, en e. een ondertekening door of namens de indiener.

2. Geschiedt de indiening door een gemachtigde die niet als advocaat is ingeschreven bij het Hof, dan wordt tevens de machtiging overgelegd.

Artikel 14

1. Indien niet is voldaan aan enig bij wettelijk voorschrift gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaarschrift, wordt de indiener door of namens het bestuursorgaan binnen twee weken na de ontvangst van het bezwaarschrift in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen.

2. Indien het verzuim niet of niet volledig wordt hersteld, kan het bestuursorgaan het bezwaarschrift uiterlijk binnen een week na ontvangst van het antwoord van de indiener of na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn, niet-ontvankelijk verklaren.

3. Deze beslissing wordt, met redenen omkleed, schriftelijk aan de indiener van het bezwaarschrift meegedeeld.

[…]

Artikel 20

1. Het bestuursorgaan neemt de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van die termijn.

2. Indien de indiener van het bezwaarschrift op of na de laatste dag van de termijn daarom verzoekt, wordt hem terstond een afschrift van de beslissing ter hand gesteld.

[…]

Artikel 22
1. De beslissing op het bezwaarschrift wordt de indiener uiterlijk op de laatste dag van de termijn toegezonden of uitgereikt, onverminderd artikel 20, tweede lid.

[…]

Artikel 27
1. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en gaat in op de dag na die waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend.

2. Indien het beroepschrift evenwel betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift, bedraagt de termijn acht weken en gaat hij in op de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt, tijdig op het bezwaarschrift te beslissen.

Artikel 28
1. Een beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend voordat de termijn is ingegaan of nadat de termijn is verstreken.
2. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt, met redenen omkleed, aan de indiener van het beroepschrift meegedeeld.
3. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

[…]

Bouw- en woningverordening

[…]

Artikel 59

In afwijking van de artikelen 9, vierde lid, en 23, vierde lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (AB 1993 no. 45), schorst het instellen van bezwaar of beroep tegen een beschikking als bedoeld in de artikelen 22, 23, 28, tweede lid, 29, eerste lid, 36, tweede lid, 39, tweede lid, 40, eerste lid, 44, eerste lid, 47, eerste lid, en 52, de werking van die beschikking.

Artikel delen