Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Rapid Circular Contracting-methode: kritiek en advies

In het Rijksbrede programma ‘Nederland Circulair in 2050’ wordt geschetst hoe we onze economie kunnen ombuigen naar een duurzame, volledig circulaire economie in 2050. Daarvoor is samenwerking tussen de overheid en (o.a.) het bedrijfsleven noodzakelijk.

14 september 2021

De aanbestedingsregels en –procedures bieden echter tamelijk weinig ruimte voor samenwerking en de afstemming van vraag en aanbod, terwijl daaraan in de praktijk wel behoefte bestaat. In de Rapid Circular Contracting– en de Rapid Impact Contracting-methodes wordt die samenwerkingsruimte daarom maximaal opgezocht.

RCC of RIC zou ook kunnen worden gebruikt bij de aanbesteding van bijvoorbeeld een opdracht voor de verwerking van huishoudelijk afval. Na een recent advies van de Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE) kan echter de vraag worden gesteld of deze methodes juridisch houdbaar zijn.

Wat houden de RCC- en RIC-methode in?

RCC wordt als volgt omschreven: “Een innovatie gerichte aanbestedingsmethodiek waarbij uitgangspunt is om een samenwerkingspartner te selecteren in plaats van een kant en klare oplossing in te kopen. Selectie gaat op basis van visie en plan van aanpak van de inschrijver op door de Opdrachtgever aangegeven ambities.” Daarbij gaat het dan om ambities op het gebied van o.a. circulariteit.

RCC biedt opdrachtgevers zogezegd een proces van co-creatie met de geselecteerde partner. Partijen werken vanuit een Programma van Ambitie (PvA) creatief samen, in plaats van een traditioneel Programma van Eisen (PvE). De definitieve oplossing staat dan nog niet vast. Gezamenlijk ontwikkelen en ontwerpen ze een innovatieve aanpak en delen in alle openheid oplossingen, inzichten en dilemma’s. Daarna start de uitvoeringsfase, waarin de overeengekomen oplossing wordt gerealiseerd.

Juridisch gezien bestaat er geen relevant verschil met de RIC-methode: daarin zijn de ambities gekoppeld aan de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties.

Kritiek van de CvAE

In een zaak bij de CvAE wordt geklaagd over een Europese openbare aanbesteding van een aantal gemeenten van een opdracht voor de levering van warme en koude dranken. Daarin werd de RCC-methode toegepast.

De CvAE verklaart een aantal klachten gegrond. Kort samengevat komt het oordeel van de CvAE op het volgende neer:

  • BPKV moet kwantitatief prijs- of kostenelement bevatten

    Als de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) wordt vastgesteld op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV), moet de gunningsmethode mede voorzien in een beoordeling van de inschrijvingen op basis van een kwantitatief prijs- of kostenelement. Daarvan was in deze aanbestedingsprocedure echter géén sprake. Aanbesteders hanteerden wel ‘prijsvorming’ als (sub-) gunningscriterium, maar op basis daarvan behoefden de inschrijvers niet een prijs aan te bieden. Evenmin werd een (plafond-) budget bekend gemaakt. Aanbesteders vroegen van de inschrijvers ‘slechts’ een heldere, overtuigende visie en aanpak rondom de prijsvorming en kostenopbouw van de af te nemen dienstverlening, alsmede bewijsvorming dat het op deze manier omgaan met prijsvorming in de latere Work-out fase bij hen in goede handen is. Prijsvorming was dus meer een kwalitatief criterium;

  • Opzet en inrichting RCC-procedure onvoldoende transparant

    Met de door hen voorziene opzet en inrichting van de aanbestedingsprocedure bewerkstelligen aanbesteders niet dat de essentialia van de oplossingen, waarmee de inschrijvers voornemens zijn in de inkoopbehoefte van aanbesteders te gaan voorzien, voldoende duidelijk zijn op het moment van gunning van de opdracht. In de gekozen opzet en inrichting ontstaat die voldoende duidelijkheid namelijk pas – en ook overigens alleen voor zover het de inschrijving van de winnende inschrijver betreft en bovendien oncontroleerbaar voor de andere inschrijvers – ná de gunning en ondertekening van het RCC Commitment Contract, tijdens de zogenaamde Work-out fase.Bovendien hebben aanbesteders niet of nauwelijks technische specificaties, eisen of normen gesteld. Daardoor toetsen zij evenmin of de inschrijvingen aan dergelijke specificaties, eisen of normen voldoen. Daarmee wordt in strijd gehandeld met art. 2.26, aanhef en sub d, Aanbestedingswet 2012.Kortom, de gekozen opzet en inrichting van deze aanbestedingsprocedure voldoen niet aan de beginselen van gelijke behandeling en transparantie.

Commentaar

Vooraf merk ik op dat het (niet-bindende) oordeel van de CvAE is ingegeven door de specifieke feiten en omstandigheden van de aanbestedingsprocedure in kwestie. Desalniettemin is haar kritiek van principiële aard en raakt deze de kern van de RCC- en RIC-methode.

Eerste kritiekpunt terecht

Op het eerste kritiekpunt van de CvAE valt weinig af te dingen. Art. 2.114 Aanbestedingswet 2012 bepaalt namelijk dat de aanbestedende dienst een overheidsopdracht moet gunnen op grond van de naar zijn oordeel economisch meest voordelige inschrijving. Deze moet in principe worden vastgesteld op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Dit impliceert dat een prijs- of kostenelement onderdeel van de gunnings- en beoordelingssystematiek moet zijn.

Dit kritiekpunt is eenvoudig op te lossen. Namelijk door in een RCC-/RIC-aanbesteding te werken met een plafondbedrag, een budget, of een vooraf vastgestelde prijs. In dat laatste geval speelt de concurrentie zich enkel af op de kwaliteit die de inschrijvers voor die prijs kunnen aanbieden. Prijsvorming in de hiervóór genoemde zin kan daarbij dan ook een rol spelen.

Kanttekeningen bij het tweede kritiekpunt

Over het tweede kritiekpunt het volgende. Art. 2.26 sub d Aanbestedingswet 2012 bepaalt dat de aanbestedende dienst, die de openbare procedure toepast, toetst of de inschrijvingen voldoen aan de door hem gestelde technische specificaties, eisen en normen. (Art. 2.27 Aanbestedingswet 2012 bevat dezelfde verplichting voor de niet-openbare procedure.)

Art. 2.75 schrijft voor dat de aanbestedende dienst in de aanbestedingsstukken de technische specificaties opneemt, waarin de door hem voor een werk, dienst of levering voorgeschreven kenmerken zijn opgenomen.

Het is dan ook niet zo gek dat de CvAE oordeelt dat er in ieder geval technische specificaties moeten worden geformuleerd. Toch valt daar wel iets op af te dingen. Art. 2.26 zou namelijk ook zo kunnen worden uitgelegd dat áls de aanbestedende dienst technische specificaties hanteert, hij de inschrijvingen daaraan moet toetsen.

Bovendien roept het oordeel van de CvAE de vraag op, wanneer sprake is van voldoende technische specificaties om de toets der kritiek te kunnen doorstaan.

Wat hier ook van moge zijn, uit art. 2.76 lid 1 sub b Aanbestedingswet 2012 volgt dat de specificaties zo nauwkeurig moeten zijn bepaald, dat de inschrijvers het voorwerp van de opdracht kunnen bepalen en de aanbestedende dienst de opdracht kan gunnen. Ook de beginselen van gelijke behandeling en transparantie vereisen dat de opdracht (en gunningsvoorwaarden) zodanig duidelijk wordt (worden) gespecificeerd, dat vergelijkbare inschrijvingen worden verkregen en dat de opdracht wordt gegund aan de inschrijver die daadwerkelijk de EMVI, althans BPKV heeft aangeboden voor die opdracht. Dat is dan ook hoe ik het tweede kritiekpunt van de CvAE vooral lees en duid.

Conclusies en advies

Zolang een rechter zich nog niet over deze problematiek heeft gebogen, doe je er verstandig aan om een prijs- of kostenelement onderdeel van de gunnings- en beoordelingssystematiek uit te laten maken, als je de RCC- of RIC-methode wil toepassen. Maar vooral ook, om de opdracht (en de bijbehorende gunningsvoorwaarden) voldoende en nauwkeurig te specificeren. Op die manier zou de RCC-/RIC-aanbesteding de toets der kritiek moeten kunnen doorstaan.

Wat niettemin een inherent risico blijft, is dat de definitieve oplossing pas na de gunning in co-creatie wordt vastgesteld. Dat lijkt echter geen onoverkomelijk probleem, zolang het voorgaande in acht wordt genomen en de definitieve oplossing niet wezenlijk afwijkt van de opdracht zoals aanbesteed en hetgeen waarmee is ingeschreven.

Wat dat betreft kan een vergelijking worden gemaakt met de aanbesteding (selectie) van een aannemer die lid wordt van een bouwteam en die na het voltooien van ontwerpproces een aanbieding mag doen voor de uitvoering van dat ontwerp. Dat is een geaccepteerde aanbestedingsmethode en ook daar komt de definitieve oplossing pas na de gunning in co-creatie tot stand.

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.