Menu

Zoek op
rubriek

Wettelijk kader als enig houvast?

Er was een nieuwe wet in de maak. Vijf jaar geleden hoorde ik er voor het eerst over. Er werden maar liefst 26 wetten samengesmolten tot één. Wat was namelijk het probleem? We zijn een klein landje met heel veel wensen. Telkens hebben we nieuwe wetten en regels verzonnen voor balans tussen wensen en mogelijkheden in de ruimtelijke ordening. Het waren er intussen zoveel dat daar eens kritisch naar gekeken moest worden. Kon het eenvoudiger en beter?

Platfom O 25 november 2020

Artikelen

Artikelen

Er waren nóg wat redenen om tot de zogenaamde Omgevingswet te komen. Lokale overheden wilden meer afwegingsruimte voor maatwerk. De ene situatie is de andere niet, soms knellen (landelijke) normen, die voor iedereen gelden en nergens echt precies passen. Er moest in samenhang naar de leefomgeving worden gekeken. De besluitvormingsprocedures mochten wel korter. En digitalisering, namelijk dat iedereen toegang heeft tot alle informatie, wat op welke plek onder welke omstandigheden mag, waarom was dat er nog niet? En dat iemand met een plan eenvoudig en snel vanuit zijn luie stoel een vergunning kan aanvragen, dat zou moeten kunnen. Ambities, niet eens zo baanbrekend, waarvan je je kunt afvragen: waarom kan het niet al?

Geest en letter van de wet

Bij elke belangrijke verandering of transformatie heb je de believers en de preciezen, de mensen van de geest van de wet en die van de letter. Die botsen. Dat is prima, want beide invalshoeken zijn nodig om elkaar scherp te houden. Verder heb je de immer kritische beschouwers, die soms doorslaan in “zie-je-wel”-gelijkhebbers. Elke stap van de overheid, vinden ze, is er een van onvermogen en/of zelfoverschatting. Maar de wet kreeg vorm en wordt op 1 januari 2022 van kracht. Is een wet een visie, een perspectief of een vertaling van maatschappelijke beweging? Wat er staat moet hoe dan ook kloppen, consistent zijn en een oplossing voor bestaande problemen. In de loop van de jaren wordt steeds duidelijker wat de uitwerking van een wet is. Een heel stelsel van wetten en (aanvullings-)besluiten vormen een kader. Er is niemand waar we kunnen aankloppen om te vragen wat wel of niet werkt en welke toverformule tot de beste uitkomsten leidt. Er zijn wel pilots en eerste praktijkervaringen, maar niemand weet hoe het echt zal gaan, want het is onontgonnen terrein. We gaan het meemaken.

Ruimte in normstelling

Vaak hoor ik twijfels of alles straks standhoudt voor de Raad van State. Die krijgt het nog druk. In zijn essay “Doet de wetgever nog recht?”[1] gaat H.D. Tjeenk Willink in op de relatie tussen de wetgevende en rechtelijke macht: “Als de wetgever in de normstelling ruimte laat, is het aan de rechter te bepalen of de invulling van de norm (meestal door het bestuur) rechtvaardig is, dus binnen de grenzen van het recht blijft. En de wetgever laat vaak ruimte, moet dat vaak ook doen, omdat nu eenmaal niet alle specifieke situaties waarin de wet van toepassing zal zijn van tevoren zijn te voorzien en omdat maatschappelijke omstandigheden zich wijzigen”. Dat is met een nieuwe wet zeker van toepassing. De vraag is hoe ruimte straks wordt ingevuld, met andere woorden: wat willen we bereiken?

Neem participatie als voorbeeld. In de wet staat dat participatie een aanvraagvereiste is bij vergunningverlening. Dat wil zeggen dat als iemand een vergunning aanvraagt hij samen met alle overige paperassen ook moet aangeven wat hij heeft gedaan aan participatie, hoe omwonenden of andere belanghebbenden zijn betrokken bij het initiatief of plan. Het klopt dat “n.v.t.” of een andere weinig serieuze aanpak ook een antwoord kan zijn. Niet of onvoldoende aan participatie doen is geen afwijzingsgrond. Velen trekken daaruit de conclusie dat gemeenten daardoor met lege handen staan. Met stimuleren en aansporen van initiatiefnemers kom je geen stap verder. “Je kunt ze niet dwingen” en dús heb je er niets aan. Het ontbreken van een wettelijk houvast vinden ze een gemiste kans en een verwachting die niet uitkwam. Je kunt er ook anders naar kijken. Geboden ruimte wordt niet (weer) gevuld met regels, daar hadden we er toch al een heleboel van. En naast de Omgevingswet zijn er nog genoeg andere wetten en regelingen, die raakvlakken hebben. Volgens de Awb moet het bestuursorgaan aangegeven welke belangen en maatstaven een rol hebben gespeeld bij de belangenafweging[2]. Dus linksom of rechtsom, een houvast is er altijd. En voor de ultieme toetsing beslist de rechter.

Kijken door een andere bril

Van Henri Ford is het citaat “Als u denkt dat iets wel kan, of niet kan, dan hebt u in beide gevallen gelijk.” Het gaat er om wat je ervan maakt. Geloof je dat iets gaat werken, zet je het in als strategie of middel om doelen te realiseren? Ga je ermee aan de slag om te kijken hoever je ermee komt? Of berust je in onzekerheid en twijfel, verzet je geen stap en roep je vervolgens: ”zie je wel, het werkt niet”. Ja, omdat je er niets van hebt gemaakt!

Meer nog dan de concrete wetsinstrumenten of de uitvoeringspraktijk van de Omgevingswet gaat het om door een andere bril te kijken en te handelen. Denk aan een olifantenpaadje. In elke gemeente zijn er vele. Al legt de gemeente een keurig recht wandelpad neer, een weg of zelfs een met marmer geplaveide boulevard. Jij, ik, iedereen, we kiezen voor gemak, we nemen de kortste weg, we snijden de bocht af, we laten onze sporen achter. Maar gemeenten blijven rechte, netjes afgewerkte paden en wegen inrichten. Wanneer gaan we redeneren vanuit mensen en niet vanuit systemen? Dat zou houvast moeten bieden voor het handelen van de overheid en niet andersom.

[1] https://www.groene.nl/artikel/doet-de-wetgever-nog-recht

[2] Artikel 3:4 en 3.46 Awb.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.