Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Veel kamervragen over de grote zorgen van grote steden over de invoering Omgevingswet

GroenLinks, VVD en de SGP hebben recent kamervragen gesteld over het bericht ‘Nieuwe bouwcrisis dreigt door ‘onwerkbare’ megawet’ in het NRC. Ook zijn er vragen gesteld over de wijzing in de kruimellijst (Besluit omgevingsrecht) verruiming bewoning recreatiewoningen.

Tweede Kamer 29 april 2021

Nieuws-persbericht

Nieuws-persbericht

2021Z07001

(ingezonden 26 april 2021)

Vragen van het lid Bromet (GroenLinks) aan de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht ‘Nieuwe bouwcrisis dreigt door ‘onwerkbare’ megawet’

 

  1. Kent u het bericht ‘Nieuwe bouwcrisis dreigt door ‘onwerkbare’ megawet’? 1)

  2. Klopt het dat bij het testen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) gebleken is dat de wet en het DSO niet goed functioneren en dat daarmee niet voldaan wordt aan de minimale vereisten om de wet uit te kunnen voeren per 1 januari 2022? Zo nee, hoe zit het dan wel? Zo ja, kunt u precies uitleggen welk problemen bij het testen naar voren zijn gekomen?

  3. Klopt het dat grote gemeenten in een gezamenlijk overleg de vrees hebben geuit dat hun bouwplannen straks grote problemen zullen ondervinden omdat het DSO niet goed werkt? Zo ja, wat is uw reactie daarop?

  4. Klopt het dat het DSO bestaat uit verschillende systemen die door verschillende leveranciers worden opgeleverd en dat diverse systemen niet goed op elkaar aansluiten? Zo nee, hoe zit het dan wel? Zo ja, kunt u nader toelichten hoe dit zit en waar de problemen precies ontstaan?

  5. Klopt het dat gemeenten moeizaam bij landelijke systemen kunnen? Zo ja, hoe komt dit? Zo nee, wat is volgens u de oorzaak dat gemeenten dit wel als probleem ervaren?

  6. Klopt het dat de ondersteunende database een fragmentarische vergaarbak van informatie is geworden? Kunt u aan de hand van concrete voorbeelden toelichten wat de mogelijke problematische gevolgen hiervan kunnen zijn?

  7. Klopt het dat er problemen zijn met het wijzigingen van bestemmingsplannen die eenmaal bij de systemen ingediend zijn? Is het waar dat wanneer bestemmingplannen opnieuw worden ingediend er vrees bestaat dat deze (nieuwe versies van de) bestemmingsplannen niet rechtsgeldig zijn? Zo ja, hoe komt dit? Kunt u de juridische context met betrekking tot de rechtsgeldigheid nader toelichten?

  8. Klopt het dat de gemeente Amsterdam er niet in slaagde om bij een test een ‘simpele klus’ tot een goed einde te brengen? Kunt u toelichten hoe dit kan? Zijn er meer gemeenten waar dit probleem zich bij het testen heeft voorgedaan?

  9. Deelt u de mening van gemeenten dat grootschalige woningbouw na invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2022 mogelijk stil dreigt te vallen omdat het stelsel niet goed functioneert? Zo nee, waarom niet?

  10. Kunt u alle interne stukken (verslagen van gesprekken, brieven, memo’s etc.) waarin de stand van zaken betreffende de invoering van de Omgevingswet en het DSO besproken zijn met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?

  11. Wat is volgens u de oplossing om de in het artikel geschetste problemen met de Omgevingswet en het DSO op te lossen? Acht u de oplossingen haalbaar in de nog resterende periode tot de geplande inwerkingtreding?

  12. Wat gaat u precies doen om ervoor te zorgen dat het nieuwe wettelijk stelsel wel op een ordentelijke wijze per 1 januari 2022 inwerking kan treden? Bent u bereid om voordat definitief besloten wordt of het DSO klaar is voor invoering het Adviescollege ICT-toetsing een finaal advies over het DSO te laten geven? Zo nee, waarom niet?

  13. Kunt u een overzicht geven van de in uw brief van 8 april jl. genoemde 26 overheden die nog niet aangesloten zijn op de landelijke voorziening van het DSO?

  14. Is er extra budget nodig om een ordentelijke invoering op 1 januari 2022 te garanderen? Zo ja, hoeveel budget betreft dit? Zo nee, zijn er voorziene situaties denkbaar dat er de komende maanden toch alsnog extra budget nodig is?

  15. Heeft u nog steeds net zoveel vertrouwen als tijdens het notaoverleg over de Omgevingswet, gehouden op 25 november 2020, dat het DSO tijdig gereed is? Zo ja, waar baseert u dat vertrouwen op?

  16. Kunt u garanderen dat grote bouwprojecten vanaf 1 januari 2022 niet stil komen te liggen vanwege een niet goed functionerende Omgevingswet dan wel een niet goed functionerend DSO? Zo ja, waarop baseert u die garantie? Zo nee, waarom niet?

  17. Wat is de uiterste datum waarop definitief besloten kan worden om de Omgevingswet per 1 januari 2022 in te voeren of om de invoering opnieuw uit te stellen? Kunt u een actuele nauwkeurige planning geven van de nog te zetten stappen vanaf nu tot de invoering van de Omgevingswet en kunt u ook het overzicht van het zogenoemdeKritieke pad van de vijf minimale eisen voor de invoering zoals u dat op 26 februari jl. aan de Kamer deed toekomen actualiseren?

  18. Wat is de actuele stand van zaken van het ‘plan-B’ (in uw brief van 8 april jl. omschreven onder het kopjeWerkende ketens en tijdelijke alternatieve maatregelen)  voor het geval de Omgevingswet wordt ingevoerd en onverhoopt toch blijkt dat het stelsel niet goed functioneert en bijvoorbeeld bouwprojecten vanwege het niet functioneren van het stelsel stil komen te liggen? Zo ja, hoe ziet dit ‘plan-B’ eruit? Zo nee, waarom niet?

  19. Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?

1) NRC, 23 april 2021, Nieuwe bouwcrisis dreigt door ‘onwerkbare’ megawet – NRC

2021Z06986

(ingezonden 26 april 2021)

Vragen van de leden Minhas en Koerhuis (beiden VVD) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht 'Nieuwbouwcrisis dreigt door ‘onwerkbare’ megawet'

  1. Kent u het bericht 'Nieuwbouwcrisis dreigt door ‘onwerkbare’ megawet'? 1)

  2. Is het waar dat, indien de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2022 plaatsvindt, bouwprojecten en gebiedsontwikkelingen mogelijk niet tijdig kunnen starten in verschillende gemeenten? Zo ja, wat zijn daarvan de redenen?

  3. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het digitale stelsel Omgevingswet? Klopt het dat dat stelsel nog niet op orde is? Zo ja, wat is het probleem?

  4. In hoeverre is het nu nodig om op onderdelen van het digitale stelsel een alternatieve route aan te bieden, zoals u schrijft in uw brief van 8 april jl. (Kamerstuk 33118, nr.186)? Zo ja, hoe ziet die alternatieve route eruit?

  5. Hoe gaat u ervoor zorgen dat de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2022 daadwerkelijk plaatsvindt, zonder dat dit tot noemenswaardige problemen leidt bij de uitvoerende organisaties?

 
2021Z07078

(ingezonden 28 april 2021)

Vragen van het lid Bisschop (SGP) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de grote zorgen van grote steden over de invoering van de Omgevingswet

 

  1. Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen van de grote steden over de invoering van de Omgevingswet? 1)

  2. Bent u bereid de stukken waarin de gemeenten hun zorgen uitspreken naar de Kamer te sturen, en de Kamer te informeren over de verschillende knelpunten die genoemd zijn?

  3. Hoe waardeert u de constatering van de gemeente Amsterdam dat bij een test de uitvoering van de wet dermate onder de maat was dat aan de meest minimale vereisten niet wordt voldaan?

  4. Klopt het dat het zelfs een grote gemeente als Amsterdam niet lukte om bij een proef simpele klussen zoals het regelen van een kapvergunning of de aanleg van zonnepanelen op een monumentaal pand tot een goed einde te brengen? Waar ligt dat aan?

  5. Welke maatregelen worden genomen om de gesignaleerde tekortkomingen op te lossen?

  6. Hoe worden genoemde knelpunten in het digitale stelsel (DSO) – niet op elkaar afgestemde ICT-systemen, niet voor iedereen toegankelijke ICT-systemen en een onoverzichtelijke database – aangepakt?

  7. Welke risico’s voor (grote) woningbouwprojecten voorziet u bij het van kracht worden van de Omgevingswet volgend jaar? Hoe gaat u deze beperken?

  8. Hoeveel tijd is nodig om de genoemde knelpunten te minimaliseren?

1) NRC, Nieuwe bouwcrisis dreigt door 'onwerkbare' megawet, 23 april 2021

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft enkele vragen
en opmerkingen over de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dd. 18 maart 2021 inzake bij de Kamer voorgehangen Wijziging Besluit omgevingsrecht in verband met de verruiming van de mogelijkheden van de omgevingsvergunning voor de bewoning van recreatie woningen (33118-184).

De fungerend voorzitter van de commissie,
Bosma

De griffier van de commissie,
Roovers

Wijziging van het Besluit omgevingsrecht in verband met de verruiming van de mogelijkheden van de omgevingsvergunning voor de bewoning van recreatiewoningen (TK 33118-184)

De leden van de VVD-fractie willen er op wijzen dat er een groot woningtekort is in Nederland en dat het daarom goed is dat deze regeling er komt. Iedereen kent immers wel iemand die op zoek is naar een woning maar die niet kan vinden. De leden van de VVD-fractie vinden het daarom goed dat het kabinet de VVD/ D66 motie uitvoert en de regeling weer opent om permanente bewoning van recreatiewoningen toe te staan. Deze leden hopen dat de regeling daarmee zo snel mogelijk van kracht wordt.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief met betrekking tot Voorhang wijziging van het Besluit omgevingsrecht in verband met de verruiming van de mogelijkheden van de omgevingsvergunning voor de bewoning van recreatiewoningen. Zij zijn content dat er met deze regeling meer ruimte wordt geboden aan gemeenten tot het permanent laten bewonen van een recreatiewoning. Deze leden hebben nog enkele vragen die zij aan de regering willen voorleggen.

De leden van de D66-fractie zijn content dat de Actie-agenda Vakantieparken 2021-2022 is getekend. Deze leden vragen of er nader uiteengezet kan worden op welke wijze er in de Actie-Agenda uitvoering wordt gegeven aan de motie Van Eijs cs. (32847, nr. 627) over het hanteren van de menselijke maat in de handhaving rondom permanente bewoning van recreatiewoningen? Deze leden vragen daarnaast op welke wijze de Actie-Agenda aandacht heeft voor de leefbaarheid van vakantieparken?

De leden van de D66-fractie constateren dat met deze regeling de persoonsgebonden vergunning van een recreatiewoning eenmalig doorgegeven kan worden aan de rechtsopvolger van diegene aan wie de vergunning is verleend. Deze leden vragen of hun veronderstelling klopt dat dit in alle gevallen mogelijk wordt onder deze regeling? Daarnaast vragen deze leden op welke wijze ervoor kan worden gezorgd dat het overdragen van de vergunning aan een volgende bewoner mogelijk blijft, ook nadat de vergunning eenmaal is overgegaan?

De leden van de D66-fractie constateren dat wat er wordt verstaan onder ‘permanente bewoning’ per gemeente verschillend gedefinieerd kan worden. Deze leden vragen in hoeverre er wel richtlijnen zijn waar deze definitie aan dient te voldoen, om te voorkomen dat permanente bewoning van recreatieparken door strikte definities onmogelijk wordt in de praktijk?

De leden van de D66-fractie constateren dat er geen landelijke regeling wordt opgezet die het mogelijk maakt om een vergunning voor permanente bewoning aan te vragen, maar dat dit een gemeentelijke afweging is. Deze leden vragen hoe er voor wordt gezorgd dat gemeenten zo veel mogelijk op de hoogte zijn van deze nieuwe regeling, en hoe zij naast de beschreven ‘aanjaag- en expertteams’ worden ondersteund om deze regeling zo veel als mogelijk in te voeren?

De leden van de PVV-fractie lezen dat wordt voorgesteld om permanente bewoning mogelijk te maken op basis van een persoonsgebonden vergunning in plaats van een object gebonden vergunning. De termijn van de omgevingsvergunning geldt voor zolang degene aan wie de vergunning is verleend de recreatiewoning permanent bewoond. Maar wat gebeurt er als de vergunninghouder de woning overdraagt, zo vragen deze leden. Ligt het in de lijn der verwachting dat de gemeente hieraan zal meewerken en de termijn zal verlengen?

Geldt de persoonsgebonden vergunning ook voor mensen die gehuwd en/of samenwonend zijn? Of is het de bedoeling dat de vergunninghouder ook altijd zelf in de woning aanwezig is?

De minister schrijft dat de term ‘permanente bewoning’ afhangt van de definitie die de gemeente zelf geeft in het geldende bestemmingsplan. De leden van de PVV-fractie merken op dat dit juist voor de problemen zorgt want de gemeenten zelf hanteren een verschillende definitie van het begrip ‘wonen’. Is de minister hiermee bekend? Waarom komt er geen landelijke definitie van het begrip ‘wonen’ en ‘recreëren’? Wordt er een definitie van de begrippen ‘wonen’ en ‘recreëren’ opgenomen in de handreiking die vanuit het ministerie van BZK ter beschikking wordt gesteld aan gemeenten? Wat is de definitie van de minister van de termen (permanent) ‘wonen’ en ‘recreëren’? En hoe verhouden deze twee begrippen zich tot elkaar?

De leden van de PVV-fractie vragen of de minister bekend is met de schrijnende situatie van permanente bewoning op vakantieparken in onder andere de gemeente Zeewolde, waar de gemeente zaken als verse bloemen, een gemaaid gazon en gewassen ramen gebruikt als bewijs van ‘wonen’ in plaats van ‘recreëren’ en ook zodanig handhaaft met hoge dwangsommen tot gevolg? Hoe beoordeelt de minister deze gang van zaken? De minister heeft tijdens een eerder AO toegezegd contact op te nemen met de gemeente Zeewolde over deze manier van handhaven in de gemeente Zeewolde. Wat is hier de status van?

Wat zijn de gevolgen voor de eerder afgegeven dwangsommen vanwege ‘permanente bewoning’ nu er zicht is op legalisatie? Kunnen de bewoners deze betaling terugvorderen?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavige stukken. Zij hebben daarover de volgende vragen en opmerkingen.

In de nota van toelichting wordt verwezen naar het onderzoek ‘Wonen in de luwte’ van Platform31 (2018), waaruit zou blijken dat op dit moment ongeveer 55.000 mensen permanent in een recreatiewoning verblijven. Echter, dit onderzoek ziet alleen op de Veluwe en het getal van 55.000 wordt in het rapport niet expliciet genoemd. In haar begeleidende brief (Kamerstuk nr. 32847-452) schrijft de minister dat het onderzoek ‘niet een sluitend antwoord geeft op het aantal mensen dat exact permanent op vakantieparken verblijft’. Kan zij een actuele duiding geven bij het aantal van 55.000 en de spreiding hiervan over Nederland? Zijn er regio’s waar permanente bewoning van recreatiewoningen in hogere mate voorkomt dan andere? Welke (regionale) oorzaken heeft dit?

De minister schrijft te verwachten dat de voorgestelde wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor permanente bewoners van recreatiewoningen de drempel verlaagt om zich in te laten schrijven in de BRP, waarmee enerzijds zij toegang krijgen tot sociale voorzieningen en anderzijds gemeenten meer zicht krijgen op deze bewoners. Uit het onderzoek ‘Wonen in de luwte’ komt naar voren dat de permanente bewoners van recreatiewoningen een heterogene groep vormen. Valt er iets te zeggen over de verwachting van het aantal mensen dat zich na de wijziging Bor zal inschrijven in BRP, en de groepen die daarna nog buiten het zicht van gemeenten blijven, vragen de leden van de CDA-fractie?

De minister schetst de verschillende wijzen waarop gemeenten thans permanente bewoning van recreatiewoningen kunnen toestaan en hun nadelen: (1) wijziging van de bestemming (nadeel: tijdrovend), (2) verlening persoonsgebonden omgevingsvergunning (nadeel: hier komen weinig mensen voor in aanmerking als gevolg van peildatum 31 oktober 2003), (3) verlening persoonsgebonden gedoogbeschikking (nadeel: geeft weinig rechtszekerheid). Is bekend hoe vaak gemeenten momenteel van elk van deze instrumenten gebruik maken? Worden de nadelen door hen onderkend?

Met deze wijziging Bor wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie-Koerhuis/Van Eijs over gemeenten de mogelijkheid geven om permanente bewoning van recreatiewoningen toe te staan (Kamerstuk nr. 32847-622), die o.a. verzoekt om ‘objectgebonden vergunningen af te geven voor recreatiewoningen die voor 2019 zijn gebouwd’.

In tegenstelling tot wat de motie verzoekt, voorziet deze wijziging Bor in een eenmalig overdraagbare persoonsgebonden vergunning i.p.v. in een objectgebonden vergunning. Hebben de leden van de CDA-fractie het goed begrepen dat voor deze ‘route’ is gekozen omwille van de snelheid en om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de Omgevingswet die per 1 januari 2022 inwerking treedt? Klopt het dat gemeenten na inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen kiezen of zij een persoonsgebonden dan wel een objectgebonden omgevingsvergunning afgeven om permanente bewoning van recreatiewoningen mogelijk te maken, een keuzemogelijkheid die binnen de huidige wettelijke basis niet te realiseren is? In hoeverre zijn de individuele gemeenten bij de voorgenomen wijziging Bor betrokken geweest? Zijn gemeenten met veel recreatiewoningen actief betrokken? Kunnen gemeenten ook besluiten om niets te doen? Zo nee, waarom niet?

‘Vanwege de druk op de woningmarkt is het wenselijk om deze aanpassing vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet door te voeren’, schrijft de minister. De leden van de CDA-fractie vragen waar zij de grootste effecten verwacht? Worden die gemonitord? De VNG geeft in reactie aan ‘niet in te zien hoe deze wijziging Bor substantieel bijdraagt aan het wegnemen van de druk op de woningmarkt’, omdat het Bor al in 2022 opgaat in de Omgevingswet. Kan de minister hierop reageren?

Na de wijziging Bor mag een recreatiewoning alleen permanent worden bewoond door degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger. Volgens de VNG leidt dit tot ‘een gefragmenteerde in plaats van integrale benadering van het vraagstuk van bewoning op vakantieparken’, die ‘haaks staat op de uitgangspunten van de Nationale actieagenda en de uitvoering in de dagelijkse praktijk’. Wil de minister hierop ingaan?

Ook geeft de VNG aan dat anders dan bij de Omgevingswet de aanvraagvereiste van participatie van en overleg met derden in het voortraject bij de wijziging Bor ontbreekt. Gemeenten maken zich bovendien zorgen over de snelheid waarmee vergunningsaanvragen moeten worden beoordeeld. Hoe kijkt de minister hiernaar?

Met deze wijziging Bor kan een omgevingsvergunning niet worden verleend ‘in de nabijheid van (spoor)wegen, industrieterreinen en militaire terreinen waarbij het geluid op de gevel van de recreatiewoning de voorkeurswaarde overschrijdt’. De minister schrijft dat bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit overleg heeft plaatsgevonden met o.a. de VNG, HISWA-RECRON, gemeenten, provincies, ProRail en Rijkswaterstaat. De leden van de CDA-fractie vragen of er ook overleg is geweest met ondernemersorganisaties als MKB-Nederland, VNO-NCW Brabant, Zeeland of LTO Nederland? Hoe staan zij tegenover deze wijziging Bor? In voornoemde motie wordt gesteld dat ‘geen strengere eisen worden gesteld aan omliggende bedrijven’. Wat zijn de gevolgen van de wijziging Bor voor agrarische bedrijven met betrekking tot bijvoorbeeld de geur- en fijnstofproblematiek? Heeft permanente bewoning ook gevolgen voor stikstofberekeningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke dan?

De minister schrijft dat het de verwachting is dat de wijziging Bor zal leiden tot een incidentele toename van het aantal vergunningaanvragen, maar dat dit ‘geen structureel hogere administratieve lasten met zich mee zal brengen’. Gemeenten denken daar anders over en maken zich zorgen over grote uitvoeringslasten en gerechtelijke procedures vanwege een vermeend ‘recht op permanente bewoning’. De leden van de CDA-fractie vragen wat de minister denkt nog te kunnen doen om deze zorgen weg te nemen? Wie draait voor de kosten op?

De leden van de CDA-fractie lezen dat ‘vanuit BZK een handreiking wordt opgesteld en er een aanjaag- en expertteam in voorbereiding is om gemeenten te ondersteunen bij de transformatie van recreatieparken’. Zij zijn benieuwd wanneer beide gereed zijn?

De leden van de CDA-fractie lezen dat o.a. het IPO waarschuwt dat ‘met het in het leven roepen van de nieuwe vergunningsmogelijkheid de indruk wordt gewekt dat men een recht heeft op een omgevingsvergunning voor permanente bewoning van een recreatiewoning’, met een grote toestroom van vergunningaanvragen en hoge uitvoeringslasten tot gevolg. De minister schrijft in reactie dat ‘vergunningverlening een discretionaire bevoegdheid betreft en geenszins een automatisch recht op een omgevingsvergunning geeft’, en dat gemeenten beleidsregels kunnen stellen. Welke andere acties kan de minister zich nog voorstellen om aan de zorgen van provincies en gemeenten tegemoet komen?

Naar aanleiding van bezwaren van ProRail en Rijkswaterstaat is een artikel toegevoegd, waarin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor permanente bewoning van recreatiewoningen niet verleend kan worden ‘als op de recreatiewoning de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder of het Besluit geluidhinder voor het geluid van een weg, spoorweg of industrieterrein wordt overschreden’. Kan de minister aangeven of de bezwaren van ProRail en Rijkswaterstaat hiermee volledig zijn weggenomen?

VNG en IPO houden ernstige bezwaren tegenover deze wijziging Bor, m.n. ‘over het nut, de noodzaak en de wenselijkheid om voorafgaand aan de Omgevingswet dit te willen regelen’. Ziet de minister nog mogelijkheden om aan deze bezwaren tegemoet te komen?

Tot slot valt het de leden van de CDA-fractie op dat een aantal organisaties aangeeft teleurgesteld te zijn in het voorstel tot wijziging van het Bor, omdat dit ‘de samenwerking op het gebied van vakantieparken verstoort’. Hoe gaat de minister zich ervoor inzetten dat alle partijen zich weer achter deze aanpak scharen en de samenwerking effectief kan worden voortgezet?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorgehangen Wijziging van het Besluit omgevingsrecht in verband met de verruiming van de mogelijkheden van de omgevingsvergunning voor de bewoning van recreatiewoningen. Zij willen de minister hier over de volgende vragen stellen.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de minister aangeeft dat het ontwikkelingsperspectief voor een recreatiepark, een lokale keuze is. Wat een goede oplossing voor een park in de ene gemeente is, hoeft dat in een andere gemeente niet te zijn. De ChristenUnie ondersteunt die lijn van harte, in de actie-agenda voor vakantieparken zijn daar ook afspraken over gemaakt. Échter, deze zelfde gemeenten (Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Samenwerkingsverband Vitale Vakantieparken) geven aan niet de behoefte te hebben aan deze wetswijziging. De voorgestelde wijziging is volgens de VNG onzorgvuldig, onhelder in zijn doel, lastig uitvoerbaar en disproportioneel. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd hoe de minister gemeenten kan ondersteunen bij de uitvoering van de wetswijziging, en of er mogelijk aanpassingen moeten worden gedaan om een en ander werkbaar te maken voor gemeenten. De VNG geeft daarnaast aan dat het signaal dat bewoning van een vakantiewoning op individueel niveau kan worden geregeld met een omgevingsvergunning, het draagvlak en samenwerking in lopende projecten ondermijnt én de verdere ontwikkeling van alles wat er op het gebied van vitale vakantieparken in het land in ontwikkeling is. Dat zijn stevige bewoordingen vanuit de lokale overheden, graag een reactie van de minister.

De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de voorgestelde wijziging van de regelgeving leidt tot een gefragmenteerde in plaats van een integrale benadering van het vraagstuk van bewoning op vakantieparken, wat niet overeenkomt met de uitgangspunten van de Actieagenda. De VNG geeft aan dat de wijziging leidt tot grote uitvoeringslasten en gerechtelijke procedures. Hoeveel geld reserveert de minister voor de uitvoeringslasten en juridische procedures van gemeenten? Daarnaast vragen deze leden of dat geld structureel benodigd is, en hoe deze extra uitgaven verminderd/voorkomen kunnen worden?

De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat er gespeculeerd wordt op de mogelijke permanente bewoning van vakantiehuizen. Deze woningen liggen vaak in rustige, natuurlijke omgevingen met recreatie als duidelijk beoogd doel. Hoe wil de minister het speculeren op vakantiewoningen tegengaan? Het toestaan van permanente bewoning vergroot de stedelijke ruimte en kan ten koste gaan van de door ons zo gekoesterde recreatieve gebieden. Wat betekent de wetswijziging volgens de minister voor de recreatieve ruimte? Onderschrijft de minister recreatie en rust als intrinsiek belangrijke waarden en hoe denkt de minister deze te waarborgen op parken die voor rust en recreatie aangelegd zijn, maar waar permanente bewoning makkelijker mogelijk gemaakt gaat worden?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook enkele procedurele vragen. De voorgestelde wijziging wordt tenslotte ook grotendeels geregeld met de inwerkingtreding van de omgevingswet per 2022. De VNG ontgaat het nut, de noodzaak en de wenselijkheid om dit voorafgaand te willen regelen; de leden van de ChristenUnie-fractie vragen zich af wat de toegevoegde waarde is van deze wijziging gezien de komende invoering van de Omgevingswet. Zij vragen de minister om een reactie. Vindt de minister deze voordelen opwegen tegen de door gemeenten benoemde nadelen? Met de voorgestelde wijziging zullen gemeenten heel snel beleid moeten formuleren om vergunningaanvragen adequaat te kunnen beoordelen, binnen de gestelde termijn; vervolgens mogen gemeenten dit na de inwerkingtreding van de Omgevingswet weer herformuleren. Dit neigt volgens de leden van de ChristenUnie-fractie naar dubbel werk; kan de minister uiteenzetten hoe zij dit hoopt te voorkomen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het belangrijk dat recreatie, rust en ruimte een plek blijven hebben in Nederland. De leden van de ChristenUnie-fractie hopen dat de permanente bewoning van vakantiewoningen geen uitbreiding van het stedelijk gebied betekent en de recreatieve functie van het buitengebied onder druk zet. In hoeverre kost de wetswijziging volgens de minister banen in de recreatieve sector? En wat betekent permanente bewoning voor ondermijning op vakantieparken?

De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de woningnood ons dwingt te handelen. Veel mensen komen er niet tussen op de woningmarkt, en vakantieparken hebben een buffer-rol waar mensen zonder woning tijdelijk terecht komen. Graag een reactie van de minister hoe tijdelijk zij het vergemakkelijken van permanente bewoning op vakantieparken ziet als oplossing voor de woningnood, of dat deze van meer structurele aard is? Wanneer dat laatste het geval is, hoe denkt de minister de recreatieve functie van het buitengebied te kunnen waarborgen wanneer deze veel permanente bewoning bevat? Betekent dit dat er dan ook gewerkt moet worden aan (OV) ontsluiting van het buitengebied? Graag een reactie van de minister hoe zij dit voor zich ziet, niet alleen op de korte, maar ook de (middel)lange termijn.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.