Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Privacy bij gemeentelijk cameratoezicht

De burgemeester is op grond van artikel 172 Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare orde. Hiervoor heeft de burgemeester verschillende middelen tot zijn beschikking, waaronder de bevoegdheid om cameratoezicht in te zetten (artikel 151c Gemeentewet).

Andel, Carola van
22 september 2020

Het inzetten van cameratoezicht vraagt om bijzondere aandacht voor de privacy van de personen die door het cameratoezicht in beeld worden gebracht. Hieronder bespreken wij de voorwaarden voor het instellen cameratoezicht is toegestaan en op welke wijze de bescherming van persoonsgegevens gewaarborgd moet worden.

Bevoegdheid

De burgemeester is niet zonder meer bevoegd om cameratoezicht in te stellen. De gemeenteraad dient die bevoegdheid namelijk eerst middels een verordening vast te stellen. Dit kan door in de APV een bepaling op te nemen of door een separate verordening vast te stellen.

Nadat de raad de bevoegdheid heeft vastgelegd in een verordening, moet de burgemeester bepalen voor welke locaties en voor welke duur hij cameratoezicht zou willen instellen. Bij de inzet van cameratoezicht dient de burgemeester met een aantal zaken rekening te houden. Zo kan cameratoezicht uitsluitend worden ingezet voor zover dit is gericht op handhaving van de openbare orde. Cameratoezicht mag niet uitsluitend worden ingesteld voor de opsporing van strafbare feiten of de bescherming van eigendommen. Dit laat onverlet dat camerabeelden die zijn verzameld voor de handhaving van de openbare orde, in een later stadium wel voor strafrechtelijke doeleinden mogen worden gebruikt. Strafrechtelijke handhaving mag echter geen doel op zich zijn.

Locatie en duur cameratoezicht

Daarnaast kunnen camera’s niet op elke plaats worden opgehangen. Alleen openbare plaatsen die krachtens bestemming of vast gebruik openstaan voor het publiek mogen worden gefilmd. Een plaats staat open voor het publiek indien iedereen vrij is om er te komen en te gaan zonder dat er sprake is van bijvoorbeeld een meldingsplicht.

Tot slot mag het cameratoezicht niet voor onbepaalde tijd worden ingezet. Het is aan de burgemeester om een termijn te bepalen, met inachtneming met wat in de verordening daarover bepaald. De burgemeester treedt in overleg met de Officier van Justitie en politie in het driehoeksoverleg over de duur van het cameratoezicht. De politie wordt in het overleg betrokken omdat zij, onder gezag van de burgemeester, het cameratoezicht uitvoert.

Noodzakelijkheid

Cameratoezicht kan enkel worden ingezet voor zover dit noodzakelijk is. Dit betekent dat cameratoezicht proportioneel moet zijn gelet op het beoogde doel en dat dit doel niet op een andere minder ingrijpende wijze kan worden gerealiseerd (subsidiariteit). Cameratoezicht is dan ook niet een op zichzelf staande maatregel, maar een van de onderdelen van het handhavingsbeleid.

Het cameratoezicht blijft afhankelijk van de noodzakelijkheidseis. Zodra de noodzaak voor cameratoezicht wegvalt, moet het cameratoezicht worden beëindigd. Dit betekent dus dat periodiek gekeken moet worden of het nog steeds noodzakelijk is om het cameratoezicht te handhaven.

Gegevensverwerking

De camera’s leggen personen en daarmee persoonsgegevens vast. Dit brengt met zich dat de burgemeester aandacht moet besteden aan de bescherming van deze persoonsgegevens. Daarbij is van belang dat de burgemeester voorafgaand aan het instellen van cameratoezicht de gevolgen en de impact in kaart moet brengen middels een Data Protection Impact Assessment (DPIA). Deze verplichting vloeit voort uit artikel 35 van de AVG en de lijst van de Autoriteit Persoonsgegevens waarin het uitvoeren van een DPIA bij cameratoezicht verplicht is gesteld.

De persoonsgegevens worden in beginsel verwerkt ten behoeve van toezicht op de openbare orde. Deze persoonsgegevens zijn, volgens art. 151c lid 9 Gemeentwet, politiegegevens. Dit betekent dat voor de verwerking van deze gegevens de Wet Politiegegevens van toepassing is. In afwijking tot de bewaartermijnen uit de Wet Politiegegevens mogen de camerabeelden/politiegegevens maximaal vier weken worden bewaard. Daarna moeten de gegevens worden vernietigd. Deze vernietigingstermijn geldt niet bij een concreet vermoeden dat de beelden noodzakelijk zijn voor de opsporing van een strafbaar feit. In dat geval mogen de gegevens worden gebruikt tot het moment dat ze niet meer bruikbaar zijn voor de opsporing.

Het cameratoezicht moet daarnaast kenbaar zijn voor het publiek dat het gebied betreedt wat vastgelegd wordt met camera’s. Dit kan onder andere met borden die de bezoekers wijzen op het feit dat er cameratoezicht plaatsvindt. Deze kenbaarheidseis betekent echter niet dat de camera’s zelf zichtbaar moeten zijn.

Tot besluit

Het instellen van cameratoezicht voor de handhaving van de openbare orde vraagt om een goede voorbereiding. Met name de noodzaak van het cameratoezicht moet goed zijn onderbouwd in bijvoorbeeld het handhavingsbeleid. Daarnaast moeten de impact en gevolgen van cameratoezicht vooraf worden beoordeeld. Ook als uw gemeente op dit moment zonder DPIA cameratoezicht heeft ingesteld, is het aan te raden om de impact van het cameratoezicht alsnog te laten beoordelen.

Door Carola van Andel en Maarten van Nijendaal

Artikel delen

Reacties

Geef een reactie