Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Onteigenen nieuwe stijl: de bekrachtigingsprocedure beschouwd

De Omgevingswet is in aantocht. De ingangsdatum is vooralsnog 1 juli 2022. Deze wet verandert de onteigeningsprocedure ingrijpend. In deze bijdrage gaan wij dieper in op de bekrachtigingsprocedure. Eerder introduceerden wij de onteigeningsbeschikking en de bekrachtigingsprocedure in dit artikel. Dit is de tweede bijdrage in een reeks bijdragen waarin wij u op de hoogte stellen van veranderingen in het onteigeningsrecht.

3 augustus 2021

Hoe verloopt de bekrachtigingsprocedure?

De bekrachtigingsprocedure vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan dat de onteigeningsbeschikking heeft gegeven de rechtbank verzoekt de beschikking te bekrachtigen. Eerder beschreven wij dit nieuwe fenomeen al kort. De bekrachtigingsprocedure is bedacht zodat een rechterlijke ‘check’ wordt uitgevoerd van de beschikking. Ook als er geen bedenkingen zijn binnengekomen tegen de beschikking.

Het bekrachtigingsverzoek moet door het bestuursorgaan worden ondertekend en het orgaan moet in ieder geval het volgende aanleveren:

  • de naam en het adres van het bestuursorgaan;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van de beschikking.

Daarnaast moet het bestuursorgaan een afschrift van de onteigeningsbeschikking en de daarop betrekking hebbende stukken overleggen.[1] De rechter kan het verzoek niet-ontvankelijk verklaren als bijvoorbeeld de onteigeningsbeschikking niet wordt overgelegd. De rechter moet dan wel een hersteltermijn stellen, zodat het bestuursorgaan het gebrek van herstellen.[2]

Het bestuursorgaan moet het verzoek indienen binnen zes weken na de dag waarop de onteigeningsbeschikking ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven.[3] In die periode kunnen belanghebbenden schriftelijke bedenkingen inbrengen.[4] Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bepaalde partijen in elk geval zijn aangemerkt als belanghebbenden, bijvoorbeeld: eigenaren, erfpachters en huurders.[5]

Waar toetst de bestuursrechter aan?

De Omgevingswet bepaalt dat de rechter, ongeacht of tegen de beschikking bedenkingen zijn ingebracht, het verzoek ambtshalve moet toetsen. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af als:

  • de beschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid;[6]

  • niet wordt voldaan aan het onteigeningsbelang;[7]

  • de noodzaak tot onteigening ontbreekt;[8]

  • de urgentie ontbreekt.[9]

De laatste drie voorwaarden, het onteigeningsbelang, de noodzaak en urgentie worden ook al toegepast in de huidige onteigeningsprocedure bij de Kroon. In de huidige procedure zijn de voorwaarden alleen niet opgenomen in een wettelijke regeling. De burgerlijke rechter toetst deze voorwaarden alleen als een belanghebbende daarom verzoekt. In het nieuwe stelsel moet de bestuursrechter de voorwaarden ambtshalve toetsen, dat houdt in dat hij altijd moet toetsen of aan de voorwaarden is voldaan. Daarbij is de vraag of de toetsing door een rechter anders zal verlopen dan die door de Kroon. Wat in ieder geval zal veranderen is de mogelijkheid voor de onteigenaar om deze voorwaarden in concept voor te leggen aan het toetsende orgaan. Die zogenaamde ‘voortoets’ door de Kroon kan straks niet meer.

Moeten proceskosten worden vergoed?

De Omgevingswet bepaalt ook dat de bestuursrechter in haar uitspraak het bestuursorgaan moet veroordelen tot betaling van de proceskosten. Dit zijn de proceskosten van een belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht. Het bestuursorgaan hoeft deze kosten alleen te betalen als de kosten naar aard en omvang redelijk zijn.[10]

Het bestuursorgaan moet ook de kosten van een belanghebbende die bedenkingen heeft ingebracht betalen voor onder meer:

  • beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij het minnelijk overleg;

  • beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.

Ook voor deze kosten geldt dat de belanghebbenden deze kosten naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken.[11]

Conclusie

De Omgevingswet verandert veel in de onteigeningsprocedure, de bekrachtigingsprocedure is bijvoorbeeld nieuw. Het verloop van de bekrachtigingsprocedure is ook nieuw, het is dus afwachten hoe de procedure exact in praktijk wordt gebracht. Daarnaast moet de bestuursrechter straks het onteigeningsbelang, de noodzaak en de urgentie formeel toetsen. Daarbij is de vraag of deze toetsing door een bestuursrechter in de praktijk zal afwijken van de huidige toetsing door de Kroon. Wat in ieder geval zal veranderen is de mogelijkheid voor de onteigenaar om deze voorwaarden in concept voor te leggen aan het toetsende orgaan. Die zogenaamde ‘voortoets’ door de Kroon kan straks niet meer.

In de volgende bijdragen zullen wij onder meer ingaan op de onteigeningsakte, de schadeloosstellingsprocedure en de proceskostenveroordeling.

Zie ook

Onteigenen nieuwe stijl: beschikken en bekrachtigen

Voetnoten

[1] Art. 16.93 Omgevingswet.

[2] Art. 16.95 Omgevingswet.

[3] Art. 16.96 Omgevingswet en art. 3:44 lid 1 sub a Algemene wet bestuursrecht.

[4] Art. 16.98 Omgevingswet.

[5] Art. 16.97 Omgevingswet.

[6] Zie hiervoor ons vorige artikel.

[7] Art. 16.107 en art. 11.5 onder a Omgevingswet.

[8] Art. 16.107 en art. 11.5 onder b Omgevingswet.

[9] Art. 16.107 en art. 11.5 onder c Omgevingswet

[10] Art. 16.111 Omgevingswet.

[11] Art. 16.112 Omgevingswet.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.