Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Huib van Essen: “Het Rijk moet afspraken Klimaatakkoord voortvarender nakomen”

Als gedeputeerde van de provincie Utrecht, zet Huib van Essen zich in voor de energietransitie in de provincie. We spraken hem tijdens de Climate Miles-wandeling van Maarn naar Utrecht: hoe staat het ervoor met het klimaatbeleid in de provincie Utrecht? Wat verandert er voor klimaatmaatregelen met de Omgevingswet? Waar zet de provincie op in?

22 november 2021

Het motregent terwijl we door de Utrechtse bossen stampen en over glibberige paden manoeuvreren. Van Essen geniet er juist van: “Een wandeltocht als deze vergroot de zichtbaarheid van de klimaatopgave, de grootste opgave waar we op dit moment voor staan. Het versterkt ook het gevoel van urgentie en betrokkenheid bij iedereen. En het is natuurlijk ook gewoon leuk om een hele dag te wandelen!” Hij is een van de weinige bestuurders die daadwerkelijk de hele dag meelopen. “Ik wil wat er voor mij persoonlijk mogelijk is en wat er binnen de mogelijkheden van mijn functie ligt inzetten voor de aanpak voor klimaatverandering.” Dit is ook niet Van Essens eerste klimaattocht dit jaar. Al pratend wijst hij op de voeten van de wandelaar voor hem. “Ik zie daar ook sokken van Cycling 4 Climate, dat was 370 km fietsen. Maar om eerlijk te zijn heb ik er maar 70 van gedaan, hoor.” Lachend: “Buiten de provinciegrenzen wordt het toch wat spannend!”

Maar Van Essen kijkt in het geval van klimaatverandering wel degelijk verder dan de provinciegrenzen. Het is een wereldwijd probleem, stelt hij, “dit moeten we wereldwijd, met alle landen en alle inwoners, gaan oplossen.” En juist Nederland is bij uitstek een land dat hierin voorop moet gaan lopen, een instelling die Van Essen ook doorvoert in zijn persoonlijk leven: “We hebben zonnepanelen op het dak, de auto weggedaan en in plaats daarvan een elektrische deelauto, we eten zo min mogelijk vlees. Maar uiteindelijk kan ik in mijn functie als provinciebestuurder het meeste impact maken, door op beleidsniveau te zorgen dat de technische mogelijkheden voor iedereen toegankelijk worden, duurzaam gedrag te stimuleren en te zorgen dat dit alles vanzelfsprekend wordt.”

Technische mogelijkheden, die zijn er voldoende, vindt Van Essen. Het komt nu aan op ambities nakomen: “Een hoop landen hebben hun doelstellingen voor CO2-reductie ook al verhoogd, dat gaat in Nederland hopelijk ook gebeuren. Maar het belangrijkste is nu hoe we het gaan realiseren: de horizon staat blauw van de punten die we erop blijven plaatsen, maar het moet nu gaan om de weg ernaartoe en de maatregelen die we moeten nemen.”

De RES en de Transitievisie Warmte

Het motto van de Climate Miles is let’s accelerate, en versnellen past ook zeker in het plan van Van Essen. “Iedereen moet versnellen, ook de provincie en gemeenten. De eerste stap daarin is dat we de gemaakte afspraken gaan nakomen.” Een voorbeeld hiervan zijn de RES’en (Regionale Energiestrategie), waar onder andere gemeenten, de provincie, waterschappen en netbeheerders bij betrokken zijn. Het komende jaar moeten de plannen hiervoor nog concreter worden gemaakt: “Daar zal ik ook vanuit de provincie onze bijdrage aan leveren en ik zal partners aanspreken als ik vind dat er onvoldoende gebeurt. Maar ik heb er wel alle vertrouwen in dat we dat met elkaar gaan doen.”

Voor het einde van dit jaar moet ook de Transitievisie Warmte worden ingediend. Veel gemeenten zijn daar nu druk mee bezig en de provincie helpt daarbij: “We hebben een inventarisatie gemaakt hoe de gemeenten dat aanpakken. Je ziet daar best wel verschil in, de een is verder dan de ander. Door een overzicht te maken helpen we gemeenten beter in beeld te krijgen waar ze zelf staan, om ook goede voorbeelden van andere gemeenten daarin te kunnen benutten. We hebben onderzoek gedaan naar collectieve bronnen zoals aquathermie of geothermie – dat is soms voor een individuele gemeente wat complex of te omvangrijk om allemaal op gemeentelijke schaal te doen.”

Moeten sommige gemeenten dan nog aangespoord worden om ambitieuzer te zijn in hun klimaatbeleid? Volgens Van Essen wel, maar daar zit altijd een goede reden achter: “Het zit ’m vaak in ambtelijke capaciteiten, bijvoorbeeld kleine gemeenten met een kleine groep ambtenaren die een enorme hoeveelheid werk moet verzetten – we proberen daar ook een helpende hand te bieden. Je ziet natuurlijk wel soms verschil in ambitieniveaus tussen gemeenten.” De beschikbare menskracht en expertise zijn niet alleen struikelblokken binnen de gemeenten, maar in de gehele verduurzamingssector. “In de uitvoering wordt het ook een grote uitdaging,” stelt Van Essen. “Er moeten genoeg mensen zijn die goed kunnen isoleren, warmtepompen aansluiten, weten van elektrotechniek, ga zo maar door. Als provincie zijn we daar ook mee bezig. Eerst heette dat de Human Capital Agenda, nu de Utrechtse Talenten Alliantie – dat is een wat toegankelijkere term. Die alliantie is erop gericht ervoor te zorgen dat er genoeg mensen worden opgeleid voor de energietransitie. Bijvoorbeeld door stageplekken te creëren, starters op te leiden of mensen om te scholen.”

(foto: Huib van Essen bij de start van de wandeling)

De Omgevingswet

Als alles volgens de huidige planning verloopt, gaat de nieuwe Omgevingswet in op 1 juli 2022. Dit gaat op den duur ook invloed hebben op de inrichting van de omgevingsdiensten, zijn maatregelen op het gebied van klimaatmitigatie en -adaptatie dan makkelijker te bewerkstelligen? Van Essen: “Ik denk dat de Omgevingswet daar zeker bij kan helpen omdat we daarin op een meer integrale manier te werk gaan, dus potentie heeft het zeker. Maar het staat of valt bij hoe we het uiteindelijk gaan oppakken: het blijft mensenwerk dus het komt aan op de implementatie. Ik verwacht niet dat op 1 juli volgend jaar ineens alles anders en beter zal zijn. Het kan zelfs hier en daar voor een kink in de kabel zorgen, omdat bepaalde procedures toch veranderen.”

Tot die tijd is de provincie in ieder geval al bezig om verduurzaming te faciliteren, zoals door het convenant Duurzaam Bouwen af te sluiten. Hierin staan afspraken over de energietransitie maar ook over circulair en natuurinclusief bouwen. “Dat helpt om over gemeenten heen richting bouwers en projectontwikkelaars wat meer samen op te trekken. Het is voor projectontwikkelaars en bouwers prettig als er meer eenvormigheid is en dat ze zich beter op die specifieke manier van bouwen kunnen richten. Als er hele grote verschillen zijn tussen gemeenten en zeker als elke gemeente een andere (verduurzamings)techniek in wil zetten, dan is dat moeilijk om aan te voldoen en dan helpt het de versnelling niet.”

Participatie en energiecoöperaties

Vorig jaar, in een interview met Vakblad Wind&Zon, stelde Van Essen het doel om in 2021 een samenwerkingsverband met energiecoöperaties op te tuigen en functioneel te krijgen. Hoe staat het daar nu mee? “Ten eerste hebben we een projectleiderspool voor energiecoöperaties opgezet, maar ook financiële mogelijkheden ter beschikking gesteld, zoals een fonds voor energiecoöperaties. Dat laatste is samen met het Rijk en andere provincies opgericht, daar hebben we echte stappen in gezet.” De provincie betrekt de energiecoöperaties ook op lokaal niveau bij verschillende onderdelen van de energietransitie. “Het is belangrijk dat inwoners kunnen participeren, kunnen meedenken over waar er bij de verdere uitwerking rekening mee moet worden gehouden. Daar kunnen energiecoöperaties ook een belangrijke rol bij spelen.”

De provincie probeert ook de participatie en betrokkenheid van de inwoners te vergroten, bijvoorbeeld door tools en trainingen aan ambtenaren aan te bieden. “We hebben een tool die kan visualiseren hoe het er precies uitziet als er een windmolen in een landschap komt te staan. Dan kun je iets concreets voorleggen aan bewoners.” Op die manier helpt de provincie bij het samenbrengen van inwoners en gemeenten, maar ook bij gemeenten onderling, denk aan projecten die in de buurt van gemeentegrenzen liggen: “Daar zijn we een verbindende factor. Je ziet toch vaak dat in gebieden die niet in de kern van een gemeente liggen, er vaak mogelijkheden zijn voor het opwekken van energie en dat het daar het minste overlast oplevert. We helpen gemeenten dan door een bovengemeentelijke rol te vervullen. Zo bevorderen en motiveren we samenwerking, maar je maakt er ook echt een gezamenlijk project van. Iedere gemeenteraad vraagt ook terecht hoe het zit met de plannen van de aangrenzende gemeenten. Als je dat in het begin gelijk samen oppakt, leidt het uiteindelijk tot een preciezer plan en een betere uitvoering.”

Uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord

Voor Van Essen ligt de nadruk nu dus op de daadwerkelijke uitvoering, waarbij een goede samenwerking tussen het Rijk, provincies en gemeenten onmisbaar is. Echter, binnen deze samenwerking is volgens Van Essen ruimte voor verbetering: “Als ik kijk naar het huidige Klimaatakkoord en de gemaakte afspraken, ben ik op onderdelen wel teleurgesteld over de manier waarop en traagheid waarmee daar vanuit het Rijk invulling aan wordt gegeven.” Zo is er in het Klimaatakkoord afgesproken dat alle decentrale overheden voor de uitvoeringskosten middelen vanuit het Rijk krijgen. “Die middelen voor dít jaar zijn pas met Prinsjesdag, september dit jaar, beschikbaar gekomen. Terwijl we weten dat we tot 2030 nog wel bezig zijn.”

Volgens Van Essen is het een lastige positie voor de provincies en gemeenten: het Klimaatakkoord is door iedereen ondertekend en de decentrale overheden moeten vervolgens wachten tot er genoeg middelen beschikbaar zijn. “Ik snap daar niks van, en ik hoop dat het nieuwe kabinet heel snel over de brug komt want dit helpt niet bij gemeenten en provincies. Het is simpelweg afspraken nakomen – daar mogen wij als provincies en gemeenten op aangesproken worden want wij hebben ook getekend voor het Klimaatakkoord om onze bijdrage te leveren, maar dat verwacht ik ook van partners. En ik vind dat het Rijk op een aantal punten eigenlijk tekortschiet en voortvarender de afspraken moet nakomen.”

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.