Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Geelgroen huis in Den Helder in ernstige mate in strijd met de redelijke eisen van welstand

In de gemeentelijke welstandsnota staan criteria waaraan het uiterlijk van bestaande en nieuw te bouwen woningen dienen te voldoen: de redelijke eisen van welstand. Voor bestaande woningen geldt dat zij niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met deze eisen. Welstandsexcessen zijn met andere woorden uitgesloten. In de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 was de vraag aan de orde of een geelgroen geverfde woning in Den Helder terecht als een dergelijk welstandsexces is aangemerkt.

Span, Anne-Marie
3 augustus 2020

Blog

Blog

Aanleiding

In september 2017 heeft een toezichthouder van de gemeente Den Helder naar aanleiding van een melding geconstateerd dat een woning in de wijk Boatex ‘fel lichtgroen’ is geschilderd. Vanwege deze constatering is de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) gevraagd om het uiterlijk van de woning te beoordelen. Dit advies viel negatief uit: volgens de CRK kan de kleur van de woning worden aangemerkt als een welstandsexces en dat is in strijd met artikel 12 lid 1 Woningwet. Het College heeft de bewoonster van de woning daarom op 9 oktober 2017 verzocht de woning in een andere kleur te schilderen. Zij heeft dit geweigerd.

Naar aanleiding van deze weigering heeft de CRK de woning uitvoeriger beoordeeld. In het kader van die beoordeling overweegt de CRK onder meer “dat de kleur die aangebracht is veel te fel is, gezien het samenhangende en harmonieuze bebouwingsbeeld van de wijk”. Overige woningen die in een kleur geschilderd zijn, waarvan een aantal niet het predicaat “licht gekleurd” verdient, hebben volgens het CRK niet dezelfde intensiteit. Die woningen worden wel als niet passend, maar niet als exces gezien. De CRK blijft dan ook bij zijn conclusie dat sprake is van een welstandsexces.

Het college van burgemeester en wethouders (het College) heeft naar aanleiding van dit advies op 5 juli 2017 een last onder bestuursdwang opgelegd. De bewoonster is daarbij opgedragen vóór 1 oktober 2018 de woning over te schilderen in een andere kleur. In bezwaar is deze last bij besluit van 5 juli 2018 door het College in stand gelaten.

Juridisch kader

Op grond van artikel 12 lid 1 Woningwet mag het uiterlijk van bestaande bouwwerken – met uitzondering van bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden bouwwerken, die op grond van de omgevingsvergunning slechts voor een bepaalde periode in stand mogen worden gehouden – en nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2.1 lid 3 Wabo, niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Die redelijke eisen van welstand zijn op grond van artikel 12a lid 1 Woningwet neergelegd in de gemeentelijke welstandsnota.

Is een bestaand bouwwerk wel in strijd met de gemeentelijke welstandsnota dan kan het bevoegd gezag op grond van artikel 15 Woningwet een last onder bestuursdwang dan wel last onder dwangsom op te leggen.

Welstandsnota Den Helder 2015

In de Welstandsnota Den Helder 2015 staat over de wijk waarin de woning van de bewoonster is gelegen dat “[d]oor de geïsoleerde ligging en toegepaste architectuurstijl met licht gekleurde gevels (…) de wijk een zelfstandig karakter [heeft]“. Eigentijds materiaal- en kleurgebruik is mogelijk, maar geen sterk contrasterende of felle kleuren. Voor de vraag of sprake is van een exces wordt het criterium gehanteerd “dat bij een bouwwerk of deel daarvan sprake moet zijn van onmiskenbare strijdigheid met de in deze nota opgenomen criteria, en/of een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied“. Een exces heeft volgens de nota onder meer vaak betrekking op “toepassing van felle of contrasterende kleuren op gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte” of “een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is“.

Beroep bij de Afdeling

De bewoonster betwist dat de fel lichtgroene kleur een exces is in de zin van de welstandsnota. Zij verwijst daarvoor naar een door haar overgelegd tegenadvies. In dat advies staat dat de kleur van de voor- en achtergevel van haar woning in harmonie is met de historische omgeving. Tevens wordt opgemerkt dat enkele woningen op dit moment zelfs bordeauxrood of heel donkergrijs tot zwart zijn. In het tegenadvies wordt dan ook de conclusie getrokken dat de kleur groen van de woning niet in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Naar oordeel van de bewoonster handelt het College door het opleggen van een last onder bestuursdwang daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur.

De Afdeling stelt naar aanleiding van dit betoog voorop dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige – in het voorliggende geval de CRK – mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de voornoemde punten naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.

Gezien dit uitgangspunt benadrukt de Afdeling dat het dan ook niet gaat om de vraag of de kleur van de voor- en achtergevel van de woning van bewoonster mooi of vrolijk is. Dat is immers subjectief. De Afdeling beoordeelt slechts of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het College zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kleur van de voor- en achtergevel in ernstige mate niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daarbij is van belang of het College zich in dit geval op de adviezen van de CRK mocht baseren en of de welstandsnota juist is toegepast.

De Afdeling overweegt vervolgens dat het College zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kleur van de voor- en achtergevel een welstandsexces is. Uit de welstandsnota volgt dat gekleurde gevels weliswaar karakteriserend zijn voor de wijk Boatex, maar dat dit alleen geldt voor licht gekleurde gevels en niet voor felle of sterk contrasterende op de gevels aangebrachte kleuren. Niet gebleken is dat in de welstandsadviezen van de CRK een onjuiste toepassing is gegeven aan de in de welstandsnota neergelegde criteria. De omstandigheid dat er in de omgeving van het perceel gevels zijn die geen lichte kleur hebben, maakt niet dat de gevels van de woning van de bewoonster in de omgeving passen, of dat het College niet handhavend mocht optreden. In het overgelegde tegenadvies ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de adviezen van de CRK op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, dat de daarin gegeven redenering niet begrijpelijk is of de daarin getrokken conclusies daarop niet zouden aansluiten. Dit betekent dat het College, onder verwijzing naar de adviezen van de CRK, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een welstandsexces en het beroep van de bewoonster niet slaagt.

Observaties

Deze uitspraak maakt inzichtelijk welke toets de Afdeling uitvoert in het geval artikel 12 lid 1 Woningwet in het geding is. De Afdeling beoordeelt dan slechts of de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat het College zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uiterlijk van de woning in kwestie in ernstige mate al dan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De Afdeling beantwoordt deze vraag blijkens voorliggende uitspraak door te kijken of het College in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen. De zorgvuldig- en begrijpelijkheid van het betrokken deskundigenadvies staat daarbij centraal. Dit is in lijn met eerdere jurisprudentie waarbij de Afdeling ook veel waarde hecht aan het uitgebrachte deskundigenadvies en de betwisting van dat advies door appellanten (zie o.a. ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4070).

Goed om op te merken hierbij is dat artikel 12 lid 1 Woningwet betrekking heeft op bestaande woningen. Voor die woningen geldt de vraag of het uiterlijk van de woningen in “ernstige mate” in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Voor nog te bouwen woningen geldt op grond van artikel 2.10 lid 1 onder d Wabo dat in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen wordt getoetst of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in “strijd” is met redelijke eisen van welstand. Voor nog te bouwen woningen geldt dus een strenger vereiste. De toets die de Afdeling uitvoert is echter hetzelfde. Ook in het kader van mogelijke strijd met artikel 2.10 lid 1 onder d Wabo beoordeelt de Afdeling of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich – veelal onder verwijzing naar een advies van een deskundige commissie – in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand (zie o.a. ABRvS 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1730).

Voor het college is het dan ook zaak na te gaan of te betrekken deskundigenadviezen voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en of ze begrijpelijk zijn. Voor eventuele appellanten geldt dat zij concrete aanknopingspunten moeten bieden voor twijfel aan die zorgvuldig- en/of begrijpelijkheid. Worden die niet geboden, dan mag het bevoegd gezag zich in de regel op het advies baseren.

Gegevens uitspraak

ABRvS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1659
Zaaknummer 201907652/1/R1

Artikel delen

Reacties

Geef een reactie