Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Gasprijs en warmteprijs: wie redt dit koppel uit een aflopend huwelijk?

Huishoudens met stadsverwarming zullen het nog even moeten doen met een hogere warmteprijs. De voorgenomen ontkoppeling van de gas- en warmteprijs zou zijn vertraagd, omdat minister Jetten in de nieuwe Warmtewet ook afspraken wil maken over het eigenaarschap van de warmtenetten (NOS, vrijdag 13 mei 2022).

20 mei 2022

Het bericht van NOS vraagt ten eerste om een nuancering. Dat de nieuwe Warmtewet op zijn vroegst in 2023 in werking zou kunnen treden is geen nieuws. Al in de beantwoording van 10 februari 2022 op vragen van Kamerleden Erkens en Boucke werd de verwachting uitgesproken pas eind 2022 een wetsvoorstel aan te kunnen bieden aan de Kamer. En dan duurt het ook nog even voordat het voorstel tot wet wordt geslagen.

Om de prijs van gas en warmte los te koppelen is een wetswijziging nodig. De Warmtewet bepaalt dat de ACM de maximumprijs vaststelt voor de levering van warmte. De maximumprijs is nu nog gebaseerd op de integrale kosten die een verbruiker zou moeten maken voor het verkrijgen van dezelfde hoeveelheid warmte bij het gebruik van gas als energiebron. Deze consumentenbeschermingsmaatregel staat ook wel bekend als het Niet-Meer-Dan-Anders-principe. Daarnaast mogen warmteleveranciers slechts een redelijk rendement halen. Warmteklanten kunnen immers niet overstappen van leverancier, zoals dat bij gas en elektriciteit wel kan.

Mede door het verminderd gebruik van Gronings gas, hogere belastingen en de Rusland-situatie is de gasprijs extreem gestegen de afgelopen jaren. Bijzondere omstandigheden, maar op zichzelf is een fluctuatie van de maximumprijs voor warmte vanwege wijzigingen in de gasprijs voorzien door de wetgever van de huidige Warmtewet. De koppeling is gemaakt omdat de vrees bestond dat leveranciers hoge kosten zouden doorberekenen aan de klant in de beginjaren toen warmteleveranciers weinig rendement maakten. Zoals de wetgever van de Warmtewet het verwoordde in 2003: “[Het] wordt verzekerd dat wijzigingen in de gasprijs hun doorwerking krijgen in de aan kleinverbruikers door te berekenen maximumprijzen. Bij stijging van de gasprijs zal de maximumprijs voor levering van warmte dus toenemen. Daarentegen zal een lagere gasprijs zich vertalen in een lagere maximumprijs.” Die verzekering wordt nu dus steeds meer als een last ervaren. Dat neemt overigens niet weg dat er ook voordelen zijn geweest voor consumenten aan de koppeling. De regering bemerkt echter dat de koppeling uiteindelijk niet goed is voor het draagvlak voor de energietransitie, en meer transparantie over de prijzen alsook reëlere prijzen wenselijk zijn.

In de praktijk kunnen warmtebedrijven overigens maar tot op zekere hoogte sturen in de prijs. De kosten van warmtelevering zijn vaak direct en indirect gekoppeld aan de gasprijzen. Zo heeft aardgas direct als warmtebron of back-up warmtebron en indirect via de SDE++-subsidies invloed op de prijs. Onder meer die koppeling aan de SDE++ leidt tot Catch 22-situaties: de warmteprijs moet omhoog, en de (ook) gekoppelde subsidie gaat omlaag. Als je als warmteleverancier de prijs al zou willen verlagen of bevriezen, dan schiet je jezelf in de voet omdat je subsidiebedrag omlaag gaat in de veronderstelling van SDE++ dat je meer ontvangt door het hogere maximumtarief. En dan zijn veel afspraken ook nog eens gecontracteerd. Overigens hebben de meeste warmtebedrijven gehoor gegeven aan de oproep niet tegen de maximumprijs aan te rekenen en blijven die daar relatief ver onder, slechts een enkeling zit wel tegen het maximum aan.

Over het eigenaarschap worden op dit moment heftige discussies gevoerd. Ter herinnering, in het consultatievoorstel voor de Wet collectieve warmtevoorziening staat het uitgangspunt dat het economisch eigendom van het warmtenet dient te berusten bij een aangewezen warmtebedrijf. Dit overigens met nog wel de mogelijkheid van een variatie aan rechtsvormen en (publiek-private) samenwerkingsverbanden. Naar aanleiding van pushback van stakeholders werden daar nog enkele samenwerkingsvormen expliciet aan toegevoegd door de minister, in de vorm van ten eerste een integraal verantwoordelijk warmtebedrijf en een warmtenetbedrijf dat over het economisch eigendom beschikt, en ten tweede een integraal verantwoordelijk warmtebedrijf, dat is vormgeven als een warmte joint-venture waarbinnen een warmteleveringsbedrijf en een warmtenetbedrijf samenwerken. Deze ‘modellen’ zijn en worden nog verder uitgewerkt en besproken. Je zou denken dat de vraag over de loskoppeling en een reëel warmtetarief losstaat van het eigenaarschap. Je zou dus de communicatie over keuzes inzake NMDA niet per definitie parallel hoeven laten lopen met die over het eigenaarschap, maar daar wordt kennelijk anders over gedacht op het ministerie.

De belangen zijn groot, voor overheden, warmtebedrijven, netwerkbedrijven/netbeheerders, eigenaren en consumenten. Dat deze wetsoperatie wat langer duurt is niet vreemd, de nieuwe warmtemarktordening is ambitieus en partijen lijken zich in te graven. Het is echter wel duidelijk dat de patstelling waar wij ons nu in bevinden ook slecht is voor de investeringsbereidheid en het vertrouwen in de energietransitie. Er komen op dit moment projecten stil te liggen en we hadden al te kampen met een afkalvend regelgevend klimaat in Nederland. Het mooie hier is dat het terugwinnen van het vertrouwen in het regelgevend klimaat ook goed is voor het eigenlijke klimaat. Bij deze dus de oproep de discussies te voeren op basis van consistentie, expertise en positieve relaties (The 3 Elements of Trust, HBR 5 februari 2019).

Zie ook

Warmteleveranciers blijven gemiddeld 18% onder maximumtarieven, van misbruik lijkt geen sprake

Antwoorden op Kamervragen over hoge energierekening bij warmtenetwerken

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.