Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Frank Verhoeven over de geschiktheid van de ‘Afrekenbare StoffenBalans’ in het eindadvies van commissie-Remkes

Deze zomer laten we verschillende experts aan het woord over de stikstofkwestie. In het Eindadvies ‘Niet alles kan overal’ introduceert de commissie-Remkes “de Afrekenbare Stoffenbalans” als instrument en oplossing voor een emissiearme landbouwsector. Is dit instrument geschikt? We vroegen het Boerenverstand, een adviesbureau dat zich inzet voor duurzamere landbouw.

Verhoeven, Frank
21 augustus 2020

Artikelen

Artikelen

“De Afrekenbare StoffenBalans”

De Afrekenbare StoffenBalans is een door de commissie-Remkes voorgestelde methoden ‘mineralen in balans’ te krijgen. Deze Afrekenbare StoffenBalans moet zoveel als mogelijk gebaseerd zijn op actuele metingen, vanuit het principe van ‘meten is beter weten’. Het kan een katalysator zijn om de kringlooplandbouw met maatwerk in de praktijk te brengen. Er is door Remkes geen blauwdruk voor uitgewerkt, maar er worden in het Eindadvies wel een aantal hoofdlijnen genoemd. Daarbij wordt nadrukkelijk verwezen naar het eerdere Mineralen Aangifte Systeem (MINAS) [1], dat voor velen nog wel bekend is. Hier gaat het om een verbeterde versie daarvan.

Wat eraan voorafging

In Nederland gaat het al sinds de jaren negentig over de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij. Men spreekt dan over reactieve stikstof (ammoniak) en over de depositie daarvan op kwetsbare natuur. De aanpak van de problematiek is sindsdien onderdeel van debat tussen landbouwsector en overheid. In algemene zin koos men voor “end-of-pipe” maatregelen, zoals het aanpassen van stalsystemen en mestaanwending. Deze maatregelen zijn wetenschappelijk onderbouwd en eenvoudig controleerbaar door de overheid. De overheid stelde vervolgens een subsidieregeling beschikbaar om de maatregelen voor de boer te bekostigen. Kort gezegd: de stallen moesten zo luchtdicht mogelijk en de mest moest zo snel en zo diep mogelijk de grond in.

Vanaf het begin, dus sinds de jaren negentig, kennen we een groep “kringloopboeren” die zich tegen het voorgaande verzet heeft. Die boeren zijn bijzonder zuinig op hun bodems en injecteren daarin liever geen drijfmest. Ook bouwen ze liever een strostal of waarderen ze hun eigen mest op door er compost van te maken. Op plotniveau verdwijnt bij bovengronds mest uitrijden 78% van de minerale stikstof naar de lucht versus 15% bij het zodebemesten. Uit een strostal ontsnapt dertien kg ammoniak/dierplaats/jaar, versus vier kg uit een dichte stal met een luchtwasser. Boeren worden verplicht gesteld de mest “emissiearm" aan te wenden en de stal "emissiearm” aan te passen. Dat heeft de sector gigantisch veel geld gekost, maar daar zijn de afgelopen 25 jaar ook door de overheid gigantische subsidies tegenover gezet. Sterker nog: er staan de komende jaren nog honderden miljoenen overheidsgelden klaar om op dit spoor verder te gaan.

De kern van het probleem

Problematisch aan het verhaal is dat er in al de voorafgaande jaren nooit structureel bij de bron is ingegrepen. Wat er aan stikstof het bedrijf niet in komt, gaat er ook niet uit. En als ontlasting en urine van elkaar gescheiden zouden blijven, zou er nauwelijks ammoniak ontstaan. Een uitzondering hierop bestond in de periode 1998-2003, toen de sector via een mineralenbalans de totale stikstofbedrijfsoverschotten moest reduceren. Dit kwam vaak neer op een vermindering van 400 kg stikstofoverschot per hectare of meer naar minder dan 180 kg stikstof per hectare. De “kringloopboeren” floreerde in deze periode, omdat zij lieten zien dat met minder input van kunstmest- en krachtvoerstikstof (eiwit) niet alleen milieuwinst, maar ook economische winst te halen was. Liever molken zij een koe meer zodat zij hun bedrijfseigen stikstof (grasland) beter konden benutten en minder krachtvoer hoefden aan te kopen. Ook hadden zij liever meer eigen mest om vervolgens minder kunstmest aan te kopen. Dit geeft al aan dat een eenzijdig focus op minder dieren (halvering veestapel) niet zomaar een oplossing is, want dan gaat de productie per dier omhoog en dus ook de externe (stikstof) input. Een systeemverandering blijft dan uit.

Inmiddels rekenen we met ammoniak tot cijfers achter de komma. De commissie-Hordijk concludeerde recent dat de rekenmethode voor ammoniak "gelijkwaardiger, transparanter en robuuster” moet worden gemaakt [2]. Het probleem ligt naar mijn opvatting vooral bij de transparantie. Wanneer je eigen belastingaangifte door een mysterieus model wordt gehaald, ga je daar ook niet zomaar mee akkoord. De “oude” mineralenbalans, de MINAS, of zoals de commissie-Remkes het noemt: de “afrekenbare stoffenbalans” geeft invulling aan de wens om vooral simpeler te sturen op stikstof: optellen en aftrekken.

Visie en aanbevelingen

Naar mijn opvatting gaat deze “Afrekenbare Stoffenbalans” weer nieuw perspectief bieden. Minder stikstofverliezen realiseren door minder stikstof aan te kopen zorgt ook voor een kostenbesparing. Dat laatste kan ook een dooddoener zijn, dus werken we op dit moment al in verschillende provincies aan beloningsregelingen. Hierbij geldt: hoe lager het stikstofbedrijfsoverschot, hoe hoger de beloning. Omdat de boer uiteindelijk met veel minder stikstof kan boeren denken wij dat dit de meest sympathieke methode is om boeren te ondersteunen in deze transitie. De door Schouten voorgestelde "kennisvouchers” van 1500 euro lijkt ons een verkeerd signaal, zeker met inachtneming van alle boerenprotesten en het feit dat juist de landbouw al zoveel gedaan heeft om stikstof te reduceren. Dit zal naar verwachting geen enkele boer in Nederland stimuleren over te gaan tot actie. Voor de regeling agrarische bedrijfsadvisering is nu 45 miljoen euro beschikbaar van de totaal 73 miljoen euro die beschikbaar is voor de stikstofbronmaatregel “verlaging ruw eiwit in veevoer”. Ons voorstel zou zijn om die volledige 45 miljoen in een beloningsregeling te stoppen. Dat geld keren we vervolgens uit aan de bedrijven die voldoen aan bovenwettelijke stikstofmaatregelen, zoals een bovengemiddelde score op de afrekenbare stoffenbalans en bijvoorbeeld het toepassen van meer weidegang. De premie moet voldoende hoog zijn om te kunnen stimuleren.

Zolang er geld in de pot blijft kan deze aanpak jarenlang gaan gelden. Het staat andere belanghebbenden, zoals provincies en waterschappen, natuurlijk ook vrij de pot verder te spekken. Op deze manier werk je structureel en bedrijfsspecifiek aan het verminderen van de stikstofuitstoot. De boer kan met zijn eigen boerenverstand of met hulp van een adviseur of cursus aan de slag. Als je bovenwettelijk scoort op deze eenvoudige “input-output stoffenbalans", heb je de stikstofpremie verdiend. Deze aanpak toont wat ons betreft meer respect voor de boer als professioneel ondernemer. Wat ons betreft gaat het zo snel mogelijk van start!

Voetnoten

[1] Zie: https://www.clo.nl/indicatoren/nl040005-wettelijke-normen-meststoffen#:~:text=Per%201%20januari%201998%20is,of%20stikstof%20vastgestelde%20verliesnorm%20overschrijdt

[2] Lees hier het Eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof

Ir. Frank Verhoeven is eigenaar van Boerenverstand. Geboren en getogen op een melkveehouderijbedrijf in Udenhout (nabij Tilburg) en via MAS Boxtel en HAS Den Bosch naar Wageningen Universiteit geklommen. Afgestudeerd als landbouwkundig ingenieur in 1997 en in 2005 gestart met het bedrijf Boerenverstand Consultancy. Frank is na zijn afstuderen zijn carrière begonnen bij de leerstoelgroep Rurale Sociologie van Wageningen Universiteit, waar hij op dit moment nog verbonden is als gastmedewerker Europese plattelandsontwikkeling.

Artikel delen

Reacties

Geef een reactie