Menu

Zoek op
rubriek

Dirk Sanderink over het omgevingsplan

Volgens de huidige planning treedt op 1 januari 2022 de Omgevingswet in werking. Deze wet brengt grote veranderingen in het omgevingsrecht. Op gemeentelijk niveau is de invoering van het omgevingsplan de belangrijkste wijziging. Het omgevingsplan zal op gemeentelijk niveau het centrale instrument voor de regulering van de fysieke leefomgeving zijn.

29 december 2020

Het omgevingsplan moet op grond van art. 4.1 lid 1 Omgevingswet regels bevatten over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Ingevolge art. 4.2 lid 1 Omgevingswet dient het omgevingsplan in ieder geval de regels te bevatten die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het omgevingsplan wordt daarmee de opvolger van het huidige bestemmingsplan, maar deels ook van gemeentelijke verordeningen.

Anders dan bestemmingsplannen kunnen omgevingsplannen gebodsbepalingen bevatten. Omgevingsplannen kunnen grondgebruikers (anders dan bestemmingsplannen) dus verplichten bepaalde activiteiten op hun gronden te verrichten. De gebodsbepalingen die in een omgevingsplan opgenomen kunnen worden, zijn zeer verschillend.

Anders dan bestemmingsplannen hoeven omgevingsplannen geen (in de tijd onbeperkt) standaardovergangsrecht meer te bevatten op grond waarvan grondgebruikers hun bestaande (legale) activiteiten op hun gronden mogen voortzetten tot het moment waarop zij de bouwwerken en/of activiteiten op hun gronden vrijwillig zelf in overeenstemming brengen met de gewijzigde regels van het omgevingsplan (bijvoorbeeld door een nieuw toegekende functie zelf te realiseren) of waarop de overheid de grond koopt of onteigent om de bouwwerken en/of activiteiten op die gronden daarmee in overeenstemming te brengen. Bestaande (legale) bouwwerken en bestaande (legale) activiteiten op gronden van grondeigenaren die door een wijziging van het omgevingsplan in strijd komen met het omgevingsplan mogen na de inwerkingtreding daarvan slechts blijven bestaan, voor zover de planwetgever daarvoor in het omgevingsplan in een overgangstermijn heeft voorzien.

Het proportionaliteitsvereiste van art. 1 Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel stellen grenzen aan de bevoegdheid van de planwetgever om grondgebruikers te verplichten bepaalde activiteiten op hun gronden te verrichten (gebodsbepalingen) en om hen te verbieden bestaande (legale) bouwwerken voort te laten bestaan en/of bestaande (legale) activiteiten voort te zetten (verbodsbepalingen).

Dirk Sanderink heeft in het vaktijdschrift Overheid en Aansprakelijkheid een artikel geschreven over de potentieel benarde rechtspositie waarin grondgebruikers terecht kunnen komen, indien de bestaande bouwwerken en/of bestaande activiteiten op zijn grond door een wijziging van het omgevingsplan illegaal worden en de nieuwe gebodsbepaling of verbodsbepaling in het (gewijzigde) omgevingsplan dermate ver gaat dat van de grondeigenaar op grond van art. 1 EP, het evenredigheidsbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel niet gevergd kan worden dat hij de bestaande bouwwerken en/of bestaande activiteiten op zijn grond in overeenstemming brengt met die gebodsbepaling of verbodsbepaling. Sanderink betoogt dat de overheid de grond dan moet verwerven om de bouwwerken en/of activiteiten op die grond daarmee in overeenstemming te brengen, tenzij de grondeigenaar bereid is daartoe vrijwillig over te gaan (zelfrealisatie).

De eigenaar die niet bereid is daartoe vrijwillig over te gaan, komt in een dergelijke situatie echter in een benarde dwangpositie te verkeren. Op het moment van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan of na afloop van de daarin opgenomen overgangstermijn, moet hij de bestaande activiteiten immers beëindigen op straffe van bestuurlijke en mogelijk zelfs strafrechtelijke sancties. Hij is dus afhankelijk van de overheid die hem tijdig uitkoopt of onteigent. In de huidige praktijk gaan overheden daartoe echter lang niet altijd over, als de planwetgever een bestemmingsplan heeft gewijzigd. De grondeigenaar zou daarom een effectief rechtsmiddel moeten hebben om de overheid te dwingen tot aankoop of onteigening over te gaan. In het artikel onderzoekt Sanderink of grondeigenaren naar Nederlands recht over een effectief rechtsmiddel beschikken om de overheid daartoe te dwingen en, zo nee, hoe op andere wijze de belangen van grondeigenaren in dergelijke situaties behoorlijk beschermd kunnen worden.

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.