Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

De avondklok: grondslag en gevolgen

Dit artikel is een vervolg op ‘Het instellen van een avondklok: hoe werkt dat juridisch?’ van Jan van der Grinten en Laura van Moorsel. Zij bespraken daarin het voornemen van het kabinet een avondklok in te stellen op basis van artikel 8 Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (hierna: “Wbbbg”).

26 januari 2021

Grondslag

Inmiddels is de avondklok een feit. Door de publicatie van het vereiste koninklijke besluit (hierna: ‘kb’) op de website van de rijksoverheid zijn het eerste en derde lid van artikel 8 Wbbbg geactiveerd. Het eerste lid regelt de bevoegdheid van de minister van Justitie en Veiligheid om ‘het vertoeven in de open lucht te beperken’. Het derde lid verschaft hem de bevoegdheid om in spoedeisende gevallen af te wijken van de amvb uit 1953 die op grond van artikel 8 lid 2 Wbbbg is vastgesteld. Deze amvb stelt nadere regels over de uitoefening van de bevoegdheid om het vertoeven in de buitenlucht te beperken, waaronder een aantal uitzonderingsgevallen.

Bij de ministeriële regeling Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 is de avondklok ingesteld. In artikel 6 van deze regeling wordt de amvb uit 1953 buiten werking gesteld, waardoor de daarin geregelde uitzonderingsgevallen niet van toepassing zijn.

De Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 regelt de inhoud van de inhoud van de avondklok en bepaalt welke uitzonderingen van toepassing zijn. Ik bespreek dit hieronder.

Inhoud en uitzonderingen avondklok

Inhoud

De avondklok geldt voor het grondgebied van het Europese deel van Nederland met ingang van 23 januari 2021 om 21.00 uur tot 10 februari 2021, 04.30 uur. Op grond van artikel 1 van de regeling is het verboden om ‘tussen 21.00 uur en 04.30 uur te vertoeven in de openlucht’. Vertoeven in een openluchtgedeelte in de eigen woning (zoals balkon of dakterras), in de tuin of in het woongedeelte van een voertuig of vaartuig is wel toegestaan (artikel 2).

De regeling kent verschillende categorieën uitzonderingen (artikelen 3 en 4). Voor een aantal uitzonderingsgevallen is het nodig om een ‘eigen verklaring’ of een werkgeversverklaring bij zich te hebben. Hiervoor moet gebruik gemaakt worden van de formulieren die in de bijlagen van de regeling gevoegd zijn en die te downloaden zijn van de website van de rijksoverheid.

Uitzonderingen zonder verplichting van werkgeversverklaring of eigen verklaring

Een aantal in artikel 3 lid 1 genoemde beroepsbeoefenaren voor wie het noodzakelijk is dat zij voor de uitoefening van hun ‘kennelijke functie’ tussen 21.00 en 04.30 uur in de openlucht vertoeven, hoeven geen werkgeversverklaring of eigen verklaring bij zich te dragen. Met ‘kennelijke functie’ wordt bedoeld dat het voor een handhaver eenvoudig vast te stellen is dat dat hij iemand tegenover zich heeft die een van de hierna opgesomde functies heeft en daarvoor op pad is. Het gaat om politieambtenaren, opsporingsambtenaren, brandweermedewerkers, ambulancemedewerkers en degenen die openbaar vervoer, taxivervoer, luchtvaartvervoer, personenvervoer per veerboot of passagiersschip, internationaal vervoer van goederen over de weg, het spoor of het water verzorgen.

Ook personen in een ‘noodsituatie’ hoeven geen eigen verklaring bij zich te dragen (artikel 3 lid 2 onder a). Met een noodsituatie wordt gedoeld op een situatie waarin men plotseling om een dringende serieuze reden buiten moet zijn. Denk bijvoorbeeld aan een spoedbevalling, een ongeluk in de huiselijke sfeer, ernstige familieomstandigheden, pech onderweg of het ter plaatse moeten komen als sleutelhouder na een alarmmelding.

Ook mensen die een reis vanuit het buitenland of het Caribisch deel van Nederland maken hebben geen eigen verklaring nodig (artikel 3 lid 2 onder b). Wel moeten er reisbescheiden of andere bescheiden overgelegd kunnen worden als het gaat om een inkomende reis met een vliegtuig of internationale trein (artikel 5 lid 3).

Dak- en thuislozen die geen gebruik maken van maatschappelijke opvang, personen die individueel een aangelijnde hond uitlaten of die onder begeleiding worden vervoerd, bijvoorbeeld van cel naar rechtbank (artikel 3 lid 2 onder c en d), hebben ook geen eigen verklaring nodig.

Uitzonderingen met eigen werkgeversverklaring of eigen verklaring

Het is toegestaan om buiten te zijn voor het verrichten van noodzakelijke beroepsmatige werkzaamheden. Het gaat om werk waarvoor men tijdens de avondklok naar buiten moet en dat geen uitstel verdraagt. Voor deze categorie is een werkgeversverklaring én een eigen verklaring van de werknemer nodig (artikel 4 onder a).

Verder geldt een categorie uitzonderingsgevallen waarvoor een eigen verklaring nodig is (artikel 4 onder b). Het gaat (naast werk) om gevallen waarin er voorzienbare en dringende redenen zijn om tussen 21.00 en 04.30 uur buiten te zijn. Het gaat om personen die

  • medische hulp moeten verlenen aan zichzelf of een dier of (ook niet-medische) hulp moet verlenen aan een hulpbehoevende persoon;

  • moeten reizen naar het buitenland of het Caribische deel van Nederland (extra eis: reisbescheiden of andere bescheiden waaruit de noodzaak blijkt; artikel 5 lid 3);

  • aanwezig moeten zijn bij een uitvaart;

  • aanwezig moeten zijn bij een bijeenkomst die plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van een rechterlijk ambtenaar of waar hij wordt gehoord in verband met een bezwaarschrift of administratief beroep;

  • aanwezig moeten zijn bij een liveprogramma (extra eis: uitnodiging van de omroep moet de getoond kunnen worden artikel 5 lid 4);

  • een examen of tentamen in het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs of het wetenschappelijk onderwijs moeten afleggen (extra eis: schriftelijk stuk over plaatsvinden tentamen of examen, waaruit ook de noodzaak van het vertoeven op die tijd en plaats blijkt; artikel 5 lid 5).

Schending van de avondklokregels

Het niet-naleven van de avondklok is handelen in strijd met een beperking of verbod als bedoeld in artikel 8 lid 1 Wbbbg. Hierop staat bestraffing met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van maximaal € 8700,- (artikel 30 lid 1, aanhef en onder b, Wbbbg). Het OM hanteert als richtlijn dat een boete van € 95,- wordt opgelegd. Van de overtreding wordt geen aantekening op het strafblad gemaakt.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.