Menu

Filter op
content
Omgevingsweb

Artikel 23 De wachttijd

  • 1

    Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.

  • 2

    Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.

  • 3

    Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in aanmerking genomen:

    • a.

      perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden samengeteld, indien zij:

      • 1°.

        elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of

      • 2°.

        direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak; en

    • b.

      perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:

      • 1°.

        elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of

      • 2°.

        direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 4

    Met recht op ziekengeld als bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld de situatie dat aan een verzekerde geen ziekengeld wordt betaald als gevolg van de toepassing van de artikelen 19a en 19b van de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen.

  • 5

    Voor het bepalen van de wachttijd worden niet in aanmerking genomen perioden gedurende welke:

  • 6

    Op aanvraag van de verzekerde stelt het UWV, in afwijking van het eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 66 in acht is genomen. Een verkorte wachttijd bedraagt ten minste 13 weken en ten hoogste 78 weken. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend.

Overzicht van wijzigingen voor dit artikel

(01-01-2022)

Ontstaansbron

Inwerkingtreding

Datum van inwerking- treding

Terugwerkende kracht

Betreft

Ondertekening

Bekendmaking

Kamerstukken

Ondertekening

Bekendmaking

Opmerking

01-01-2013

wijziging

04-10-2012

Stb. 2012, 464

33241

13-10-2012

Stb. 2012, 483

28-12-2012

wijziging

27-09-2012

Stb. 2012, 657

33133

27-09-2012

Stb. 2012, 657

01-01-2011

wijziging

16-12-2010

Stb. 2010, 838

32520

23-12-2010

Stb. 2010, 839

01-08-2009

wijziging

02-07-2009

Stb. 2009, 318

31811

18-07-2009

Stb. 2009, 319

01-01-2007

wijziging

30-11-2006

Stb. 2006, 703

30682

15-12-2006

Stb. 2006, 704

29-12-2005

wijziging

22-12-2005

Stb. 2005, 710

30318

22-12-2005

Stb. 2005, 711

nieuwe-regeling

10-11-2005

Stb. 2005, 572

30034

02-12-2005

Stb. 2005, 619