Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Bijlage A-II Politiebevoegdheden en geweldsmiddelen

Politiebevoegdheden

Gebruik van geweld

Artikel 8 lid 1 bevat de bevoegdheid geweld te gebruiken: ‘De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.’. Onder geweld wordt verstaan: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken (artikel 1 van de Ambtsinstructie). Onder het aanwenden van geweld wordt verstaan: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld (artikel 1, derde lid, onder b en c, van de Ambtsinstructie). Het slechts vastpakken van een verdachte valt niet onder het aanwenden van geweld. Het duwen in een bepaalde richting of het met kracht tegenhouden van een verdachte valt wel onder het aanwenden van geweld. De geweldsbevoegdheid wordt gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid.

Veiligheidsfouillering

Artikel 8 lid 3 luidt: ‘De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.’. De veiligheidsfouillering bestaat uit het met de hand aftasten van de kleding van de betrokkene. Het gaat daarbij om het zoeken naar gevaarlijke voorwerpen. De bevoegdheid om de veiligheidsfouillering toe te passen wordt, evenals de geweldsbevoegdheid, gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid.

Geweldsmiddelen

Handboeien

Handboeien zijn volgens de Bewapeningsregeling politie en de WWM geen geweldsmiddel, maar worden in de RTGB wel als geweldsmiddel beschouwd. Voor de toekenning van handboeien aan boa’s worden derhalve dezelfde criteria gehanteerd als voor de toekenning van de overige geweldsmiddelen.

Een boa kan worden aangewezen om handboeien te gebruiken (art. 37, tweede lid, van de Ambtsinstructie). Bij de beslissing omtrent het al dan niet toekennen, gelden de criteria a. tot en met d. zoals beschreven in paragraaf 2.2.2. De toekenning van de bevoegdheid om handboeien te gebruiken is in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn functie met (dreiging met) geweld wordt geconfronteerd. Het gebruik van de handboeien is uitsluitend toegestaan indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Het dragen van handboeien door een boa op het moment dat aan hem niet de bevoegdheid tot het gebruik van de handboeien is toegekend, is niet toegestaan. Hoewel het slechts dragen van handboeien niet wettelijk is verboden, wordt het niet wenselijk geacht dat boa’s aan wie niet de bevoegdheid is toegekend de handboeien daadwerkelijk te gebruiken, deze zichtbaar dragen. Het zichtbaar dragen van handboeien kan enerzijds gezien worden als ‘passief gebruik’ in het kader van de taakuitoefening, anderzijds kan het dragen van handboeien leiden tot het actieve onbevoegde gebruik ervan.

Wapenstok

Een boa kan worden uitgerust met een wapenstok. Bij de toekenning gelden de criteria a. tot en met d. zoals beschreven in paragraaf 2.2.2. Evenals bij de toekenning van de handboeien is ook de toekenning van de bevoegdheid om een wapenstok te gebruiken in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn functie met (bedreiging met) geweld wordt geconfronteerd. Het gebruik van de wapenstok is uitsluitend toegestaan indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Pepperspray

Bij besluit van 19 februari 2005 (Stb. 2005, 110) is de Ambtsinstructie gewijzigd. Deze wijziging houdt onder meer in dat het mogelijk is boa’s met pepperspray uit te rusten. Bij de toekenning gelden de criteria a. tot en met d. zoals beschreven in paragraaf 2.2.2. Daarnaast gelden de volgende criteria.

Ten aanzien van de nazorg na gebruik van pepperspray wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 12a, tweede lid, 12b en 12c van de Ambtsinstructie. In artikel 5a van de Uitrustingsregeling politie 1994 is een bepaling opgenomen dat de met pepperspray bewapende ambtenaren dienen te beschikken over de voorgeschreven middelen voor het kunnen verlenen van een adequate nazorg. Dit nazorgprotocol is van overeenkomstige toepassing op boa’s die beschikken over pepperspray. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in de Circulaire Landelijke invoering van het geweldsmiddel pepperspray nadere voorschriften gegeven ter zake de nazorg bij het gebruik van pepperspray.

Vuurwapen

Bij de beoordeling of er sprake is van noodzaak tot bewapening met een vuurwapen worden, naast de in paragraaf 2.2.2 beschreven criteria a. tot en met d. aanvullend de volgende criteria gehanteerd.

  • Er moet een redelijke verwachting bestaan dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheden komt te verkeren, dat hij of anderen met onmiddellijk schietwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een schietwapen wordt geconfronteerd.

  • Het is, indien zich een geval als onder 1. genoemd voordoet, bezwaarlijk of onmogelijk om een beroep te doen op de reguliere politie.

  • Het is bezwaarlijk of onmogelijk om op een andere, minder ingrijpende wijze in de beveiliging van de betrokkene te voorzien.

Het gebruik van het vuurwapen is uitsluitend toegestaan indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Surveillancehond

Het formele kader voor de toekenning van de bevoegdheid tot gebruik van een politiesurveillancehond wordt bepaald door de artikelen 15 en 37, tweede lid, van de Ambtsinstructie en de Regeling politiesurveillancehonden 1999. Het inzetten van een politiesurveillancehond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij de surveillancedienst (artikel 15, eerste lid, onder a, van de Ambtsinstructie). De geleider dient in het bezit te zijn van certificaat. Een keuringscommissie verstrekt aan de geleider een certificaat op naam van de combinatie van de geleider en de politiesurveillancehond, indien die combinatie onder leiding van die geleider aan de keuringseisen heeft voldaan.

In de Regeling politiesurveillancehonden wordt het kader aangegeven met betrekking tot de keuring en de keuringseisen voor de combinatie. De keuringseisen zijn opgenomen in het Keuringsreglement politiesurveillancehond. Evenals bij de toekenning van de hierboven beschreven geweldsmiddelen is ook de toekenning van de bevoegdheid om een politiesurveillancehond in te zetten in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn functie met geweld of de dreiging met geweld wordt geconfronteerd.

Het gebruik van uitrustingsstukken

Op het moment dat er wijzigingen plaatsvinden in de uitrustingsstukken of bewapening die door de politie worden gebruikt, bijvoorbeeld het holster of munitie, gelden deze wijzigingen tevens voor de boa’s. Op deze wijze wordt eenduidigheid in bewapening en uitrustingsstukken nagestreefd.

Ten aanzien van de boa’s, tevens zijnde ambtenaren van politie (politieboa’s), is niet de RWM van toepassing, maar de Bewapeningsregeling politie. Het toekennen van wapenstok, pepperspray en vuurwapen aan politieboa’s geschiedt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mij gezamenlijk (art. 3 Bewapeningsregeling politie) en valt buiten de reikwijdte van deze circulaire. De bevoegdheid tot het gebruik van handboeien kan wel door mij worden toegekend.

Informatie geldend op 19-03-2015

Regelgeving die op dit bijlage is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Beleidsregels en circulaires die dit bijlage als wettelijke bevoegdheid hebben

Geen

Artikelen of vergelijkbare tekst die verwijzen naar dit bijlage

  1. Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar
    tekst: tekst
    bijlage: Bijlagen

Overzicht van wijzigingen voor dit bijlage

(19-03-2015)

Ontstaansbron

Inwerkingtreding

Datum van inwerking- treding

Terugwerkende kracht

Betreft

Ondertekening

Bekendmaking

Kamerstukken

Ondertekening

Bekendmaking

Opmerking

01-01-2016

intrekking-regeling

10-01-2011

Stcrt. 2011, 926

10-01-2011
samen met

Stcrt. 2011, 926
samen met
Stcrt. 2014, 8467

Inwtr. 1

22-01-2011

nieuwe-regeling

10-01-2011

Stcrt. 2011, 926

10-01-2011

Stcrt. 2011, 926

Opmerkingen

  • 1) Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2011/926 gesteld op 31 maart 2014.