Wat is voldoende spoedeisend voor spoedeisende bestuursdwang?

Antwoord

Bestuursdwang is verraderlijk complex. Eerder noemde ik als één van de veel voorkomende fouten bij bestuursdwang het ‘dralen bij (zeer) spoedeisende bestuursdwang’ (zie mijn eerdere blog). Daar kreeg ik een flink aantal vragen over zodat het mij de moeite leek om dit aspect nog eens nader uit te diepen in een vervolgblog.

Wat is (zeer) spoedeisende bestuursdwang?

Naast normale bestuursdwang (artikel 5:25 Awb), kan de overheid spoedeisende bestuursdwang toepassen (artikel 5:31, lid 1, Awb: wel een voorafgaand besluit, geen begunstigingstermijn) of zeer spoedeisende bestuursdwang (artikel 5:31, lid 2, Awb: pas achteraf een besluit). Deze bevoegdheden zijn nuttig in crisissituaties waarbij er geen tijd is om de overtreder zelf nog de kans te geven om de overtreding te beëindigen.

Wanneer is de situatie voldoende spoedeisend?

Om deze instrumenten te mogen gebruiken moet er sprake zijn van spoed. Voor spoedeisende bestuursdwang is vereist dat er geen tijd is om de overtreder een begunstigingstermijn te geven. Voor de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang is vereist dat de situatie “zo spoedeisend [is] dat een besluit niet kon worden afgewacht” (ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3299). Daarbij moet het gaan om situaties waarbij vanwege de gevaren voor mens of milieu direct moet worden ingegrepen. Voorbeelden zijn acuut gevaar voor de bewoner van een pand vanwege de bouwvallige staat van het pand (ABRvS 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1855), lekkende vaten chemisch afval (ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1458), of acuut brandgevaar vanwege loszittende elektrische bedrading en het feit dat bewoners “op een alternatieve, maar uiterst gevaarlijke wijze zelf voor een warme woonruimte zorgden“ (ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1262). De “aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de dreigende verrommeling […] en de in verband hiermee bestaande vrees voor precedentwerking” is daarentegen geen spoedeisende situatie (ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3299).

Wanneer is een situatie niet meer spoedeisend?

De overheid moet bij een spoedeisende situatie natuurlijk niet te lang stilzitten. Het is lastig vol te houden dat er sprake is van spoed als de overheid zelf alle tijd neemt. Een situatie kan dan ook zijn spoedeisende karakter verliezen – en daarmee verliest ook de overheid zijn bevoegdheid om (zeer) spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Wanneer dat het geval is, blijft natte vinger werk, maar in de rechtspraak is wel een indicatie te vinden van de bandbreedte.

Een termijn van vijf dagen wachten met de toepassing van spoedeisende bestuursdwang is aanvaardbaar (ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1447). Een termijn van negen dagen is echter te lang (ABRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1044).

Een termijn van twee dagen wachten met de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang is aanvaardbaar (ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3550). Een termijn van zes dagen is echter te lang (ABRvS 11 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA2669).

Let op, bij spoed: geen (schriftelijke) begunstigingstermijn!

Het geven van een begunstigingstermijn in het bestuursdwangbesluit betekent dat er geen spoedeisende bestuursdwang kan worden toegepast (ABRvS 12 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4174). Immers, als er wel een begunstigingstermijn kan worden gegeven dan is de situatie klaarblijkelijk niet zo spoedeisend als het bestuursorgaan doet voorkomen. Een nuttige tip in dat kader is dat een mondelinge ‘begunstigingstermijn’ wel kan. Een last onder bestuursdwang is immers een besluit en een besluit is schriftelijk. Als voorafgaand aan de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang mondeling de gelegenheid is geboden om de overtreding zelf aan te pakken, dan is dat geen besluit. Die mededeling houdt: “niet meer in dan dat [de overtreder] feitelijk een korte termijn is geboden om een aanvang te maken met de volgens het college vereiste maatregelen”. Dat staat zeer spoedeisende bestuursdwang dus niet in de weg (ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3550).

En wat als de bestuursrechter het achteraf toch niet spoedeisend vindt?

Achteraf is het makkelijk oordelen. Een bestuursrechter bezit vaak veel meer informatie over de aard en omvang van de overtreding dan de toezichthouder bezat op het moment waarop werd besloten om (zeer) spoedeisende bestuursdwang toe te passen. De bestuursrechter is dan ook terughoudend in zijn oordeel. Het komt echter regelmatig voor dat de bestuursrechter toch meent dat de situatie onvoldoende spoedeisend was. In het geval van zowel zeer spoedeisende als spoedeisende bestuursdwang leidt die conclusie tot vernietiging van het hele besluit. Het niet bevoegd zijn om spoedeisende bestuursdwang toe te passen betekent namelijk dat de handhaving in zijn geheel onrechtmatig te achten is (ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1268). Dat heeft ingrijpende consequenties voor de aansprakelijkheid van de overheid omdat het betekent dat de bestuursdwang in beginsel onrechtmatig was en de overheid dus vermoedelijk een schadevergoeding moet gaan betalen.

Toch maar geen spoedeisende bestuursdwang dus?

Het ten onrechte niet geven van een begunstigingstermijn bij reguliere bestuursdwang op grond van artikel 5:21 Awb betekent daarentegen alleen maar dat er geen kostenverhaal mogelijk is (ABRvS 18 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6312). Dat scheelt doorgaans behoorlijk in de rekening (hoewel ook het moeten afzien van kostenverhaal een flinke kostenpost kan zijn). Daarom zou ik bij redelijke twijfel over de spoedeisendheid, aanraden om geen spoedeisende bestuursdwang toe te passen.

Datum: 1 May 2017