Bepaalt de overheid zelf wanneer overtreders het zwijgrecht toekomt bij een boete?

Antwoord

Ja, daar komt het in feite wel op neer.

Het zwijgrecht dat overtreders toekomt bij punitieve sancties (artikel 5:10a, lid 2, Awb / artikel 6 EVRM) hangt samen met wat ik het “nemo” moment noem: het moment waarop de overtreder mag weigeren om mee te werken aan zijn eigen bestraffing (het ‘nemo tenetur’ beginsel).

Op grond van artikel 6 EVRM is het nemo moment “het moment waarop vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat [de Staat] een strafvervolging tegen hem zal instellen” (HR 31 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8260). Met andere woorden: het nemo moment wordt in belangrijke mate bepaald door de overtreder.

Dat is anders in het bestuursrecht. Artikel 5:10a, lid 1, Awb bepaalt namelijk dat het nemo moment er pas is als “[de overtreder] wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie”. Wie bepaalt echter wanneer een verhoor plaatsvindt met het oog op het aan diegene die wordt verhoord opleggen van een bestuurlijke boete? Juist ja, de overheid.

Voor diegenen die zich bij een verhoor aan de andere kant van de tafel bevinden en zich zorgen maken over dit feit wijs ik erop dat de Advocaat-Generaal in zijn recente conclusie opmerkt dat het verschil tussen het EVRM en de Awb op dit punt weinig problematisch is. Dat komt omdat verklaringen die voor het nemo moment worden afgedwongen toch niet kunnen worden gebruikt om een boete op te leggen.

Datum: 1 May 2017