Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Wel of geen belang bij de bescherming van een Natura 2000-gebied?

Natuur is een groot goed. Met het oog daarop kunnen mensen in juridische procedures nog wel eens betogen dat bijvoorbeeld een besluit waarmee woningbouwontwikkeling mogelijk wordt gemaakt geen stand kan houden, omdat beschermde natuurwaarden daarmee achteruit zullen gaan. Maar niet iedereen kan zich zomaar beroepen op de bescherming van natuurwaarden. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) blijkt dat het relativiteitsvereiste daaraan in de weg staat. Zo kan iemand die woonachtig is op een afstand van 500 meter van een Natura 2000-gebied wel een beroep doen op de bescherming van de Wet natuurbescherming. En iemand die op een afstand van 620 meter woont niet. Hoe zit dat precies? Waar eerst onduidelijkheid bestond over het toetsingskader, is de Afdeling inmiddels een bestendige lijn gaan voeren. Dit blijkt onder andere uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020.

Sahin, Melda
14 juli 2020

Wat houdt het relativiteitsvereiste in?

Om te beginnen is het relativiteitsvereiste vastgelegd in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘Awb’). Kort samengevat houdt dat relativiteitsvereiste in dat een appellant bij de bestuursrechter alleen een beroep kan doen op een norm die bedoeld is om zijn of haar belangen te beschermen. Indien een norm kennelijk niet bedoeld is om zijn of haar belangen te beschermen zal de bestuursrechter van vernietiging van een besluit moeten afzien, ook al is een besluit daarmee mogelijk in strijd.

Jurisprudentie over het relativiteitsvereiste en Natura-2000 gebieden

Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat van geval tot geval beoordeeld moet worden of de individuele belangen van een appellant, die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied woont, voldoende verweven is met het algemeen belang dat de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen. Voor die verwevenheid leek met name het afstandscriterium van doorslaggevende betekenis. Echter pakt dat afstandscriterium telkens anders uit. Dit blijkt onder meer uit de volgende voorbeelden uit de jurisprudentie.

Voorbeelden uit de jurisprudentie van afstanden waarbij geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen individuele belangen van appellanten en het algemeen belang dat de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen:

  • bij een afstand van 3 km tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

  • bij een afstand van 1,8 km tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

  • bij een afstand van meer dan 1,5 km tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

  • bij een afstand van 1,1 km resp. 1 km tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

  • bij een afstand van 930 meter tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

  • bij een afstand van 620 meter tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

  • bij een afstand van 750 meter tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

Voorbeelden uit de jurisprudentie van afstanden waarbij wel een duidelijke verwevenheid bestaat tussen individuele belangen van appellanten en het algemeen belang dat de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen:

  • bij een afstand van 500 meter tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

  • bij een afstand van 225 meter tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

  • bij een afstand tussen 100 en 300 meter tussen het perceel en het betrokken Natura 2000-gebied.

 Wat oordeelde de Afdeling op 24 juni 2020?

De Afdeling heeft in de uitspraak van 24 juni 2020 haar toetsingskader verduidelijkt. In deze zaak woont appellant op 350 meter afstand van een Natura 2000-gebied. Tussen de woning en het betreffende Natura 2000-gebied liggen diverse percelen met daarop bebouwing, een weiland en een watermolen met een horecagelegenheid. Voor de beoordeling of het betrokken Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de directe woonomgeving van appellant, heeft de Afdeling het volgende toetsingskader gegeven:

“Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke verwevenheid kan worden aangenomen, moet onder meer rekening worden gehouden met de situering van de woning van de betrokkene, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, geheel of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied. Indien het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de directe woonomgeving van de betrokkene, is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld.”

De omstandigheden dat tussen de woning van appellant en het Natura 2000-gebied percelen met een bebouwing, een weiland en een watermolen met een horecagelegenheid liggen, is volgens de Afdeling van doorslaggevende betekenis om aan te nemen dat er geen sprake is van voldoende verwevenheid van de belangen van appellant en het algemene belang dat de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen. Het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a Awb steekt daar dus een stokje voor.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Waar voorheen onduidelijkheid bestond over het specifieke toetsingskader, heeft de Afdeling middels haar uitspraak van 24 juni 2020 een algemeen toetsingskader gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of iemand wel of geen belang heeft bij de bescherming van een Natura 2000-gebied op grond van de Wet Natuurbescherming. Dit toetsingskader is door de Afdeling ook gebruikt in de uitspraken van 22 april 2020 en 6 mei 2020. Daarmee kan gezegd worden dat de Afdeling inmiddels een bestendige lijn is gaan voeren.  Deze bestendige lijn kan voor de praktijk een houvast bieden waarbij telkens alle concrete omstandigheden van het geval relevant zullen zijn. Zo blijkt dat iemand bij een afstand van 500 meter tussen een woning en een Natura 2000-gebied, waarbij een direct en onbelemmerd zicht bestaat op het Natura 2000-gebied, volgende belang heeft om zich te beroepen op het algemeen belang dat de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen. Maar uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020 wordt duidelijk dat een afstand van 350 meter met tussenliggende bebouwing en andere obstakels niet voldoende is om met succes een beroep te doen op het algemeen belang van de Wet natuurbescherming. Geconcludeerd kan worden dat de absolute afstand bij deze beoordeling telkens een relatieve betekenis zal hebben.