Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Wanneer is een mantelzorgwoning een mantelzorgwoning

Toen mantelzorg steeds meer als officiële zorgvorm werd gezien en er ook bijvoorbeeld via de Wmo formeel een beroep op werd gedaan, besloot de wetgever dat het tijd was om het bouwen of gebruiken van een mantelzorgwoning aan zo min mogelijk regels onderhevig te maken. In bijlage II bij het Bor werd een aantal definities toegevoegd en werd de mantelzorgwoning aldus grotendeels vergunningvrij, of met een kruimelvrijstelling vergunbaar verklaard. Zo konden opa en oma met een gerust hart in een zelfstandige woonruimte in de achtertuin van de (klein)kinderen worden gehuisvest.

Dankbaar, Marieke
15 januari 2020

Mantelzorg in Bijlage II Bor

Onder “mantelzorg” verstaat de wetgever, volgens de definitie in Bijlage II: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

En onder “huisvesting in verband met mantelzorg” wordt verstaan: huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.

Artikel 1 onder 4 van Bijlage II Bor geeft tot slot aan dat voor de toepassing van Bijlage II huisvesting in verband met mantelzorg wordt aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Op die wijze is geborgd dat een mantelzorgwoning kan worden gezien als een bijbehorend bouwwerk, terwijl toch sprake is van een zelfstandige woning.

Burengeschillen over de mantelzorgwoning

Simpel genoeg, zou men kunnen zeggen. En soms is dat ook zo. Toch leidt deze bouwvrijheid nog wel eens tot burengeschillen.

Zo wist een buurman van een zorgboerderij zijn fictieve belang bij het vergunningvrij kunnen realiseren van een mantelzorgwoning, in te zetten bij een geschil over de aan te houden milieuhinderafstand tussen  die niet bestaande woning en een bij de zorgboerderij horende paardenbak (zie: ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2146, Gst. 2019/142, m.nt. J.W.van Zundert).

En in ABRvS 11 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4174), zorgde de buurman er bijna voor dat de mantelzorgwoning naast zijn achtertuin weer zou moeten worden afgebroken. De Afdeling bestuursrechtspraak stak daar toch een stokje voor:

In deze zaak ging het om de legalisatie van een ten behoeve van een ouder echtpaar, gebouwde dijkwoning van 97,4 m2, op het achtererf van het perceel waarop de dochter van het paar en haar gezin wonen. Qua oppervlakte en gebruik paste de mantelzorgwoning niet in het bestemmingsplan. Ook voor de opgerichte wat hogere erfafscheiding gold dat deze niet aan de planregels voldeed.

Het college verleende de omgevingsvergunning met een kruimelgevallenvrijstelling, op basis van artikel 4, aanhef en onderdelen 1, 3 en 9 van Bijlage II Bor. De buren waren het hier niet mee eens en betwistten dat sprake was van noodzakelijke mantelzorg. De woning was ten onrechte geplaatst, en naar hun smaak ook veel te groot en te hoog. Het verpestte hun uitzicht en woongenot.

De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het college nader diende te onderbouwen of er wel sprake was van mantelzorg, in de zin van Bijlage II Bor, en of er niet met geen of kleinere afwijkingen van het bestemmingsplan kon worden volstaan.

De door het college nader gegeven motivering overtuigde de rechtbank niet. De rechtbank oordeelde dat niet was aangetoond dat sprake was van mantelzorg, en bovendien dat de woning ook niet kon worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk. Er was ten onrechte een beroep gedaan op de kruimelgevallenregeling en de omgevingsvergunning werd vernietigd.

Hoe moet worden aangetoond dat sprake is van een mantelzorgwoning, en niet van een gewone woning?

In hoger beroep ging het om de vraag of de rechtbank terecht had geoordeeld dat een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere aangewezen sociaal-medisch adviseur nodig was om de noodzaak voor mantelzorg aan te tonen. De Afdeling oordeelde dat uit de wet niet volgt dat voorafgaand aan de vergunningaanvraag de zorgbehoefte bij het college bekend moet zijn. Daarbij kan het college om verklaringen van de huisarts etc. vragen, maar verplicht is dat niet.

Het college had zich verlaten op een verklaring van de Wmo-adviseur waarmee voldoende gemotiveerd was dat bij een van de appellanten sprake is van medische zorg en ondersteuning die de gebruikelijke hulp en zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en voorts dat sprake is van zorg die daadwerkelijk wordt verleend. Mede gelet op de beoordelingsruimte die het college toekomt bij de vraag of sprake is van mantelzorg, meende de Afdeling dan ook dat het college onder verwijzing naar het advies van de Wmo-adviseur voldoende had gemotiveerd dat er bij appellanten behoefte bestaat aan mantelzorg.

Omdat geconcludeerd werd dat wel degelijk sprake is van mantelzorg, staat ook vast dat er een functionele verbondenheid bestaat van de mantelzorgwoning met het hoofdgebouw. Dat volgt immers rechtstreeks uit artikel 1 onder 4 van Bijlage II Bor. Daarmee is vervolgens de conclusie gerechtvaardigd dat de mantelzorgwoning een bijbehorend bouwwerk is, waarvoor middels de kruimelgevallenregeling vergunning kon worden verleend.

Nu de uitspraak van de rechtbank op deze onderdelen wordt vernietigd, maar die rechtbank niet meer was toegekomen aan de gronden betreffende de erfafscheiding en de goede ruimtelijke ordening, die de buren hadden aangevoerd, beoordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak deze gronden zelf. Om kort te gaan: de Afdeling oordeelde, rekening houdend met de beleidsruimte die het college ter zake heeft, dat het college in voldoende mate heeft gemotiveerd waarom een erfafscheiding van 3.30 m. reëel is, en waarom de goede ruimtelijke ordening niet in het geding is.

Deze bijdrage is ook gepubliceerd in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht van SDU.

Artikel delen