Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Voorzien in parkeerruimte

Het college van de gemeente Den Haag heeft een omgevingsvergunning verleend voor de transformatie van groepswoningen voor verslaafden naar 24 particuliere appartementen. Op grond van het vigerende bestemmingsplan geldt dat voldoende parkeerruimte gerealiseerd moet worden op eigen terrein. Echter, bij de vergunningverlening heeft het college aangegeven dat elders in voldoende parkeerruimte wordt voorzien en dit daarom niet op eigen terrein gerealiseerd hoeft te worden. De eigenaar heeft namelijk parkeerplaatsen in de buurt gehuurd.

21 september 2022

Samenvatting

Samenvatting

Omwonenden zijn het hier niet mee eens. De angst bestaat dat de parkeerdruk in de omgeving toeneemt. Zij zijn van mening dat het college een verkeerde berekening heeft gemaakt bij het bepalen van de parkeerbehoefte. Zo had het college hierbij moeten uitgaan van de oude feitelijke situatie, in plaats van de geldende normen. Volgens hen werd er in de praktijk namelijk geen parkeerruimte gebruikt. Voorts betogen de omwonenden dat het college onterecht heeft toegestaan dat er niet wordt voorzien in de vereiste parkeerruimte bij het gebouw zelf. De omwonenden stellen dat het huren van parkeerplaatsen geen oplossing is. Ter onderbouwing wordt aangekaart dat bewoners van de appartementen naar verwachting geen gebruik zullen maken van die parkeerplaatsen. Dit heeft te maken met de loopafstand en barrières op de weg. Daarnaast biedt de gesloten huurovereenkomst voor de huur van de parkeerplaatsen onvoldoende waarborg dat deze daadwerkelijk worden gebruikt en in de toekomst blijven bestaan voor de appartementenbewoners.

Volgens de rechtbank mocht het college in de berekening het aantal parkeerplaatsen die gelden voor de oude functie in mindering brengen op het aantal parkeerplaatsen die bij de nieuwe functie nodig zijn. Verder mocht het college bij de berekening uitgaan van het aantal aanwezige groepswoningen, nu de feitelijk parkeerbehoefte niet goed vastgesteld kon worden door leegstand.

Echter, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt dat “bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten” (ECLI:NL:RVS:2021:865). “Leegstand van dat pand gedurende een periode is daarbij niet relevant” (ECLI:NL:RVS:2017:3449).

In dit geval ziet de Afdeling geen reden om anders te oordelen dan conform de Nota Parkeernormen. Er is door de omwonenden verder onvoldoende onderbouwd waarom van een feitelijke behoefte van nul moet worden uitgegaan. Het feit dat in oude situatie geen parkeervergunningen waren verleend is geen goede reden, omdat in de directe omgeving van het pand ook zonder parkeervergunning (betaald) kon worden geparkeerd. Het college was dan ook niet verplicht om de feitelijke parkeerruimte in de oude situatie te onderzoeken en mocht aansluiten bij de geldende parkeernormen.

Wat de realisatie van de parkeerplaatsen elders betreft, geldt het volgende. In de Nota parkeernormen zijn richtlijnen opgenomen voor de maximaal aanvaardbare loopafstanden tussen een parkeergelegenheid en de bestemming. De Afdeling ziet in dit geval geen reden om van deze richtlijnen af te wijken. Het college mocht de gehuurde parkeerplaatsen geschikt achten om te voorzien in de parkeerbehoefte voor de appartementen. Om er verder voor te zorgen dat de zes gehuurde parkeerplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn en blijven voor bewoners van de appartementen, verbind de Afdeling een voorschrift aan de omgevingsvergunning. Op die manier wordt blijvende beschikbaarheid gewaarborgd. Geconcludeerd kan worden dat er met de nieuwe appartementen geen extra beslag gelegd op openbare parkeerruimte met een toename van de parkeerdruk tot gevolg.