Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Vertrouwenbeginsel: een positieve grondhouding bevoegd gezag ja mits betekent niet automatisch dat de vergunning verleend wordt

Op 21 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen aan appellant om zijn perceel uit te breiden op een aangrenzend perceel. Deze uitbreiding zou betekenen dat de bakkerij op het perceel zou worden verbonden aan een pand op het perceel ernaast. Dit pand zou fungeren als o.a. personeelsruimte en op de binnenplaats zou een overkapping voor de koelcellen worden geplaatst. Volgens het college is dit bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening en zou dit inbreuk maken op een goed woon- en leefklimaat door onaanvaardbare geluidsoverlast.

22 juni 2022

Jurisprudentie – Samenvattingen

Appellant voert aan dat de rechtbank en het college miskennen dat het bouwplan in overeenstemming is met een goed woon- en leefklimaat. De Afdeling is echter van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in strijd is met een goed woon- en leefklimaat vanwege het risico op (onaanvaardbare) geluidsoverlast. Zo heeft het college haar oordeel niet enkel gebaseerd op de subjectieve vrees van omwonenden, maar ook op basis van een akoestisch onderzoek van een deskundige. Dit onderzoek heeft vastgesteld dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gewaarborgd wegens het risico op geluidsoverlast.

Daarnaast voert appellant aan dat de rechtbank miskent dat hij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen. Hierbij geldt: wie zich hierop beroept, moet dit aannemelijk maken. Dit doet appellant door te verwijzen naar een brief van het college van 22 februari 2018, waarin zij een ondubbelzinnige toezegging zou hebben gedaan. Het college nam in de brief echter een positieve grondhouding aan en noemde slechts enkele voorwaarden waaraan voldaan moet worden om te spreken van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling overweegt dat er geen toezegging of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit appellant redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college de omgevingsvergunning zou verlenen.

De Afdeling is derhalve van oordeel dat de omgevingsvergunning terecht is afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.