Menu

Filter op
content
Omgevingsweb

Uitspraak over bewijsvoering permanente bewoning recreatiewoning

In de uitspraak ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:483 was handhaving vanwege permanente bewoning van #recreatiewoningen aan de orde. Het recreatiepark ‘t Posterbos is ingevolge artikel 30.1, aanhef en onder a, van de planregels bestemd voor een recreatiebungalowpark. Artikel 63, onder b, van de planregels verbiedt het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning. Er is op basis van artikel 1.85 van de planregels sprake van permanente bewoning wanneer iemand de ruimte bewoont als hoofdverblijf.

10 februari 2024

Jurisprudentie – Samenvattingen

Het college stelt zich op het standpunt dat de recreatiewoning voor ten minste elf maanden permanent is bewoond. Volgens de #Afdeling is het college geslaagd in zijn bewijslast om de overtreding aan te tonen.

Het college heeft zijn stelling dat de recreatiebungalow voor elf maanden is bewoond, en daarmee een overtreding heeft plaatsgevonden, onderbouwd met verschillende feiten en omstandigheden.

Het college wijst allereerst op de inschrijvingen van de huurders in de BRP. Ten tijde van het verstrijken van de begunstigingstermijn op 11 september 2020 stonden de huurders [huurder A], [huurder B] en [huurder C] ingeschreven op het adres van de recreatiewoning van [appellant] in de BRP. [huurder A] heeft zich ingeschreven in de BRP op 17 juni 2019, [huurder B] op 5 december 2019 en [huurder C] op 9 maart 2020.

Naast deze inschrijvingen in de BRP heeft het college de bewoning voor een periode van elf maanden onderbouwd met zes toezichtrapporten waarin de toezichthouder heeft geconstateerd dat tussen 8 januari 2020 en 16 november 2020 de recreatiebungalow een bewoonde indruk maakte. Op vier momenten na het verstrijken van de begunstigingstermijn is bewoning van de recreatiewoning geconstateerd.

Bovendien heeft het college gewezen op het feit dat tussen 8 januari 2020 en 15 oktober 2020 steeds dezelfde bestelbus nabij de recreatiewoning is waargenomen door de toezichthouder. Op basis van deze omstandigheden, gecombineerd met de informatie uit de BRP heeft het college ervan mogen uitgaan dat de recreatiewoning permanent bewoond is geweest door minimaal één zelfde persoon voor een periode van elf maanden. Appellant heeft onvoldoende aangedragen om de door het college gestelde feiten en omstandigheden te weerleggen of daarvoor een andere verklaring te geven.

Het had op de weg van appellant gelegen om gegevens over te leggen zoals verklaringen van de huurders, een verklaring van de parkbeheerder en/of betaalbewijzen van de huur, om zijn stelling dat de recreatiewoning minder dan zes maanden is bewoond door dezelfde persoon of dezelfde personen aannemelijk te maken. Appellant heeft enkel ongedateerde huurovereenkomsten overhandigd. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de recreatiewoning niet permanent is bewoond geweest door dezelfde huurders voor periodes van minder dan zes maanden.

Artikel delen