Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Terugbetaling te hoog voorschot op onteigeningsschadeloossteling

Als de onteigeningsschadeloosstelling lager wordt vastgesteld dan het voorschot dat de onteigende heeft ontvangen, veroordeelt de rechter hem ambtshalve tot terugbetaling van het te veel ontvangen bedrag.

Aaldering, Sharon
15 september 2020

Jurisprudentie – Samenvattingen

Ook kan de rechter ambtshalve deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren en een termijn bepalen voor terugbetaling, waarna wettelijke rente verschuldigd is. Een daartoe strekkende vordering van de onteigenaar is niet nodig. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1226) blijkt dat voldoende is dat de onteigenaar kenbaar heeft gemaakt dat hij een veroordeling tot betaling van wettelijke rente respectievelijk uitvoerbaarverklaring bij voorraad wenst en dat de onteigende de gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten.

ACHTERGROND

De rechtbank sprak de vervroegde onteigening uit van een aantal percelen in de gemeente Heerlen ten behoeve van de aanleg van gemeentelijke infrastructuur. De aan de onteigenden toekomende voorschotten op de onteigeningsschadeloosstelling werden vastgesteld op € 319.860,- en € 377.100,-. De gemeente heeft deze voorschotten voldaan.

Vervolgens procedeerden partijen verder over de aan de onteigenden toekomende bedragen. Bij eindvonnis stelde de rechtbank de onteigeningsschadeloosstelling lager dan het aanbod vast, namelijk op € 142.331,25 en € 218.613,06. De onteigenden moesten de te veel ontvangen bedragen terug betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tegen dit vonnis stellen de onteigenden cassatieberoep in. De klachten over de hoogte van de onteigeningsschadeloosstelling verwerpt de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 RO. De Hoge Raad gaat wel inhoudelijk in op de klachten met betrekking tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag en komt tot de conclusie dat de klachten geen doel treffen.

UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD

Op grond van artikel 54t lid 3 van de Onteigeningswet (Ow) veroordeelt de rechter de onteigende die een hoger bedrag aan voorschot heeft ontvangen dan hem als onteigeningsschadeloosstelling toekomt tot terugbetaling van het te veel ontvangen bedrag. Uit dit artikel volgt dat de rechter deze veroordeling ambtshalve moet uitspreken. Dit betekent dat een daartoe strekkende vordering van de onteigenaar niet nodig is. Dit is in lijn met de bijzondere aard van de onteigeningsprocedure, waarin de onteigeningsrechter zelfstandig de onteigeningsschadeloosstelling vaststelt.

In afwijking van artikel 233 Rv kan de rechter ook ambtshalve een terugbetalingstermijn bepalen en veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf het verstrijken van die termijn. Ook ambtshalve kan de rechter deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Daarvoor is voldoende dat de onteigenaar kenbaar heeft gemaakt een veroordeling tot betaling van wettelijke rente respectievelijk uitvoerbaarverklaring bij voorraad te wensen en dat de wederpartij zich daarover uit heeft kunnen laten.

Als de onteigenaar die wensen derhalve niet kenbaar maakt, moet de rechter de onteigende wel veroordelen tot terugbetaling van het te veel ontvangen voorschot. De rechter kan daar ook een termijn aan koppelen, maar veroordeling tot betaling van wettelijke rente bij verzuim alsmede uitvoerbaarverklaring bij voorbaat blijft achterwege.

WETTELIJKE RENTE

Onderscheid moet worden gemaakt tussen twee rentetijdvakken:

  1. vanaf het moment waarop het voorschot op de onteigeningsschadeloosstelling aan de onteigende is betaald tot en met de dag van het vonnis waarin de onteigeningsschadeloosstelling is vastgesteld; en

  2. vanaf (of na verloop van een redelijke termijn na) de dag na het vonnis waarin de onteigeningsschadeloosstelling is vastgesteld tot de dag waarop het te veel ontvangene aan de onteigenaar is terugbetaald.

In 2017 oordeelde de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:94) al dat de onteigende, die voordeel heeft genoten van het te veel betaalde, dat niet hoeft te verrekenen met de onteigenaar. Hij is dus geen rente verschuldigd over het eerste ‘rentetijdvak’: het te veel ontvangen voorschot vanaf het moment van ontvangst van het voorschot tot het moment van vaststelling van de onteigeningsschadeloosstelling. Zie hierover ook onze eerdere blogbijdrage.

Betaalt de onteigende na het vonnis van de rechtbank het te veel ontvangene niet op tijd terug, dan is wel rente verschuldigd vanaf het moment dat de onteigende in verzuim is. Hiervan is sprake als de onteigende na ingebrekestelling niet op tijd terugbetaalt of hij niet betaalt binnen de termijn die de rechter in het vonnis bepaalt.

Let op: in de tegenovergestelde situatie waarbij het voorschot lager is dan de uiteindelijke onteigeningsschadeloosstelling, is de onteigenaar over het verschil wel direct wettelijke rente verschuldigd; dus zowel over het eerste als over het tweede rentetijdvak (zie artikel 55 lid 3 Ow).

Artikel delen