Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Standaardovereenkomst TenneT bij aanbod gedoogplicht houdt stand

Op 8 juni 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een belangwekkende uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:1597) gewezen over gedoogplichten op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP).

22 juni 2022

Samenvatting

Samenvatting

Waar ging de uitspraak over?

Het betrof een verzoek tot oplegging van een gedoogplicht van TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding tussen Zaltbommel en Wamel met bijkomende werken. Bij besluit van 19 november 2018 heeft de Minister het verzoek van TenneT gehonoreerd en aan appellant een gedoogplicht opgelegd krachtens artikel 2, lid 5, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: de BP).

De eigenaar van de percelen waarop de gedoogplicht is opgelegd, voerde in hoger beroep aan dat TenneT geen serieuze en redelijke poging heeft ondernomen om met hem tot minnelijke overeenstemming te komen. De Minister zou de gedoogplicht daarom ten onrechte hebben opgelegd. Het betoog van de perceelseigenaar slaagt niet, maar de uitspraak van de Afdeling bevat toch drie interessante aspecten, die we hierna zullen bespreken.

1) zakelijk recht voor onbepaalde tijd

In de eerste plaats voert de perceelseigenaar aan dat het aanbod van TenneT onredelijk is, omdat TenneT ten onrechte vasthoudt aan een zakelijk recht voor onbepaalde duur. Hij stelt dat hij bereid is tot het sluiten van een overeenkomst voor bepaalde duur met stilzwijgende verlenging, als blijkt dat de hoogspanningsleiding nog steeds voor hetzelfde doel in gebruik is. De rechtbank heeft daar ten onrechte geen betekenis aan toegekend, aldus de perceelseigenaar.

De Afdeling acht het toelaatbaar dat TenneT vasthoudt aan een zakelijk recht voor onbepaalde duur. Het algemeen belang van toekomstige leveringszekerheid vormt voor TenneT de reden om een zakelijk recht voor onbepaalde tijd te willen vestigen. Volgens de Afdeling moet het mogelijk blijven dat een hoogspanningsverbinding in gebruik blijft na afloop van een termijn van bijvoorbeeld 50 jaar, eventueel met vernieuwde masten op dezelfde locaties. Bovendien heeft TenneT toegelicht dat de technische levensduur van de verbindingen doorgaans langer dan 40 of 50 jaar is en dat de verbindingen niet langer blijven liggen dan noodzakelijk is. Dit laatste is ook in de algemene bepalingen voor opstalrechten van TenneT gewaarborgd. Tot slot heeft de Minister erop gewezen dat de perceelseigenaar op grond van artikel 5 en 9 van de BP de mogelijkheid heeft om een verzoek tot wijziging van de gedoogbeschikking in te dienen of om te verzoeken dat de verbindingen die niet meer worden gebruikt, worden opgeruimd.

2) toepassen van een standaardovereenkomst

TenneT heeft toegelicht dat zij, gelet op administratieve lasten, in beginsel niet afwijkt van haar standaardovereenkomst. De Afdeling is van oordeel dat in een voorkomend geval maatwerk moet kunnen worden geleverd en dat de minister niet op voorhand tegenvoorstellen van de perceelseigenaar buiten zijn beoordeling mag laten. Echter heeft TenneT volgens de Afdeling in dit geval een serieuze en redelijke poging ondernomen om met de perceelseigenaar tot minnelijke overeenstemming te komen. De Afdeling acht daarbij de ter zitting gegeven toelichting van de minister en TenneT van betekenis. Daarbij is de nadruk gelegd op het belang van de instandhouding van de verbindingen en het belang van de leveringszekerheid. De Minister heeft het door TenneT gedane aanbod dan ook als redelijk mogen aanmerken.

3) toekomstschade van rechtsopvolgers onder bijzondere titel

Verder betoogt de perceelseigenaar dat geen sprake is van een redelijk en serieus overleg, omdat de regeling voor toekomstschade voor rechtsopvolgers bij het opleggen van de gedoogplicht gunstiger is dan het voorstel van TenneT. De perceelseigenaar voert aan dat de mogelijkheid om schade op grond van de BP vergoed te krijgen, niet op voorhand bij overeenkomst kan worden uitgesloten.

De Afdeling oordeelt – onder verwijzing naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:833) – dat er geen rechtsregel is die voorschrijft dat in de onderhandelingen over de vestiging van een recht van opstal gestreefd moet worden naar een resultaat dat gelijk is aan of vergelijkbaar is met een rechtsverhouding die ontstaat in het geval een gedoogplichtbeschikking van kracht wordt. TenneT heeft toegelicht dat zij bij het aangaan van een zakelijk recht overeenkomst het uitgangspunt van volledige schadeloosstelling hanteert. Ook heeft zij toegelicht waarom in haar standaardovereenkomst rechtsopvolgers van de contractant worden uitgesloten van vergoeding van toekomstschade in tegenstelling tot een gedoogbeschikking, waarbij rechtsopvolgers wel schade kunnen verhalen. Een eventuele toekomstige eigenaar (die heeft gekocht onder bijzondere titel) kan volgens TenneT de (voorzienbare) schade verdisconteren in de prijs die hij voor de grond betaalt.

De Afdeling komt daarom tot de conclusie dat de voorwaarden omtrent de schadevergoeding niet op voorhand als onwerkelijk en onredelijk moeten worden aangemerkt en dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Voor zover TenneT niet zou overgaan tot uitkering van de schade, kan de perceelseigenaar dit op grond van artikel 14 van de BP voorleggen aan de kantonrechter, aldus de Afdeling.

Conclusie

De Afdeling verklaart het hoger beroep van de perceelseigenaar ongegrond en oordeelt dat het besluit van de Minister tot verlening van de gedoogplicht in stand kan blijven. De uitspraak illustreert dat men van goeden huize moet komen om succesvol te kunnen beargumenteren dat voorafgaand aan de oplegging van de gedoogplicht, geen serieus en redelijk overleg is gevoerd.