Menu

Zoek op
rubriek

Schaarse vergunning - wanneer is sprake van een schaarse vergunning

Vergunningen worden in beginsel voor onbepaalde tijd verleend. In de uitspraak ‘Speelautomatenhal Vlaardingen’ van 2 november 2016 is door de Afdeling uitgemaakt dat dit niet geldt voor schaarse vergunningen. Deze worden in beginsel alleen voor bepaalde tijd verleend. Van belang is dus om te bezien of sprake is van ‘schaarste’. De Afdeling bevestigt in de hier besproken uitspraak de in de uitspraak ‘Rederij Lovers’ van 28 augustus 2019 ingezette lijn, namelijk dat al kan worden gesproken van ‘schaarste’ op het moment dat wordt vastgesteld dat een verdelingsmaximum (expliciet) aanwezig is. Niet relevant is in dat geval de vraag of de hoeveelheid aanvragen het aanbod feitelijk overstijgt.

11 januari 2021

Samenvatting (j-m)

Samenvatting (j-m)

Achterliggende feiten

Op 21 december 2009 is een ligplaatsvergunning verleend aan Rederij C.V. (hierna: “de Rederij”) om met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen aan de Kromme Waal tegenover 10 te Amsterdam. Daarnaast is op 5 augustus 2015 aan Canal Company een exploitatievergunning verleend voor het vervoeren van passagiers met een bedrijfsvaartuig. Deze vergunning is geldig tot 1 januari 2020. In 2017 is deze exploitatievergunning omgezet naar onbepaalde tijd.

Deze exploitatievergunning is vervolgens op 5 maart 2018 overgezet op naam van de Rederij. Vijf dagen later is een ligplaatsvergunning door deze Rederij aangevraagd. Deze ligplaatsvergunning is op 1 juni 2018 verleend. Nu het zou gaan om een schaarse vergunning is deze ligplaatsvergunning echter niet voor onbepaalde, maar voor bepaalde tijd verleend.

Standpunten partijen

Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van schaarste, voert het college aan dat ruimte dient te worden gelaten voor verschillende functies op het water én dat bij het besluit “Instelling beëindiging vergunningverlening bedrijfsvaartuigen binnenstad en havenatlasgebied” is bepaald dat aanvragen om ligplaatsvergunningen ingediend na 18 december 1996 worden afgewezen.

De Rederij betoogt anders en stelt ten eerste dat ten onrechte is uitgegaan van schaarste. Er zouden volgens haar voldoende ligplaatsen aanwezig zijn in het gehele gebied. Op basis van niet geverifieerde schattingen en aannames zou de rechtbank ten onrechte geoordeeld hebben dat sprake is van schaarste. Als gevolg hiervan zou het ‘normale’ regime op de verlening van de ligplaatsvergunning van toepassing zijn en kan deze voor onbepaalde tijd worden verleend.

Ten tweede beroept de Rederij zich op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, nu zou zijn miskend dat in de Uitvoeringsnota van het bedrijfsvaartuigenbeleid in de binnenstad 2016 stond dat vergunningen voor onbepaalde tijd worden verleend.

Ten derde zou volgens de Rederij sprake zijn van strijdigheid met artikel 1 van het Eerste protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (hierna: “EVRM”), het recht op een ongestoord genot van eigendom.

Beoordeling

De Afdeling maakt korte metten met het eerste betoog van de Rederij. Immers, reeds in haar uitspraak van 28 augustus 2019 heeft de Afdeling overwogen dat indien voor het aantal te verlenen ligplaatsvergunningen een expliciet verdelingsmaximum bestaat, er sprake is van schaarste. Nu uit het instellingsbesluit volgt dat het aantal te verlenen ligplaatsvergunningen is gemaximeerd, is het terecht dat de aangevraagde ligplaatsvergunning wordt aangemerkt als schaarse vergunning. Hierdoor kan de vraag of sprake is van fysieke schaarste buiten bespreking blijven.

Ten aanzien van het tweede betoog oordeelt de Afdeling dat een beroep op het vertrouwensbeginsel op voorhand kansloos is, nu deze niet is gestoeld op een toezegging of gedraging van een daartoe bevoegd persoon. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt evenmin, nu de Uitvoeringsnota algemene bewoordingen hanteert en een uitzonderingsmogelijkheid bevat. Verder levert de omstandigheid dat voorheen vergunningen voor onbepaalde tijd werden verleend, geen indicatie op dat dit moet blijven gebeuren. Tevens oordeelde de Afdeling dat de Rederij op de hoogte kon, dan wel had moeten zijn van recente ontwikkelingen in het rondvaartbeleid omtrent ligplaatsvergunningen.

Tot slot doet de Afdeling ook het beroep op artikel 1 EVRM van de hand. Dit beroep op het eigendomsrecht is niet relevant, nu de Rederij de vergunning voor onbepaalde tijd waar zij zich op beroept, nooit in bezit heeft gehad.

Conclusie

Deze uitspraak verduidelijkt nog maar eens dat de Afdeling in haar beoordeling of sprake is van schaarste ingeval van een (expliciet) verdelingsmaximum niet kijkt naar de vraagzijde, maar naar de aanbodzijde. Dit betekent dat ook sprake is van ‘schaarste’ indien de vraag naar vergunningen het aanbod aan vergunningen niét overstijgt. Deze situatie ontstaat niet alleen wanneer sprake is van te weinig aanvragen, maar ook wanneer teveel aanvragen gedurende de verdelingsprocedure afvallen.

Als gevolg hiervan zal dus steeds moeten worden bezien of sprake is van een verdelingsmaximum. Indien hier sprake van is, geldt het verdelingsrecht en zullen bijvoorbeeld regels omtrent de verdelingsprocedure in acht moeten worden genomen.

Artikel delen