Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

RvS – Definitie brandstoffen in planregels bestemmingsplan: zorgvuldig formuleren is een kunst

In bestemmingsplannen met detailhandelsfuncties komt het vaak voor dat in de planregels gedetailleerd wordt vastgelegd wat er op een bepaald perceel wel of niet mag worden verkocht. Dan komt het dus neer op zorgvuldig formuleren, en uit deze uitspraak blijkt maar weer dat dat lang niet altijd in een keer goed gaat.

6 juli 2020

Jurisprudentie – Samenvattingen

Multifuel tankstation

In september 2018 stelde de gemeenteraad van Hoofddorp het bestemmingsplan “Hoofddorp Schiphol Trade Park Entreegebied” vast en een maand later, op 31 oktober 2018 verleende het college van B&W een tankstationexploitant een omgevingsvergunning voor het bouwen van een “multifuel” tankstation. Een andere tankstationhouder stelt tegen deze besluiten beroep in. Volgens hem is de planregeling niet in overeenstemming met de bedoeling van de raad omdat deze toelaat dat ter plaatse ook niet-duurzame motorbrandstoffen mogen worden verkocht.

Ten aanzien van deze grond komt de Afdeling tot het oordeel dat de raad met het voorliggende plan inderdaad niet heeft geregeld wat hij heeft beoogd te regelen. Daartoe overweegt de rechter dat in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, van de planregels het woord “duurzaam” tussen haakjes staat. Daardoor kan op basis van dit artikel ook een verkooppunt voor niet-duurzame brandstoffen wordt gerealiseerd. Omdat de raad ter zitting te kennen geeft dat in dat geval aanpassing van de planregel nodig wordt geacht, wordt de betreffende planregel vernietigd.

Gewijzigde vaststelling

Op 11 juli 2019 stelt de gemeenteraad de door de Afdeling vernietigde planregel voor het brandstofverkooppunt gewijzigd vast. In de planregel is vastgelegd dat ten minste 70 procent van de opstelplaatsen duurzame motorbrandstoffen moet aanbieden. Voorts heeft de raad in artikel 1 de begrippen “reguliere motorbrandstof” en “duurzame motorbrandstoffen” opgenomen. Wederom wordt er beroep ingesteld tegen deze planregeling en dat beroep steunt op twee beroepsgronden, te weten: onduidelijke definities van de motorbrandstoffen en de koppeling tussen de duurzame motorbrandstoffen en de opstelplaatsen op het tankstation.

Definities

Appellanten betogen dat de gehanteerde definities van reguliere en duurzame motorbrandstof onjuist en onduidelijk zijn. Hiertoe voeren zij aan dat in de planregels ten onrechte niet is opgenomen dat alle benzine- en dieselvormen (dus ook de variaties op en met diesel en/of benzine die duurzamer zijn) onder de definitie van reguliere motorbrandstof vallen. Ook zijn er andere brandstoffen die geen diesel of benzine zijn, maar die toch niet duurzaam zijn. Het zou volgens appellanten meer zekerheid bieden als de definities worden omgedraaid en in de planregels expliciet wordt opgenomen dat de motorbrandstoffen LNG, CNG en waterstof (minimaal grijze waterstof) als duurzame motorbrandstoffen worden aangemerkt en dat alle andere brandstoffen dat niet zijn. Verder voeren zij aan dat Adblue geen brandstof is en uit de definitie van reguliere motorbrandstof moet worden gehaald. Daarnaast leveren laadpalen (elektriciteit) geen motorbrandstoffen, zodat ook deze uit de definitie van duurzame motorbrandstoffen moeten worden gehaald.

De Afdeling constateert dat ingevolge artikel 1 van de planregels onder duurzame motorbrandstoffen wordt verstaan: "motorbrandstoffen niet zijnde reguliere motorbrandstof, zoals LNG (Liquified Natural Gas), CNG (Compressed Natural Gas), waterstof (minimaal grijze waterstof) en laadpalen (elektriciteit)". Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder reguliere motorbrandstof verstaan: "diesel, benzine en Adblue".

De raad heeft er bewust voor gekozen om de bepaling van "duurzame motorbrandstoffen" open te formuleren, in de verwachting dat in de toekomst mogelijk nieuwe duurzame motorbrandstoffen worden ontwikkeld. De raad heeft verder toegelicht dat Adblue onder de bepaling van "reguliere motorbrandstof" is geschaard, aangezien Adblue in dieselmotoren wordt gebruikt. Wat de laadpalen betreft heeft de raad zich gebaseerd op een rapport van het rijk over duurzame brandstoffen, waarin onder andere elektriciteit wordt genoemd. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad Adbleu en laadpalen niet in redelijkheid onder "reguliere motorbrandstof" dan wel "duurzame motorbrandstoffen" heeft kunnen scharen. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de in de planregels opgenomen bepalingen inzake "reguliere motorbrandstof" en "duurzame motorbrandstoffen" onjuist en onduidelijk zijn.

Opstelplaatsen

Appellanten menen verder dat het percentage duurzame motorbrandstoffen (zijnde ten minste 70%) in de nieuwe regeling ten onrechte is gekoppeld aan het aantal opstelplaatsen. Omdat dit begrip in het bestemmingsplan niet is gedefinieerd kan daarover onduidelijkheid bestaan. Bovendien vonden appellanten dat het percentage moet worden gekoppeld aan de daadwerkelijke hoeveelheid duurzame motorbrandstoffen die wordt verkocht. Anders zou volgens hen een verkooppunt kunnen worden gerealiseerd waarbij uitsluitend de opstelplaatsen voor reguliere motorbrandstoffen worden gebruikt, zodat in feite een regulier tankstation ontstaat.

De Afdeling constateert dat de term ‘opstelplaats’ inderdaad niet is gedefinieerd, maar oordeelt dat de gangbare uitleg van de term voldoende duidelijk maakt wat onder “opstelplaats” moet worden verstaan. De raad heeft toegelicht dat het percentage in de planregels is gekoppeld aan het begrip opstelplaats vanwege de ruimtelijke relevantie en de handhaafbaarheid. Indien minder dan 70% van de opstelplaatsen duurzame motorbrandstoffen aanbiedt, kan volgens de raad gehandhaafd worden. Dit komt de Afdeling niet onjuist voor. Daarbij is van belang dat de raad bewust heeft gekozen om het percentage niet aan de omzet of doorzet van duurzame motorbrandstoffen te koppelen in verband met de zogenoemde transitieperiode. De raad heeft geen invloed op de hoeveelheid duurzame motorbrandstoffen die daadwerkelijk wordt getankt, maar het is wel aannemelijk dat in die periode het aandeel duurzame motorbrandstoffen zal toenemen ten koste van de reguliere brandstoffen. De Afdeling gaat hierin mee en oordeelt dat de raad in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om het percentage duurzame motorbrandstoffen te koppelen aan het aantal opstelplaatsen. De omstandigheid dat gedurende een bepaalde periode wellicht meer reguliere motorbrandstoffen dan duurzame motorbrandstoffen zullen worden afgenomen, maakt dit niet anders, nu de raad in redelijkheid met de transitieperiode rekening mocht houden.

Zorgvuldig formuleren is een kunst

Het bestemmingsplan ging in eerste instantie onderuit op de aanhalingstekens bij het woord “duurzaam”, maar na de vaststelling van een gewijzigde planregeling komt het uiteindelijk toch goed. De beroepsgronden tegen de definities en de opstelplaatsen falen. Op grond van deze uitspraak heeft de gemeenteraad de ruimte om via de definities vast te leggen welke motorbrandstoffen regulier zijn en welke als duurzaam worden beschouwd. Voor multifuel-tankstations is het dus van groot belang deze definities zodanig te formuleren dat ook laadpalen en andere duurzame motorbrandstoffen, zoals waterstof, daar expliciet onder vallen. Verder is het mogelijk om te regelen dat tankstations een bepaald aandeel duurzame motorbrandstoffen moeten aanbieden en om deze verplichting te koppelen aan het aantal opstelplaatsen van het tankstation en niet aan de omzet of doorzet van duurzame motorbrandstoffen. Daarmee biedt de Afdeling de benodigde ruimte voor een planregeling die ook tijdens de transitieperiode handhaafbaar is. Voor de toekomstige uitrol van waterstof als openbare motorbrandstof is deze uitspraak dus van groot belang!

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27-11-2019, ECLI:NL:RVS:2019:4015

Artikel delen