Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Pleidooien over oprekken richtafstanden ‘Bedrijven en milieuzonering’ met de westenwind mag je in de wind slaan

Afstand houden. Maar vandaag nu eens niet in de ‘corona-context’. Nee, ik bedoel ‘afstand houden’ tussen belastende en gevoelige functies. En wel binnen het kader van ons prachtige vak, het omgevingsrecht.

Seelen, Max
27 juni 2020

Jurisprudentie – Samenvattingen

Afstand houden, zonering, in ons vak ook wel beter bekend als ‘milieuzonering’. Milieuzonering is een van de belangrijkste pijlers waarop dé wettelijke eis voor ieder ruimtelijk besluit, een ‘goede ruimtelijke ordening’ is gebaseerd.

Enthousiast college

Een simpel voorbeeldje. Stel, iemand wil een kinderdagverblijf beginnen. Ergens in een rustig stukje van het buitengebied. De plannen zijn ambitieus. De initiatiefnemer wil dagopvang bieden voor maximaal 32 kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot 4 jaar.

Voor dit kinderopvangverblijf is er een omgevingsvergunning nodig. De initiatiefnemer wil namelijk bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Gelukkig heeft ie te maken met een enthousiast college, zodat de omgevingsvergunning al snel op tafel ligt.

Maar in dit land hebben we – en dat is maar goed ook – afgesproken dat omwonenden die een bouwplan helemaal niet zien zitten, het recht hebben om dit uiteindelijk aan een (bestuurs)rechter voor te leggen. En dat gebeurt hier ook. De overbuurman van de initiatiefnemer heeft het niet zo op kinderen en zeker niet wanneer dit er 32 zijn, die ook nog eens luidkeels kunnen krijsen.

Tja, feit is dat zo’n kinderopvangverblijf wel wat geluidsoverlast kan veroorzaken. Maar wanneer er voldoende afstand is tussen de woning van de overbuurman en het kinderopvangverblijf hoeven die 32 kinderen geen geluidsoverlast te veroorzaken. Deze zonering werkt dus preventief. Je houdt een scheiding aan tussen functies die zich – vooral wanneer die 32 kindertjes hyperactief zijn – niet met elkaar verdragen.

Deze zonering heeft daarom een ruimtelijk structurerend karakter. En binnen het wettelijk kader van ieder ruimtelijk besluit, namelijk een ‘goede ruimtelijke ordening’, moet dit netjes in dit ruimtelijk besluit worden vastgelegd. Bijvoorbeeld in een ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning of een toelichting van een bestemmingsplan.

Groene boekje

Maar hoe weten we nou welke afstand bepalend is tussen een (milieu)gevoelige en (milieu)belastende functie? Nou, sinds 1986 hebben we hiervoor een handig instrument. Dat is een publicatie van de VNG: Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Toen ik begon in dit mooie vak, werd deze publicatie ook wel het ‘Groene boekje’ genoemd.

Dit boekje is een niet te missen gereedschap voor iedere vakidioot binnen het omgevingsrecht. Zorg daarom dat je ‘m in je gereedschapskist hebt.

In de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ tref je voor vrijwel elke bedrijfstak of installatie aan welke milieuonderwerpen (geluid, geur, stof en externe veiligheid) een ‘issue’ kunnen zijn in het ruimtelijk besluit en welke gemiddelde ‘passende’ (richt)afstanden je moet aanhouden tot (bijvoorbeeld) een woning.

Vervolgens wordt aan elk bedrijf een milieucategorie gekoppeld. Die wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand van een van de milieuonderwerpen. Hoe hoger de milieucategorie, hoe groter de afstand.

Onze hoogste bestuursrechter ziet de Handreiking zelfs (bijna) als pseudo-wetgeving. Je mag er slechts gemotiveerd van afwijken. En die ruimte is er ook wanneer je bedenkt dat de Handreiking uitgaat van ‘richtafstanden’ en ‘gemiddelde bedrijven’. Ook de omstandigheden ter plaatse rechtvaardigen soms grotere of kleinere afstanden. En je staat helemaal sterk wanneer die grotere of kleinere afstanden nader worden onderbouwd met (bijvoorbeeld) een akoestisch- of geuronderzoek.

Nieuwtje

Terug naar het kinderopvangverblijf. De afstand tussen het ‘besluitvlak’ van de omgevingsvergunning voor het kinderopvangverblijf en de (dichtstbijzijnde) gevel van de woning van de overbuurman is 40 meter. In de Handreiking wordt kinderopvang gerekend tot milieucategorie 2. Op grond van de Handreiking mag je daarom – in het ‘rustige buitengebied’ - uitgaan van een aan te houden richtafstand voor geluid van 30 meter. Met die afstand is er dan ook sprake van een ‘aanvaardbare geluidsbelasting’.

Aangezien de overbuurman 40 meter verderop woont, wordt er dus ruimschoots voldaan aan de richtafstand voor geluid. Zolang de overbuurman geen omstandigheden in zijn beroepschrift aanvoert die zijn vrees voor geluidsoverlast nader onderbouwen, is zijn betoog in feite kansloos.

Ja, hij doet nog één poging. “In ons land komt de wind meestal uit het westen. En ik woon ten oosten van het beoogde kinderopvangverblijf. Ik ervaar daarom straks meer overlast!” Aldus de radeloze overbuurman.

Helaas, dit mag hem niet baten. De Raad van State oordeelt dat de westenwind zo vaak in ons land voorkomt, dat ‘daarmee moet worden geacht te zijn rekening gehouden bij de in de VNG-brochure gehanteerde richtafstanden.’

Voor ervaren rotten die al langer meedraaien in dit vak mag dit artikel misschien dan geen ‘eye-opener’ zijn (het artikel is ook eigenlijk bedoeld voor onze collega’s die nog geen of weinig ervaring hebben met de perikelen rond milieuzonering), maar op het eind van het artikel dus toch nog een nieuwtje:

Pleidooien om richtafstanden van de Handreiking nog eens op te rekken door hier de westenwind bij te betrekken, kun je dus in de wind slaan.

ABRvS 24 juni 2020, nr. 201904788/1/R2

Artikel delen