Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Matiging bestuurlijke boete

Bij besluit van 25 augustus 2020 heeft het college van Den Haag aan appellante een bestuurlijke boete van € 10.000 opgelegd wegens het in gebruik geven van woonruimte aan een persoon zonder dat deze beschikt over de benodigde huisvestingsvergunning.

15 juni 2024

Jurisprudentie – Samenvattingen

Appellante betoogt onder andere dat de opgelegde boete te hoog is.

De Afdeling overweegt allereerst dat de hoogte van de boete dient te worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb omdat de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Hierin is bepaald dat het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Het college heeft naar voren gebracht dat als geconstateerd wordt dat een woning in gebruik is door een persoon die niet over de benodigde huisvestingsvergunning beschikt, wordt bezien of hij die vergunning op dat moment wel al heeft aangevraagd. Als de bewoner een ontvankelijke aanvraag heeft ingediend, wordt eerst afgewacht of de vergunning al dan niet wordt verleend. Als de vergunning wordt verleend, dan legt het college geen boete op. In de andere gevallen waarin overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Hw wordt geconstateerd, legt het college in beginsel wel een boete op. Hieruit volgt dat het college bij de beboeting wegens schending van voornoemde bepaling niet alleen een aanmerkelijk belang hecht aan de omstandigheid dat de benodigde huisvestingsvergunning is aangevraagd, maar ook aan de omstandigheid dat de bewoner al dan niet aan de voorwaarden voor de toekenning van de vergunning voldoet. Dat verschil is niet tot uitdrukking gebracht in Bijlage II van de Hv, waarin de hoogtes van de boete wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Hw zijn bepaald. De Afdeling ziet dan ook aanleiding de opgelegde boete met 50% te matigen vanwege de beperkte ernst van de overtreding. Niet in geschil is namelijk dat de huurder aan de voorwaarden voor de toekenning van de huisvestingsvergunning voldeed. Zie voor de details AbRvS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2314.

Artikel delen