Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Het vertrouwensbeginsel: bouwen op vertrouwen en van een koude kermis thuiskomen

In het bestuursrecht wordt vaak een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Meestal slaagt dat beroep niet. Maar wat als een beroep op het vertrouwensbeginsel wel slaagt? Wat levert dat dan op? Het volgende geval laat zien dat een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, maar de betrokkene uiteindelijk niet verder brengt.

Averdijk, Erik
8 mei 2020

Jurisprudentie – Samenvattingen

De casus

Een inwoner van de gemeente Alphen-Chaam had in de hoek van zijn perceel een houten schuur staan. In 2015 heeft hij die schuur vervangen door een garage en berging met kap. Hij heeft die gebouwd zonder omgevingsvergunning, terwijl er wel een vergunning nodig was. Voordat hij de garage bouwde heeft hij bij de gemeente per e-mail geïnformeerd of hij een omgevingsvergunning nodig had. Per mail diende hij twee tekeningen in. Daarnaast had hij de gemeenteambtenaar per telefoon de afmetingen doorgegeven. De gemeenteambtenaar mailde terug met het volgende bericht: "M.i. kun je het nieuwe bijgebouw zonder vergunning oprichten. Ik heb de tekeningen aan de landelijke wetgeving voor vergunningvrij bouwen getoetst. Het bijgebouw voldoet aan artikel 2 lid 3 onder b van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht." De inwoner heeft de garage vervolgens gebouwd.

De buurman was het met het bouwplan niet eens en vroeg de gemeente om handhavend op te treden. Hij wilde dat de garage werd afgebroken. De gemeente was het met hem eens en droeg de inwoner op om de garage af te breken. De inwoner maakte bezwaar en voerde aan dat hij er op basis van de e-mail op mocht vertrouwen dat hij de garage mocht bouwen. De gemeente gaf hem daarin gelijk.

De buurman liet het er niet bij zitten en stapte naar de rechtbank. Hij vond dat zijn belang bij afbraak van de garage zwaarder moest wegen dan de toezegging van de ambtenaar. Ook vond hij dat het algemeen belang dat gediend is bij handhaving zwaarder moest wegen. De rechtbank gaf de buurman gelijk. De rechtbank oordeelde dat de gemeente weliswaar bij de inwoner het vertrouwen had gewekt dat hij de garage mocht bouwen, maar dat het belang van de buurman en het algemeen belang bij afbraak zwaarder moesten wegen. Volgens de rechtbank moest de garage dus worden afgebroken.

Uitspraak Afdeling

De inwoner ging in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die oordeelde op 6 mei 2020 als volgt. Allereerst oordeelt de Afdeling dat de inwoner inderdaad een beroep op het vertrouwensbeginsel mocht doen. Dus, hij mocht er op vertrouwen dat hij de garage zonder omgevingsvergunning mocht bouwen. De Afdeling oordeelt echter ook dat in dit geval het algemeen belang en het belang van de buurman zwaarder moeten wegen dan het belang van de inwoner. Dat betekent dat de inwoner, ondanks de toezegging van de gemeente, de garage moet afbreken. De gemeente moet dus een handhavingsbesluit nemen. Zij moet daarbij van de Afdeling ook betrekken dat de inwoner schade lijdt. De garage kostte € 86.500,--. Die schade moet de gemeente vergoeden.

Conclusie

De uitspraak leert dat het mogelijk is om met succes een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel. De uitspraak leert ook dat het algemeen belang en het belang van anderen soms zwaarder moeten wegen. In dat geval kan de gemeente verplicht worden om schade te vergoeden. De inwoner van Alphen-Chaam deed met succes een beroep op het vertrouwensbeginsel, maar kwam van een koude kermis thuis. Het algemeen belang en dat van zijn buurman moeten zwaarder wegen, waardoor de inwoner zijn garage moet afbreken. De gemeente moet wel zijn schade vergoeden.

Artikel delen