Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Handhaving omgevingsplan: uitspraak die overweging over beginselplicht tot handhaving ook doortrekt naar regime Omgevingswet

Op 5 juni 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:3458 deed de Rechtbank Gelderland een uitspraak over handhaving van de regels van het omgevingsplan. Het fokken van honden is in strijd met het Omgevingsplan. Interessant aan de uitspraak is ook dat de standaardoverweging over de beginselplicht tot handhaving in de uitspraak ook onder het regime van de Omgevingswet wordt voortgezet.

15 juni 2024

Jurisprudentie – Samenvattingen

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de besluiten van het college om hen te gelasten te (laten) stoppen met het bedrijfsmatig fokken en verkopen van honden en alleen hobbymatig honden te houden. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben daartegen gemotiveerd bezwaar gemaakt.

Verzoekers houden sinds de coronatijd een groot aantal honden en hebben daar ook mee gefokt. Bij een door het college uitgevoerde controle op 14 maart 2024 zijn op het perceel van verzoekers aan de [locatie 1] in [plaats] 29 volwassen honden en 8 puppy’s uit twee nestjes aangetroffen. Op het perceel aan de [locatie 2] in [plaats] zijn bij deze controle 23 volwassen honden aangetroffen. Omdat de bedrijfsmatige activiteiten van [verzoeker 3] zich uitstrekken over beide percelen, heeft het college de op beide percelen aangetroffen honden meegeteld. In totaal werden 51 volwassen honden gehouden.

Het college heeft verzoekers voor elke perceel een last onder bestuursdwang opgelegd en opgedragen het bedrijfsmatig fokken met honden te staken omdat dit in strijd is met de Omgevingswet en het Omgevingsplan. Hierbij heeft het college aangegeven dat verzoekers per perceel maximaal 8 honden hobbymatig mogen houden en per jaar 3 nestjes mogen hebben. Voldoen verzoekers niet uiterlijk 5 juni 2024 aan deze lasten, dan zal het college de honden meevoeren en elders onderbrengen, op 8 honden per perceel na. De kosten die aan de ten uitvoerlegging van de lasten zijn verbonden worden op verzoekers verhaald. Welke wet is van toepassing?

Het college heeft verzoekers aangeschreven de overtreding van de Omgevingswet en het Omgevingsplan te beëindigen. Verzoekers hebben betoogd dat de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo) op dit geschil van toepassing is.

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

Het college heeft ter zitting toegelicht dat hoewel eerdere lasten onder dwangsom wel zijn opgelegd na een verzoek om handhaving, het college onderhavige besluiten ambtshalve heeft opgelegd omdat niet aan de eerder opgelegde lasten onder dwangsom werd voldaan.

Nu aan de bestreden besluiten geen verzoek om handhaving ten grondslag ligt dat is gedaan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is de Omgevingswet op dit geschil van toepassing. Is het college bevoegd om handhavend op te treden?

Verzoekers hebben aangevoerd dat de honden niet goed zijn geteld tijdens de controle op 14 maart 2024. Het verschil tussen de toegestane volwassen 16 honden en de getelde 51 honden is echter zo groot, dat ook als enkele honden dubbel geteld zouden zijn er sprake is van een overtreding. Verzoekers hebben niet betwist dat zij door bedrijfsmatig honden te fokken in strijd handelen met het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal. Daar hebben verzoekers geen omgevingsvergunning voor. Hierdoor handelen zij in strijd met artikel 5.1. van de Omgevingswet. Dit is tussen partijen niet in geschil. Het college is dan ook bevoegd handhavend op te treden.

Bij overtreding van een wettelijk voorschrift moet het bestuursorgaan dat daartegen met bestuursdwang of een last onder dwangsom kan optreden, dat in het algemeen ook doen. Dat is immers in het algemeen belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien er sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Bovendien kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van handhaving in die concrete situatie afgezien behoort te worden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen concreet zicht is op legalisatie van de overtreding. Bovendien zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat van handhavend optreden in dit concrete geval zou moeten worden afgezien. Het college heeft op zitting toegelicht dat al meerdere lasten onder dwangsom zijn opgelegd om het bedrijfsmatig fokken te laten beëindigen, maar dat deze nog niet het gewenste effect hebben gehad. Er zijn nog altijd teveel honden. Verzoekers hebben op zitting gewezen op de moeilijke tijd die zij hebben gehad door onder meer de ziekte van hun zoon. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit voor verzoekers een ingrijpende en emotioneel zware tijd is geweest, maar dit ontslaat hen niet van de verplichting om in overeenstemming met het Omgevingsplan te handelen (voorheen bestemmingsplan) en eerdere opgelegde handhavingsbesluiten op te volgen. Het college hoefde hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding in te zien om van handhaving af te zien.

Ter zitting hebben verzoekers benadrukt dat zij druk bezig zijn om het aantal honden te verminderen. Zij zoeken een goed huis voor de honden en hebben nu nog per perceel 16 volwassen honden en in totaal 7 pups. Uit het controleverslag van 14 maart 2024 blijkt dat de honden er gezond en goed verzorgd uitzagen. Het college heeft het aantal honden, noch het feit dat de honden op dit moment goed verzorgd worden, ter zitting betwist. De voorzieningenrechter heeft het college ter zitting gevraagd of er bereidheid bestaat een controle uit te voeren teneinde vast te kunnen stellen of het aantal honden inderdaad is verminderd en of het college in dat geval bereid is om verzoekers nog extra tijd te gunnen om het aantal honden nog verder omlaag te brengen. Het college heeft ter zitting aangegeven daar gezien de voorgeschiedenis niet bereid toe te zijn. Het college wil pas gaan controleren wanneer de begunstigingstermijn verstreken is en ook direct actie kan worden ondernomen.

De voorzieningenrechter stelt – uitgaande van de door verzoekers ter zitting gegeven en door het college bij gebrek aan recente controle niet betwiste toelichting - vast dat het aantal honden in de afgelopen 2 maanden van 51 naar 32 is afgenomen. Dat is een significante afname. Verder hebben verzoekers gesteld dat zij geen nieuwe nestjes hebben en die ook niet verwachten. Hoewel het verzoekers eerder (ook strafrechtelijk) is verweten dat zij hun dieren slecht verzorgen, lijkt daar op dit moment wat betreft de honden geen sprake van te zijn. Dit heeft het college ook ter zitting bevestigd. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het besluit van 23 april 2024 tot en met 5 juli 2024 te schorsen. Verzoekers krijgen daarmee extra tijd. Zij krijgen een allerlaatste kans om een goed tehuis voor de honden te zoeken en het aantal honden tijdig te verminderen. Dit betekent dat als er na 5 juli 2024 nog meer dan 8 honden per perceel aanwezig zijn het college bevoegd is deze honden mee te nemen en elders in bewaring te nemen en de kosten daarvan op verzoekers te verhalen.

Conclusie en gevolgen De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 23 april 2024 is geschorst tot en met 5 juli 2024.

Artikel delen