Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Forfaitaire vergoedingenstelsel Besluit proceskosten bestuursrecht niet in strijd met EVRM, EU-Handvest en Verdrag van Aarhus

In de uitspraak van 8 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1798) oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) dat het forfaitaire vergoedingenstelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (“Bpb”) niet in strijd is met hoger internationaal en Europees recht, meer in het bijzonder art. 6 EVRM, art. 47, tweede alinea, EU-Handvest (gelezen in samenhang met art. 52, eerste lid, EU-Handvest) en art. 9, tweede en vierde lid, Verdrag van Aarhus.

15 mei 2024

Samenvatting

Samenvatting

Om die reden is er volgens de Afdeling geen aanleiding om over te gaan tot een proceskostenveroordeling die strekt tot vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand.

Drie rechtspersonen, die succesvol waren in hun beroep tegen de gecoördineerd voorbereide besluitvorming over het beoogde hergebruik van een voormalige vliegbasis (zie de Afdelingsuitspraak van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4540), betoogden dat het slechts gedeeltelijk vergoeden van daadwerkelijk gemaakte proceskosten bij vernietiging van het bestreden besluit niet eerlijk en billijk en buitensporig kostbaar is.

De Afdeling overweegt dat in het Bpb is geregeld welke proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen en hoe die kosten -  aan de hand van een puntensysteem en op basis van forfaitaire bedragen -  moeten worden vastgesteld. Deze systematiek acht de Afdeling nog steeds in overeenstemming met art. 6 EVRM (vgl. de Afdelingsuitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:420). Ook van strijd met art. 47 EU-Handvest en art. 9, vierde lid, Verdrag van Aarhus (en art. 11, vierde lid, van de mer-richtlijn, als omzetting van laatstgenoemd artikel) is geen sprake.

Weliswaar vormt de omstandigheid dat niet alle daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed een beperking van het door art. 47, tweede alinea, EU-Handvest beschermde recht op toegang tot de rechter, maar dit leidt - gelet op art. 52, eerste lid, EU-Handvest -  niet tot strijdigheid:  de beperking is naar het oordeel van de Afdeling evenredig (omdat het in art. 47 EU-Handvest neergelegde doeltreffendheidsbeginsel geen verbod inhoudt voor de nationale rechter om bepaalde kosten ten laste te laten van een procespartij) én gerechtvaardigd (omdat het eenvoudig houden van de regels over proceskostenveroordeling beantwoordt aan door de Europese Unie erkende doelstellingen van algemeen belang, namelijk het via een beheersbaar systeem van bestuursrechtelijke rechtsbescherming nastreven van een goede rechtsbedeling, zonder dat het oogmerk van ruime toegang tot de bestuursrechter in het gedrang komt). 

Artikel delen