Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Besluit tot aanwijzing object als Rijksmonument appellabel, ook als het slechts de uitbreiding van de redengevende omschrijving (‘bijbescherming’) betreft

In haar uitspraak van 8 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1968) oordeelt de Afdeling dat de reactie van een bestuursorgaan op een verzoek om tot aanwijzing van een zelfstandig Rijksmonument (“monument”) over te gaan op rechtsgevolg is gericht en daarmee appellabel is, ook als in afwijking van dat verzoek aan het beschermde objectgeen eigen monumentnummer is toegekend.

15 mei 2024

Samenvatting

Samenvatting

Aanleiding voor dit oordeel was het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de redengevende omschrijving van een als Rijksmonument beschermd kasteel te wijzigen door daaraan een houtschuur en een zonnewijzer op console toe te voegen, zonder aan beide objecten een eigen monumentnummer toe te kennen.

De Afdeling overweegt dat monumenten als zodanig worden aangewezen bij besluit. In een aanwijzingsbesluit kan één onroerende zaak als beschermd monument worden aangewezen, maar ook samenstellende onderdelen tezamen. De zogenoemde redengevende omschrijving heeft in dit verband als doel om aan te geven welke aspecten en bestanddelen van het object of de samenstellende onderdelen in het bijzonder beschermingswaardig zijn. Met het opnemen van een aspect of bestanddeel in de redengevende omschrijving en het onherroepelijk worden van het betrokken aanwijzingsbesluit, komt de beschermende werking van de Erfgoedwet (voorheen: de Monumentenwet 1988) tot stand.

Een bij besluit aangewezen zelfstandig monument - de onroerende zaak of de samenstellende onderdelen - als zodanig krijgt een monumentnummer, waaronder het monument in het register vindbaar is. Aan een object kan volgens de Afdeling dus op twee manieren de beschermende werking van de Erfgoedwet (en voorheen: de Monumentenwet 1988) toekomen: ofwel door het object op te nemen in een reeds bestaande redengevende omschrijving (zonder toekenning van een eigen monumentnummer, het zogenoemde bijbeschermen) ofwel door het object zelfstandig aan te wijzen als monument (waarna het object een eigen monumentnummer krijgt).

Uit de Afdelingsuitspraak van 10 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1508) volgt dat, indien een ambtshalve beslissing van de minister om een beschermd monument aan te wijzen een beschikking is, het verzoek van een belanghebbende om een zodanige beschikking te nemen kwalificeert als een aanvraag in de zin van art. 1:3, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) en de afwijzing van een dergelijke aanvraag een zelfstandig appellabele beschikking is (zie in dit verband ook ons Signaleringsblog week 16).

In de voorliggende zaak oordeelt de Afdeling dat het op verzoek genomen besluit om beide objecten niet als zelfstandig monument aan te wijzen (waar de stichting in kwestie wel om had verzocht) maar via bijschrijving onder de beschermende werking van de Erfgoedwet te brengen appellabel is, omdat het rechtsgevolg van dit besluit niet alleen ziet op het toepasselijk worden van de gewenste beschermende werking (waaraan de minister was tegemoetgekomen), maar - vanwege het ontbreken van een eigen monumentnummer - ook op inperking van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een professionele onderhoudssubsidie.

Op grond van art. 30, tweede lid, Subsidieregeling instandhouding monumenten kan de minister namelijk een professionele organisatie voor monumentenbehoud aanwijzen, mits die organisatie eigenaar is van ten minste twintig zelfstandig aangewezen monumenten met een eigen monumentnummer.

De omstandigheid dat losse objecten binnen een redengevende omschrijving met eenzelfde monumentnummer in dit verband niet meetellen, rechtvaardigt volgens de Afdeling dat rechtsbescherming openstaat tegen het besluit van de minister. 

Artikel delen