nieuws

Verbeurde dwangsommen: vangen of achter het net vissen?

15-04-2019

De ontwikkelingen in het bestuursrecht volgen elkaar in rap tempo op. Wekelijks verschijnen er interessante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die van belang zijn voor de rechtspraktijk van alle dag. Een timmerman kan niet zonder goed gereedschap en dat geldt natuurlijk ook voor de jurist en de juridisch medewerker. Kennis van het actuele bestuursrecht is dan ook onontbeerlijk.

In deze blog sta ik stil bij de invordering van verbeurde dwangsommen, want dat gaat niet altijd goed, zo blijkt dikwijls uit de rechtspraak.

De verjaringstermijn bij de invordering van verbeurde dwangsommen is relatief kort. Volgens artikel 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbeurt de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom een jaar na de dag waarop zij is verbeurd. Na dat jaar vist het bestuursorgaan dus achter het net (zie art. 4:104 lid 2 Awb), tenzij de verjaringstermijn tijdig wordt gestuit (art. 4:105 en 4:106 Awb), of verlengd vanwege uitstel van betaling (art. 4:111 Awb).

Om te weten op welke dag de verjaringstermijn aanvangt én eindigt, moet je dus weten wanneer een dwangsom verbeurt. Uit artikel 5:33 van de Awb volgt dat een dwangsom van rechtswege verbeurt. Daarna heeft de overtreder zes weken de tijd om deze te betalen. Dit houdt in dat de dwangsom verbeurt na het verstrijken van de begunstigingstermijn, de termijn waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd, of, in het geval van een last die gericht is op het voorkomen van een toekomstige, niet voortdurende overtreding, wanneer de overtreding wordt geconstateerd. Voor het verbeuren van een dwangsom is dus geen afzonderlijke beschikking vereist. Dat geldt ook voor de plicht tot betaling; deze vloeit, gelet op artikel 5:33 van de Awb, rechtstreeks uit de wet voort.

Dat een college dit alles niet helemaal scherp op het netvlies heeft, blijkt uit een uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3467). Zo had het college op 29 april 2016 een tweetal eigenaren van een recreatiewoning in Norg gelast de permanente bewoning van die woning te beëindigen en beëindigd te laten houden onder oplegging van een last onder dwangsom van € 15.000,00 ineens. De begunstigingstermijn werd vastgesteld op zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, zodat die termijn eindigde op 30 oktober 2016. Op 14 augustus 2017 en 15 februari 2018 constateert het college dat de recreatiewoningen nog steeds permanent worden bewoond en stelt vervolgens dat de dwangsommen op die momenten zijn verbeurd. Het college besluit de dwangsommen met besluit van 27 maart 2018 in te vorderen (art. 5:37 lid 1 Awb).

De Afdeling steekt daar echter een stokje voor. Anders dan het college meent, zijn de dwangsommen niet op het moment van de controles, maar na het verstrijken van de begunstigingstermijn verbeurd. Het verbeuren van een dwangsom is namelijk niet afhankelijk gesteld van een constatering door het college. De omstandigheid dat het college op het moment dat de begunstigingstermijn eindigde nog niet had vastgesteld of al dan niet aan de last was voldaan, daargelaten of het college dat toen al wel had kunnen vaststellen, doet er volgens de Afdeling niet aan af dat het college later heeft vastgesteld dat de permanente bewoning van de recreatiewoningen niet is beëindigd en niet beëindigd is geweest. Daarmee is vast komen te staan dat de overtreding op 30 oktober 2016, het moment dat de begunstigingstermijn was geëindigd, nog voortduurde, zodat de dwangsom van €15.000,00 per recreatiewoning op dat moment is verbeurd. Gelet op de verjaringstermijn van een jaar was de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom verjaard op 31 oktober 2017. Toen het college pas op 27 maart 2018 besloot de verbeurde dwangsommen in te vorderen, was het dus te laat en viste het achter het net.

Een andere uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2016) laat een andere vergissing zien. Daar had het college een overtreder op 26 april 2016 een dwangsom opgelegd om het gebruik van een perceel te Roermond voor buitenopslag en het gebruik van de bestaande bebouwing voor het hebben van een tweede (bedrijfs-) woning te staken en gestaakt te houden. Aan beide lasten had het college een dwangsom verbonden van € 1.500,00 per overtreding, met een maximum van € 15.000,00. Op 11 juli 2016 laat het college de overtreder weten dat voor beide lasten drie overtredingen zijn geconstateerd en dat daarmee in totaal € 9.000,00 is verbeurd. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld dat bedrag binnen zes weken over te maken. Op 7 september 2016 ontvangt zij een aanmaning, waarin is vermeld dat de betaaltermijn ruim is verstreken en zij wordt dan ook verzocht binnen veertien dagen het verschuldigde bedrag alsnog over te maken. Op 20 september 2016 neemt het college een invorderingsbeschikking en op 30 november 2016 laat het vervolgens een dwangbevel uitvaardigen tot betaling van de verbeurde dwangsom van € 9.000,00 en bijkomende kosten.

Wat is hier niet goed gegaan?

Het eerste lid van artikel 5:37 van de Awb bepaalt dat alvorens aan te manen het bestuursorgaan bij beschikking beslist omtrent de invordering van een dwangsom. Het college had dit echter omgedraaid. Eerst was namelijk een aanmaning verzonden en pas daarna de beschikking tot invordering. De geldschuld was dus niet eerst bij besluit vastgesteld, alvorens aan te manen. Gevolg is dat de aanmaning niet kan worden aangemerkt als een invorderingshandeling en dat geldt volgens de Afdeling ook voor het dwangbevel, omdat die in strijd met artikel 4:117 van de Awb niet is voorafgegaan door een aanmaning. Een ander oordeel zou volgens de Afdeling betekenen dat betrokkene een aanmaning tot betaling kon worden onthouden en rauwelijks kan worden geconfronteerd met een dwangbevel inclusief de daarbij bijbehorende kosten, hetgeen zich niet verdraagt met het in de Awb beoogde systeem. Omdat zowel de aanmaning als het dwangbevel niet kunnen gelden als invorderingshandeling en zij daarom geen stuitende werking hebben, was ook in deze casus de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen na een jaar verjaard. Opnieuw vist een college achter het net.

Conclusie

Bovenstaande uitspraken leren ons dat je bij verbeurde dwangsommen rekening moet houden met een korte verjaringstermijn van slechts een jaar. Daarnaast is het belangrijk je bewust te zijn van de wettelijke spelregels rond verbeurte, (dwang)invordering en verjaring. Een fout is snel gemaakt en het gevolg is dat verbeurde dwangsommen vanwege verjaring niet meer met succes ingevorderd kunnen worden, wat afbreuk doet aan een effectieve handhaving. Wees je er ook van bewust dat de invorderingsbeschikking van artikel 5:37 van de Awb, in tegenstelling tot een aanmaning, geen stuitende werking heeft. Deze beschikking, die slechts als doel heeft de geldschuld wat betreft een verbeurde dwangsom vast te stellen, wordt immers niet vermeld in de artikelen 4:105 en 4:106 van de Awb. Dit is een veel gemaakte fout in de praktijk! Zie o.a. ECLI:NL:RVS:2016:1203.

Wim Krol geeft op 21 mei ook de cursus Update Awb. Bekijk hier het programma.

Meer van Omgevingsweb