Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Update Wet open overheid – jurisprudentie, voortgangsbericht en ECB-advies

In een eerdere blog (“Doorstart van de Wet open overheid”) 1) is ingegaan op de (voorgestelde) nieuwe wettelijke regeling voor het openbaar maken van overheidsinformatie: de Wet open overheid (Woo). Deze wet beoogt de huidige Wet openbaarheid van bestuur (Wob) te vervangen. Het oorspronkelijke ontwerp van de Woo werd (met name financieel) zo goed als onuitvoerbaar bevonden. Daarom hebben de initiatiefnemers een wijzigingswetsvoorstel aanhangig gemaakt. Enkele ontwikkelingen die zich sinds de vorige blog hebben voorgedaan, worden aangegrepen om een vervolgbericht te schrijven over de Woo.

2 december 2019

1) https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/doorstart-van-de-wet-open-overheid

Ontwikkeling (i) – nu al jurisprudentie?

In de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 juni 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:2999), heeft eiseres betoogd dat bij de beoordeling van haar Wob-verzoek de Woo een (grotere) rol had moeten spelen. Volgens eiseres doet daaraan niet af dat de Woo nog niet in werking is getreden. Volgens de initiatiefnemers van de Woo, zo stelt eiseres, voldoet de Wob niet langer en is de Woo een uitvloeisel en bekrachtiging van de rechtspraak die onder de Wob is ontstaan. De rechtbank gaat hierin echter niet mee; onder verwijzing naar een Afdelingsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2014:4142), overweegt de rechtbank dat niet kan worden geanticipeerd op toekomstige wetswijzigingen.

De rechtbank lijkt hiermee een voor de hand liggend oordeel te geven. Een vergelijkbaar oordeel vindt men in de uitspraak van dezelfde rechtbank van 28 juli 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:5201), naar aanleiding van het betoog van de Stichting Platform Tegenwind N33 (indiener van het Wob-verzoek) dat de Wob conform de Woo zou moeten worden uitgelegd.

Ook de rechtbank Midden-Nederland heeft op 18 mei 2018 een soortgelijk oordeel gegeven (ECLI:NL:RBMNE:2018:2312). De indiener van het Wob-verzoek betoogde, onder meer onder verwijzing naar de Woo, dat het bevoegd gezag “persoonlijke beleidsopvattingen” te ruim heeft geïnterpreteerd. Art. 5.2 lid 1 Woo kent namelijk een opsomming van wat onder persoonlijke beleidsopvattingen moet worden verstaan. De rechtbank gaat hier niet in mee: “Daargelaten dat het gaat om toekomstige wetgeving waarop thans geen geslaagd beroep kan worden gedaan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip [‘persoonlijke beleidsopvatting’].

Niettemin is er ook rechtspraak die een ander beeld laat zien. Al iets anders dan de vorige uitspraken is de overweging van de Afdeling in haar uitspraak van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3299), waarin de Wob-verzoeker heeft aangevoerd dat: “hoewel het wetsvoorstel nog niet in werking is getreden, rekening had moeten worden gehouden met de [Woo], omdat onder de Woo een document niet altijd als concept kan worden gekwalificeerd.” De Afdeling legt dit betoog niet expliciet naast zich neer met de motivering dat niet kan worden geanticipeerd op toekomstige wetswijzigingen, maar oordeelt dat geen aanleiding bestaat om vooruitlopend op de bekrachtiging en inwerkingtreding van het wetsvoorstel Woo hierover anders te oordelen. Dit oordeel impliceert (al dan niet bewust) dat er in andere gevallen wel aanleiding kan bestaan om alvast aan de Woo te toetsen.

Opvallend genoeg is er ook jurisprudentie waarin wel (meer) inhoudelijk op de Woo wordt ingegaan. In de bekende rechtbankuitspraak van 28 november 2017 over sms- of WhatsApp-berichten, neemt de rechtbank Midden-Nederland de verwijzing van verweerder naar de wetsgeschiedenis van de Woo over, in plaats van deze verwijzing expliciet naast zich neer te leggen (ECLI:NL:RBMNE:2017:5979).

In een civiele procedure tegen een Dordtse “big wobber” heeft de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid een verbod gevorderd voor de betrokkene om zich gedurende een aaneengesloten periode van vijf jaar, meer dan één keer per kwartaal tot de Omgevingsdienst te wenden. Het gerechtshof Den Haag verwijst in het arrest van 7 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1526) naar de voorgestelde misbruikbepaling in art. 4.6 Woo en oordeelt: “dat in het [wetsvoorstel] uitsluitend voor het betrokken bestuursorgaan de mogelijkheid is opgenomen te besluiten een verzoek niet te behandelen in geval van misbruik. In de door de Omgevingsdienst gevraagde maatregel van een door de burgerlijke rechter uit te spreken algehele buitenbehandelingstelling op voorhand is ook in dit wetsvoorstel niet voorzien.”

Ontwikkeling (ii) – voortgangsbericht

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ollongren heeft bij brief van 18 juni 2019 de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het wetsvoorstel. Het kabinet laat een uitvoeringstoets uitvoeren op Rijksniveau met het oog op de verwachte uitvoerings- en financiële consequenties van de wet. Bovendien wordt over het wijzigingswetsvoorstel overleg gevoerd met de VNG en het IPO. De uitkomsten van de toets en het overleg zijn nog niet bekend. De Minister verwacht de Tweede Kamer in het najaar daarover te kunnen informeren.

Ontwikkeling (iii) – advies Europese Centrale Bank (ECB) over de Woo

Uit het parlementaire dossier over het wijzigingswetsvoorstel van de Woo, blijkt dat inmiddels de ECB heeft geadviseerd over de Woo. De ECB is om advies gevraagd omdat DNB nu niet onder het bereik van de Wob valt (zie artikel 1a lid 2 Wob en het Besluit bestuursorganen WNo en Wob) en de Woo veranderingen in het openbaarheidsregime teweeg zal brengen voor DNB.

Het advies van de ECB is grotendeels positief. Een punt van zorg is het overgangsrecht. De ECB schrijft dat het wetsvoorstel dat niet heeft, wat betekent dat dit terugwerkende kracht heeft. Volgens de ECB zou het wetsvoorstel zo’n overgangsregeling wel moeten hebben, zodat de Woo alleen betrekking heeft op informatie die DNB verkrijgt na inwerkingtreding van de wet.

Over dit advies kan worden opgemerkt dat de Woo (in ieder geval voor nu) alleen voor wat betreft actieve openbaarmaking géén terugwerkende kracht kent (zie pagina 10 van de memorie van toelichting). Over de al dan niet terugwerkende kracht bij passieve openbaarmaking onder de Woo is – voor zover mij bekend – nog geen expliciet standpunt ingenomen. Een inhoudelijke reactie op het advies van de ECB zal worden opgenomen in de memorie van toelichting bij het wijzigingswetsvoorstel zoals dat zal worden gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State.

Een groot deel van deze bijdrage is ook gepubliceerd in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht van SDU

Artikel delen