nieuws

Niels Koeman: ‘De energietransitie kan de startmotor van de Omgevingswet zijn’

13-12-2018

Een versnelling van de energietransitie is nodig, maar de afgelopen tijd is er slechts beperkt vooruitgang geboekt. De Rli heeft op 13 december het advies 'Warm aanbevolen' gepubliceerd. Hierin doet de raad concrete aanbevelingen om de transitie in een versnelling te brengen. Wij spraken met Niels Koeman, raadslid Rli en commissievoorzitter, over het advies en de aanbevelingen: “Duidelijkheid over de energietransitie kan niet snel genoeg komen.”

Vanuit welke behoefte is dit advies geschreven?

“De energietransitie is voor de gebouwde omgeving technisch overzichtelijker dan voor de industrie. Hoe je bij Tata Steel staal zonder kolen maakt is echt complex. Bij de gebouwde omgeving is het ‘simpelweg’: ketel eruit en vervanging erin.
Tegelijkertijd is het ook hier een heel ingewikkelde kwestie, want we hebben het over zeven miljoen woningen. Daarnaast nog bedrijfsgebouwen, kantoren, ziekenhuizen, winkels en ga zo maar door. Je moet overal achter de voordeur komen om de energietransitie voor elkaar te krijgen. Je ziet dat er interessante dingen te berde worden gebracht, maar dat een concrete routekaart ontbreekt. Dit advies is dus een poging om te komen tot een aantal algemene uitgangspunten en vervolgens een soort route uit te stippelen. En dan niet op metaniveau, maar echt concreet. Hoe komen we van nu naar die doelstellingen van 2030 en 2050?”

“Er moeten een paar goede startmotoren ingezet worden, dan kan het snel gaan.”

Er is veel werk te doen. Denkt u dat 2050 haalbaar is?

“Ik denk dat het moet kunnen. Er zitten twee kanten aan. Aan de ene kant slaat de schrik om ‘t hart als je de aantallen ziet. Tegelijkertijd kun je ook zeggen: ‘We hebben nog ruim dertig jaar, dus laten we niet al te zenuwachtig doen’. Het hoeft niet eind volgend jaar allemaal klaar te zijn.
Belangrijk is de concretisering. Er moet in ieder geval snel helderheid over komen; dus die routekaart.
Daarover moeten we het snel eens worden.
Vervolgens moeten er een paar goeie startmotoren ingezet worden. Dat zijn in onze ogen de corporaties en de overheidsgebouwen en de isolatie van woningen die nog niet geïsoleerd zijn. Dat moet nu op gang gebracht worden. De corporaties gaan de komende vijf tot tien jaar aan de slag. De gemeentehuizen en de belastingkantoren worden aangepakt. Dat geeft ook het goede voorbeeld aan de burger, die zal horen en merken hoe prettig het wonen en werken is in dat soort gebouwen.
Het zal er ook toe leiden dat het kunstje wordt uitgevonden, hoe het werkt met die warmtepompen. En warmtepompen kunnen waarschijnlijk ook nog in prijs gehalveerd worden, als er maar volume is.
Dan kan het betrekkelijk snel gaan. Je moet ook bedenken, de gemiddelde Nederlander verhuist iedere zeven tot tien jaar. Je kunt op die verhuisbeweging meeliften – isoleren, eventueel al die warmtepomp erin. Alles in ogenschouw nemende, is 2050 zeker haalbaar.”

“Voor de beschikbaarheid van mensen zou je bijna verlangen naar een iets minder sterke woningmarkt.”

We zitten nu in een markt met hoge en stijgende woningprijzen. Kijken we dan niet nu al naar het meest optimistische scenario?

“Als de huizenprijzen stijgen, is het inderdaad makkelijk om wat extra te lenen om te isoleren. Dat klopt. Het is ook realistisch om ervan uit te gaan dat we in de periode tot 2050 een of meerdere dips in het vastgoed meemaken. Daar staat tegenover dat er nu misschien niet genoeg handjes zijn om al het werk te doen. Het klinkt wat gek, maar je zou bijna hopen dat die vlucht in woningen er een beetje uit gaat, zodat de bouwvakkers niet alleen dure huizen voor projectontwikkelaars bouwen, maar ook de wijken kunnen aanpakken waar deze verandering moet plaatsvinden. Voor de beschikbaarheid van mensen zou je bijna verlangen naar een iets minder sterke woningmarkt.”

Welke concrete plannen geeft het advies voor de komende jaren?

“We adviseren in 2019 een richtinggevende leidraad te hebben. In 2020 moeten de regionale energiestrategieën beschikbaar zijn en in 2021 kunnen dan de gemeentelijke warmteplannen worden vastgesteld. Die datum is natuurlijk niet toevallig. De gedachte is dat het onderdeel van het omgevingsplan kan worden.”

Hoe belangrijk is die koppeling met het omgevingsplan?

“Belangrijk. Op dat moment hebben we een systeem van besluitvorming met inspraak, de gemeenteraden die keuzes moeten maken en beroepsmogelijkheden bij de Raad van State.
De vraag komt eraan: wat gaat er in mijn wijk gebeuren? Gaan we over op een warmtenet, all-electric, of toch de geothermie benutten? Die keuzes moeten gemaakt worden door de gemeentelijke overheid. Dat kan ook niet anders, want je kan niet per huis een andere keuze maken. Dat dit vervolgens in een bekende, maar ook controleerbare procedure gebeurt, vind ik een goede zaak. Een extra reden dus om de Omgevingswet niet verder uit te stellen.”

“Benut het eerste jaar van de Omgevingswet om duidelijkheid te bieden over de energietransitie.”

Nog niet iedere gemeente is al zo ver met de Omgevingswet.

“Het zou heel goed passen om warmteplannen een onderdeel te maken van omgevingsplannen en daar de keuzes te maken per buurt. Daar zit de urgentie in. Stel eventueel de globalere planvormen en het klassieke stuk van de ruimtelijke ordening nog even uit, maar zorg dat er duidelijkheid ontstaat over de energietransitie in de gebouwde omgeving. Daar moeten gemeenten het eerste jaar van de Omgevingswet voor benutten.
Het zou ook best een verplichtend karakter kunnen hebben. In zekere zin is het dan ook een soort startmotor voor de Omgevingswet, er kan op deze manier meteen ervaring mee opgedaan worden.”

Het geluid gaat op dat de laagste inkomens de (relatief) hoogste lasten dragen. Moet hierop nog gestuurd worden?

“Er is natuurlijk de vraag: wat is een redelijke verdeling van de kosten? Om van de overheid te vragen of ze alle huizen isoleren, dat lijkt ons geen goed idee. Het is ook geen reële optie om te zeggen dat de overheid wacht tot de buurtbewoners zelf met een warmtenet komen. De Nederlandse overheid heeft voor alle infrastructuur gezorgd wat betreft gas, water, elektriciteit. Dus laat haar ook hier de infrastructuur verzorgen – tot de voordeur. Heb je het over de kosten achter de voordeur, dan moet je eerst kijken of het om huurders of eigenaren gaat. Voor de huurder zou het niet meer moeten betekenen dan een tijdje rommel in z’n huis. Maar de financiële gevolgen zijn zeer te overzien. De huur zal stijgen, maar de gasrekening wordt lager.”

“Het moet voor iedereen een op te brengen investering zijn.”

“De eigenaar is uiteindelijk verantwoordelijk voor wat er achter de voordeur gebeurt. Maar die heeft ook het voordeel van waardestijging van het gebouw. Er is een aantal voorstellen om het ook financieel haalbaar te maken. De Nationale Energieleningengarantie (naar analogie van de Nationale Hypotheekgarantie) bijvoorbeeld. Er zullen ook zeker gevallen zijn waar er ondersteuning van de overheid nodig is. Dat kan in de vorm van gebouwgebonden financiering of de garantie dat de overheid in enkele gevallen het risico afdekt. Tot slot heb je de schrijnende gevallen; een heel slecht geïsoleerd huis, hogere aansluitkosten. Dat kunnen de eigenaren in redelijkheid niet dragen; daar zal dus nog een subsidieregeling voor nodig zijn.
Dat is de denklijn. Als je het zo beschouwt, betaalt iedereen mee. Eigenaren, verhuurders, woningcorporaties en overheden. Dan moet het voor iedereen een op te brengen investering zijn.”

Op dit moment lijken mensen nog afwachtend met het anticiperen op de energietransitie.

“Ook omdat ze niet weten wat er van ze verwacht wordt. Het eerste wat mensen moeten kunnen zien is de visie voor hun buurt, wijk of gemeente. Het eindplaatje moet duidelijk zijn.
Naast duidelijkheid moet er draagvlak komen. Door naar de mensen toe te gaan en te kijken wat de opgaven zijn in die buurt. Wat speelt er en kan je daarbij aansluiten?
Aan de ene kant is het iets waar je zeer zuchtend en zorgelijk over kan zijn. Het is veel en het kost geld. Je kunt het ook bekijken in de sleutel van de vooruitgang en het comfort. Het is namelijk heel fijn wonen. Uiteindelijk hoop je dat mensen er naar gaan uitkijken: wanneer is mijn buurt aan de beurt?"

“Duidelijkheid kan niet snel genoeg komen. Daar is iedereen bij gebaat.”

Een van de aanbevelingen is het sturen met beleid. Een huis zou bijvoorbeeld niet meer verhuurd mogen worden als het niet een bepaald energielabel heeft. Dat lijkt bijna tegenstrijdig met de aanbeveling om draagvlak te creëren.

“Er zit inderdaad een zekere spanning. Het is zoeken naar aan de ene kant de samenleving de ruimte en de kans geven om – en dat geldt met name áchter de voordeur - zelf keuzes en afwegingen te maken en tegelijkertijd ook een klein extra zetje te geven.
Kijk bijvoorbeeld naar de bodemverontreiniging. Dat heeft de overheid geprobeerd af te dwingen met verhalingsacties, wat leidde tot veel procedures en veel gedoe. Het ging pas goed op het moment dat eigenaren zich realiseerden: ik heb een bedrijfsterrein. Als ik een keer wil verkopen of fuseren, raak ik het niet kwijt, want ik heb een meldingsplicht. De eigenaar wordt dan ook probleemeigenaar.
Die gedachte hebben we bij deze aanbeveling. Dus niet de knoet; u moet en u zal, maar vooral richten op het eigen belang. De waarde van het huis vermeerdert, het comfort neemt toe, de gasrekening neemt af, maar ook: als je het huis wilt verkopen, loop je niet tegen barrières aan. En uiteraard moet dat tijdig aangegeven worden.
Hier geldt ook: duidelijkheid is belangrijk. Over sturend beleid, maar zeker ook over de routekaart die we aanbevelen. Duidelijkheid kan niet snel genoeg komen. Daar is iedereen bij gebaat.”

Lees hier het advies ‘Warm aanbevolen: CO2-arme warmte in de gebouwde omgeving’

Meer van Omgevingsweb