Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Integrale organisatie van de wijkgerichte warmtetransitie: van abstracte targets naar uitvoering op straat en achter de voordeur

Grote haast, aantallen, investeringen en onzekerheden

De warmtetransitie in de gebouwde omgeving kenmerkt zich door grote haast, aantallen, investeringen en onzekerheden. In het Klimaatakkoord hebben we afgesproken dat we in dertig jaar zeven miljoen woningen en een miljoen andere gebouwen van het aardgas afhalen. In 2030, dus over tien jaar, moet dit voor de eerste anderhalf miljoen (!) woningen zijn gebeurd. Het tempo moet dus steil omhoog, van 50.000 woningen per jaar in 2021 naar 200.000 woningen per jaar in 2030. Er circuleren schattingen, waarschijnlijk conservatief, van een gemiddelde investering per woning tussen de €15.000 tot 25.000 (met grote verschillen per type woning en warmtebron). Nog onduidelijk is hoe die investeringen worden verdeeld tussen burgers, bedrijven en overheid.

17 januari 2020

Nieuws & Achtergrond

En we komen achter de voordeur

Een belangrijk aspect van de warmtetransitie is dat (bijna) álle Nederlanders ermee te maken gaan krijgen. Niet in abstracte zin, maar in hun wijk, buurt, straat én in hun eigen huis, de privésituatie. Het veranderen van de warmtevoorziening moet immers deels ‘achter de voordeur’ worden uitgevoerd, bijvoorbeeld bij het aanbrengen van isolatie, dichten van kieren en aanleg van nieuwe installaties.

Eenmaal achter de voordeur is er een grote kans dat je behoeften en situaties aantreft waar je niet naar op zoek was. Veel mensen hebben heel andere zorgen dan een slecht geïsoleerd dak en enkel glas. Gemeenten die deelnemen aan programma Aardgasvrije Wijken melden in hun eerste verslagen al dat zij meer tijd dan gedacht ‘kwijt zijn’ aan het beantwoorden van vragen over zorgverlening, schulden, eenzaamheid en allerlei andere vraagstukken, voordat zij het in goede sfeer met bewoners over verduurzaming kunnen hebben. Dat is niet vreemd: als je je ziek bent of niet genoeg geld hebt tot het einde van de maand, dan is spouwmuurisolatie niet je eerste prioriteit.

Ook op buurt- of straatniveau leven vaak sterke ideeën bij bewoners over wat er beter zou moeten of kunnen, bijvoorbeeld meer of andere bomen, meer/minder/andere parkeerplekken, andere bestrating of verlichting, (gevoelens van) onveiligheid en dergelijke. Het is een kans om dit soort (latente) behoeftes mee te nemen in de wijkgerichte warmteaanpak en daarmee het draagvlak ervoor te vergroten.

Integraal werken is een must

Mede hierom is in mijn ogen een écht integrale aanpak noodzakelijk in de wijkgerichte warmtetransitie, met sterke koppelingen tussen het duurzaamheids-, sociale en fysieke domein. Een aanpak die duidelijkheid biedt en tempo maakt, maar die ook uitdrukkelijk rekening houdt met de behoeften van bewoners in andere aspecten van hun leven. Niet alleen huisverwarmend, maar ook hartverwarmend.

Nu hoor ik u zuchten: de energietransitie is al zo ingewikkeld en duur, moet het nog ingewikkelder? In mijn ogen is het simpelweg noodzaak om de zorgen en wensen van bewoners serieus te nemen in de wijkaanpak, omdat het draagvlak voor de warmtetransitie anders verdwijnt als sneeuw voor de zon. En zonder draagvlak halen we die 200.000 woningen per jaar in 2030 sowieso niet. Je kan het beter omdraaien: een duurzaam-sociaal-fysieke wijkaanpak is een uitgelezen kans om werk met werk te maken! Als we wensen en zorgen van burgers kunnen aanpakken terwijl we de energietransitie uitvoeren, waarom zouden we dat dan níet doen?

Maar hoe? Een recente enquête onder ruimtelijke professionals bevestigde het argument dat ‘integraal werken’ een belangrijke succesfactor is voor de energietransitie. Maar in diezelfde enquête zei men ook dat hun organisaties daar waarschijnlijk niet echt toe in staat zijn… Het zoeken naar de heilige (inte)graal is iets waar de overheid al decennia mee bezig is en dat vaak maar deels lukt.

"Mede door die bewonerszeggenschap stonden waardering van het bestaande, keuzevrijheid en maatschappelijke ontplooiing centraal."

Leren van de stads- en stedelijke vernieuwing

We kunnen inspiratie vinden in de laatste twee grote uitvoeringsoperaties in onze bestaande wijken: de stadsvernieuwing (jaren ’70-’80) en de stedelijke vernieuwing (jaren ’00-’15).

Van de stadsvernieuwing– de grootschalige aanpak van de negentiende-eeuwse en vroeg-twintigste-eeuwse stedelijke woonwijken – leren we bijvoorbeeld gemeenten en bewonersgroepen samen de belangrijkste trekkers van deze operatie waren en bewoners – uiteindelijk – veel zeggenschap over de aanpak kregen. Mede door die bewonerszeggenschap stonden waardering van het bestaande (in sociale en fysieke zin – ‘Bouwen voor de Buurt’), keuzevrijheid en maatschappelijke ontplooiing centraal.

De stedelijke vernieuwing speelde zich af in zogenaamde aandachtswijken, vaak naoorlogse sociale huurwijken, waar onder meer sprake was van fysieke achterstanden, armoede en onveiligheid. Door gemeenten en corporaties werden integrale ‘wijkactieplannen’ opgesteld, met een mix aan fysieke, sociale en economische maatregelen. Zo werd de woningvoorraad gevarieerder gemaakt door huurwoningen te slopen en koopwoningen te bouwen. Er werd (interculturele) ontmoeting, gezondheid en (bij-/na-)scholing gestimuleerd. En er werden wijkeconomie-initiatieven ontplooid. Deze maatregelen werden gecoördineerd door integraal samengestelde wijkteams, waarin verschillende organisaties deelnamen. Na afloop van de formele stedelijkevernieuwingsoperatie hebben sommige gemeenten het wijkgericht werken doorontwikkeld, bijvoorbeeld via sociale wijkteams, teams leefomgeving of wijkplatforms.

Ingrediënten voor een integraal georganiseerde wijkgerichte warmtetransitie

Op basis van deze eerdere wijkaanpakken en vanuit expertise over programmatisch werken en organisatiekunde schets ik hieronder vier ingrediënten voor een integraal georganiseerde, wijkgerichte warmtetransitie.

Zet bewonersperspectieven centraal

Ten eerste, het organiseren van voldoende draagvlak bij bewoners voor de wijkgerichte warmtetransitie wordt cruciaal voor het slagen ervan. Dat begint met het serieus nemen van de perspectieven van bewoners: what’s in it for them? Dat verschilt sterk per huishouden, per straat en per buurt. Richt je communicatie over de warmtetransitie daarop in. Simpelweg helderheid bieden over de gaslos-datum met een stappenplan erbij gaat niet werken. Maar misschien helpt een inductiepannenset om enthousiasme te creëren? Of optimaal ontzorgd worden als je huis wordt geïsoleerd en van lage temperatuurvloerverwarming wordt voorzien? Vinden mensen het vooral belangrijk om de transitie samen met de hele straat te doen? Willen mensen graag zelf rendement maken op de energietransitie, via een investering in een wijkenergiecoöperatie? Door ook heel precies te kijken naar sociale en economische buurtdata (en niet alleen naar woningtypen en warmtebronnen), moet een precieze strategie worden gemaakt. Bestaande wijkplatforms en aanwezige structuren voor wijkgericht werken zijn uiteraard ook belangrijke bronnen van informatie en wellicht ook in te zetten als ambassadeur, maar zet ook voldoende energie in op het bereiken van de (over)grote groep van mensen die nu niet maatschappelijk actief is of in beeld is bij de diverse (wijk)instanties.

Integrale samenwerking moet je organiseren

Ten tweede, om op wijkniveau tot een integrale warmtetransitie te komen – in de betekenis van ‘in goede samenwerking tussen sectorale belangen en afdelingen’ – kunnen de integrale wijkteams uit de stedelijke vernieuwing en de multidisciplinaire sociale wijkteams die in veel gemeenten actief zijn als voorbeeld gelden. Hier is, zeker in de middelgrote en grotere gemeenten, al veel ervaring mee. Om op wijkniveau écht integraal te kunnen samenwerken, zijn vanuit de top van verschillende beleidskokers en betrokken organisaties de juiste kaders en voldoende overdracht van zeggenschap naar de uitvoerders op wijkniveau nodig. Ook is het nodig dat wethouders Duurzaamheid en programmamanagers Duurzaamheid/Energietransitie/Aardgasvrij de nu vaak technische benadering van de warmtetransitie verrijken tot een meer integrale (dus ook sociaal-economische) opvatting van de opgave. Daarbij is van belang om de verantwoordelijke programma’s of projectteams ook in organisatorische zin integraal ‘op te hangen’ in de gemeentelijke organisatie als geheel. Inzichten uit het programmamanagement zijn daarin nuttig: betrek bijvoorbeeld projectleiders en adviseurs uit verschillende gemeentelijke afdelingen in je programma, stel een stuurgroep in waarin managers van verschillende afdelingen plaatsnemen en zorg voor breed draagvlak binnen het College.

De warmtetransitie is een uitvoeringsoperatie: richt hem ook zo in

De warmtetransitie bevindt zich nu nagenoeg in heel Nederland in een fase van analyse en beleidsvorming, met een klein aantal wijken waarin al wordt geoefend. Deze fase wordt gedomineerd door politici die doelen stellen, onderzoeksbureaus die analyses te maken en beleidsadviseurs die beleid voorbereiden. Als geheel bezien is de warmtetransitie vanaf 2021 echter vooral een enorme uitvoeringsoperatie. Het is daarom van belang om tijdig te beginnen met het inrichten van de uitvoeringsorganisatie die daarvoor nodig is. Daarvoor is een ander soort professionals nodig dan zich nu met de transitie bezighoudt, zoals projectleiders, omgevingsmanagers, risicomanagers, juristen en contractmanagers, planners, financieel managers et cetera. Het is daarbij belangrijk om af te wegen in hoeverre je als gemeente deze rollen met eigen mensen wilt invullen en in hoeverre je daar markt- of maatschappelijke partijen bij inschakelt. Begin in ieder geval op tijd met werven, want de arbeidsmarkt is krap.

Rijk: maak integrale wijkaanpak mogelijk, met de juiste sturing

Tot slot, de urgentie en het gevraagde tempo vraagt, naast een lokale integrale aanpak, om ambitiebepaling, monitoring en coördinatie op landelijk niveau. Het Rijk heeft daarbij beïnvloedingsmogelijkheden nodig om voortgang op lokaal niveau te bevorderen en, indien nodig, af te dwingen. Een op goede plannen en daadwerkelijk geleverde (energie)prestaties afgestemde financieringsstroom richting gemeenten lijkt voor de hand liggend, gecombineerd met planologische/bestuurlijke doorzettingsmacht voor het Rijk, als stok achter de deur. Wat betreft de financiering is belangrijk dat gemeenten op outcome- en niet op output-niveau worden beoordeeld. Dan kunnen gemeenten zelf de meest effectieve maatregelen voor de warmtetransitie bepalen, gecombineerd met andere maatschappelijke behoeften. Daarvoor kunnen combinaties met andere financiële stromen gemaakt worden, van andere gemeentelijke afdelingen en bijvoorbeeld corporaties, netbeheerders, energieproducenten en, uiteraard, burgers.

Dit artikel verscheen eerder in het magazine ´De energietransitie in de gebouwde omgeving´.

Artikel delen