Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Doorstart van de Wet open overheid

"Op 5 juli 2012 dienden de Tweede Kamerleden Voortman (GroenLinks) en Van Weyenberg (D66) een initiatiefwetsvoorstel voor de Wet open overheid (de Woo) in. Overheden en semi-overheden worden in dit voorstel transparanter gemaakt om zo het belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische rechtsstaat, de burger, het bestuur en economische ontwikkeling beter te dienen. Het voorstel gaat ervan uit dat de Wet openbaarheid van bestuur (de Wob) wordt ingetrokken."

29 maart 2019

Het ontwerp uit 2012 werd meerdere keren aangepast. Zo kende het oorspronkelijke voorstel de in- en aanstelling van een nationale informatiecommissaris en zou de Wet hergebruik overheidsinformatie ook in de Woo worden opgenomen. Beide punten haalden de eindstreep niet. Wat het uiteindelijke wetsvoorstel zou moeten zijn (en al door de Tweede Kamer was aangenomen), bleef tijdens de Eerste Kamerbehandeling evenmin zonder kritiek. Een quick scan in twee delen (één voor de Rijksoverheid, één voor de overige overheden) wees uit dat het wetsvoorstel niet uitvoerbaar was en tot hoge extra kosten zou leiden die in meerjarencijfers niet waren gedekt. Uiteindelijk werd de behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer aangehouden, in afwachting van de indiening van een wijzigingsvoorstel bij de Tweede Kamer.

Het oorspronkelijke voorstel voor de Woo een greep uit de veranderingen t.o.v. de Wob

Het wetsvoorstel voor de Woo kenmerkt zich door een grotere aandacht voor actieve openbaarmaking. De Woo heeft een bredere reikwijdte dan de Wob, zo is de Woo kort gezegd niet langer alleen op bestuursorganen van toepassing (art. 2.2, denk aan beide Kamers van de Staten-Generaal en de Nationale ombudsman). Documenten zouden binnen 14 dagen na vaststelling actief openbaar gemaakt moeten worden (art. 3.3). Verder is de beslistermijn van 4+4 weken teruggebracht naar 4+2 weken (art. 4.4). In art. 4.6 is een antimisbruikbepaling opgenomen. Tot slot vindt men de uit de Wob bekende weigeringsgronden terug, maar sommige zijn aangepast (artt. 5.1 e.v.). Zo is de weigeringsgrond ten aanzien van vertrouwelijk meegedeelde fabricagegegevens niet langer absoluut, maar relatief. Een andere voorbeeld is dat de g-grond (onevenredige bevoor- of benadeling) daadwerkelijk zal fungeren als restgrond en niet langer in combinatie met andere weigeringsgronden kan worden toegepast.

Een gewijzigd voorstel voor de Woo: actieve openbaarmaking wordt een inspanningsverplichting en de registerplicht is geschrapt

Zoals gezegd is ook het laatste ontwerp van de Woo niet zonder kritiek gebleven. Onderwerp van de grootste kritiek was in algemene zin de vergaande verplichting tot actieve openbaarmaking en in het bijzonder de registerplicht uit art. 3.2. Ieder bestuursorgaan zou een elektronisch toegankelijk openbaar register moeten bijhouden van de documenten die bij hem berusten.

De initiatiefnemers van de Woo hebben een voorstel voor een wijzigingswet aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer (parlementair dossier 35112). Ter tegemoetkoming aan de kritiek is de centrale bepaling over actieve openbaarmaking (art. 3.1) zowel qua titel als inhoud omgevormd tot een inspanningsverplichting; bestuursorganen maken bij de uitvoering van hun taak zoveel als redelijkerwijs mogelijk (zonder onevenredige inspanning of kosten) uit eigen beweging informatie openbaar.

De meest in het oog springende verandering is het laten vervallen van het informatieregister. Met deze registerplicht gingen nog enkele andere verplichtingen gepaard die ook vervallen. Zo vervalt het tweede lid van art. 3.5, waarin was geregeld dat een bestuursorgaan dat (nog) niet beschikt over een register in de openbaarheidsparagraaf van het jaarverslag aandacht besteed aan de invoering daarvan. Ook vervalt de tweede volzin van het vierde lid van art. 4.1, waarin was bepaald dat een elektronisch aanvraagformulier bestond dat verbonden was met het register om de daarin vermelde maar nog niet openbare documenten openbaar te maken.

In plaats van het informatieregister is een nieuw hoofdstuk 6 (Digitale informatiehuishouding) toegevoegd. Volgens art. 6.1 moeten bestuursorganen maatregelen nemen voor het duurzaam toegankelijk maken van digitale documenten. Art. 6.2 vormt de basis voor een Rijksbreed meerjarenplan voor de verbetering van de digitale informatiehuishouding. Ingevolge art. 6.3 wordt een Tijdelijk Adviescollege Informatiehuishouding ingericht dat jaarlijks rapporteert over het Rijksbrede meerjarenplan en adviseert over de aanpassing daarvan.

Enkele andere doorgevoerde wijzigingen

In de kamerstukken vindt men ook andere wijzigingen terug:

  • De definitie van document is veranderd.

  • De koepelorganisaties van openbare lichamen de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen vallen niet langer onder het bereik van de Woo.

  • De verplichting tot het onverkort, actief openbaar maken van emissiegegevens is geschrapt en ziet men terug als uitzondering op de weigeringsgronden uit art. 5.1 (zie het nieuwe lid 6).

  • In het nieuwe art. 4.7 is bepaald dat een bestuursorgaan één of meer contactpersonen aanwijst die burgers kan/kunnen informeren over de beschikbaarheid van overheidsinformatie.

  • Aan art. 5.1 lid 2 is onder i een nieuwe weigeringsgrond toegevoegd: het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.

  • Art. 5.3 ging ervan uit dat informatie ouder dan vijf jaar in principe actief openbaar gemaakt moest worden, tenzij het bestuursorgaan zou motiveren waarom de weigeringsgronden ondanks het tijdsverloop zwaarder hebben te wegen dan het algemeen belang. Inmiddels ziet art. 5.3 niet meer op actieve openbaarmaking, maar op informatie op verzoek.

Slotobservaties

Naar aanleiding van het wijzigingswetsvoorstel vroegen sommigen zich af of de Woo nu werkelijk nog verschilt van de Wob en of men niet toe zou kunnen met slechts aanpassing van de Wob. Wat er van dat laatste punt ook zij, met de Woo is duidelijk een stelsel beoogd dat uitgaat van een grotere mate van actieve openbaarheid dan nu met de Wob wordt bereikt.

In dat kader valt wel iets anders op. Het register dwong impliciet af dat een bestuursorgaan zijn digitale huishouding op orde moest hebben. Dit oogmerk steunde op twee pijlers. Ten eerste moest de interne vindbaarheid van documenten op orde worden gebracht. Ten tweede moest de externe inzichtelijkheid van documenten aanzienlijk worden verbeterd. Met het schrappen van de registerplicht moet hoofdstuk 6 de eerste pijler ondervangen. De invoering van de contactpersoon uit art. 4.7 ondervangt de tweede pijler.

De initiatiefnemers verwachten dat het acht jaar gaat duren om de digitale doelstelling geheel te realiseren. Aangegeven wordt dat bestuursorganen nu al kunnen beginnen met de uitvoering daarvan; volgens de initiatiefnemers betreft het een verplichting die ook zonder de Woo al op bestuursorganen rust. Vermoedelijk wordt (in ieder geval) gedoeld op de zorgplicht uit art. 3 Archiefwet 1995. Overigens wordt in het kader van de digitale overheid ook gewerkt aan aanpassing van de Archiefwet.

Uit de Memorie van Toelichting bij het wijzigingswetsvoorstel (evenals uit de Wob-praktijk overigens) blijkt wel dat de zorgplicht niet (bij ieder bestuursorgaan) tot het gewenste resultaat leidt qua actieve openbaarmaking. Dan rijst de vraag of in hoofdstuk 6 niet ook concrete doelstellingen en deadlines, en misschien zelfs bevoegdheden van toezicht en sanctionering, hadden moeten worden opgenomen. Zo bepaalt art. 10.2c kort gezegd dat hoofdstuk 6 vervalt bij het behalen van de doelstelling. Maar wanneer is dat objectief het geval? Tot slot nog een vraag die hierbij speelt, is in hoeverre de contactpersoon uit art. 4.7 zijn werk (goed) kan doen zo lang de doelstellingen nog niet zijn behaald.

De huidige stand van zaken omtrent het wijzigingswetsvoorstel is dat de behandeling bij de Tweede Kamer is aangehouden, totdat het advies van de Raad van State en de reactie daarop van de initiatiefnemers zal zijn ontvangen.

Artikel delen