Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Debat EK Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet

De Eerste Kamer debatteerde dinsdag 3 maart met minister Van Veldhoven voor Milieu en Wonen over de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet. Verschillende Kamerleden hebben vragen gesteld aan de minister. Ook de voorgestelde nieuwe regels over onteigening zijn besproken. Op 10 maart 2020 stemde de Eerste Kamer over de Aanvullingswet grondeigendom.

Marlotte Hiddema en Carola van Andel 11 maart 2020

Artikelen

Artikelen

TOELICHTING MINISTER NIEUWE ONTEIGENINGSPROCEDURE

Na afloop van het stellen van vragen gaat de minister eerst in meer algemene zin in op de aanpassingen. De minister geeft aan dat de regering de onteigening na 170 jaar wil stroomlijnen, de rechtsbescherming beter wil regelen en wil zorgen voor vlottere procedures. Met de nieuwe wet wordt een scherpe scheiding aangebracht tussen de onteigeningsprocedure aan de ene kant en de schadeloosstellingsprocedure aan de andere kant.

Verder worden bestuursorganen zelf verantwoordelijk voor een goed onteigeningsbesluit. De bestuursrechter zal bij alle onteigeningen betrokken zijn. Bij elke onteigening komt er een toets door de rechter aan te pas. De procedure voor schadeloosstelling is gemoderniseerd door aan te sluiten bij het reguliere procesrecht. De rechter kan volgens de minister meer regie voeren over dit deel van de procedure.

De notaris zorgt voor de overdracht van de eigendom, zodat voor een laatste keer kan worden gecontroleerd of de onteigening in orde is. Verder geeft de minister aan dat onteigening ook onder de nieuwe wet een uiterst middel blijft waarbij een zorgvuldige procedure en rechtsbescherming vooropstaan. Ze stipt aan dat het van belang is dat de mogelijkheden voor onteigening met dit wetsvoorstel niet worden verruimd. Onder de nieuwe wet zal nog altijd worden getoetst of er een onteigeningsbelang is en of de onteigening noodzakelijk en urgent is. Het niveau van rechtsbescherming blijft volgens de minister gelijkwaardig, alleen verloopt de rechtsbescherming voortaan grotendeels via het bestuursrecht in plaats van via het civiele recht.

VRAGEN EERSTE KAMER

Vervolgens beantwoordt de minister een aantal meer specifieke vragen. Met name de heer Van Dijk (SGP) heeft een paar kritische vragen aan de minister voorgelegd. Hij verwijst hierbij ook naar de geluiden uit de onteigeningspraktijk.

Zijn eerste vraag ziet op de kennisgeving over de onteigening. Hij stelt dat in de huidige Onteigeningswet waarborgen zitten zoals derdenbenoeming (artikel 20 Onteigeningswet) en persoonlijke betekening bij een verstekvonnis. De SGP vraagt zich af of deze waarborgen in de voorliggende wet zwakker zijn, ook al is er dan sprake van aangetekende post.

De minister geeft aan dat de derdenbenoeming in het wetsvoorstel wel geregeld wordt, namelijk in artikel 15.38 Omgevingswet. Wat betreft de persoonlijke betekening stelt ze voorop dat de kans daarop miniem is. Bij het verplichte vooroverleg moet de overheid zich inspannen om de rechthebbenden te bereiken. Het effect hiervan, niet het middel, zal tijdens de procedure getoetst worden. Daarbij geeft ze aan dat partijen in verschillende fasen kennisgeving ontvangen van zowel het bestuursorgaan als de rechtbank en dat daarnaast de eigenaren en beperkt gerechtigden bij aangetekende brief worden opgeroepen in de procedure over schadeloosstelling bij de rechtbank. Als iemand echt onvindbaar is — dat is de andere kant van de medaille — is het de vraag of dan een project van algemeen belang om die reden niet zou mogen doorgaan. Dat zou immers het effect zijn als je de persoonlijke betekening tot een absolute voorwaarde maakt. De minister vindt het belangrijk dat onteigenen dan uiteindelijk wel mogelijk is. De procedure moet natuurlijk zorgvuldig doorlopen worden, maar ze is van mening dat het wetsvoorstel de goede balans heeft.

De tweede vraag van de heer van Dijk ziet op de door de regering geschetste tijdswinst bij een bestuursrechtelijke in plaats van een civielrechtelijke onteigeningsprocedure. Dit wordt door onteigeningsjuristen in twijfel getrokken. De onteigeningspraktijk vreest zelfs vertraging. Hij stelt dat de regering, naar hij het goed begrijpt, de tijd die het bestuursorgaan nodig heeft om het dossier compleet te krijgen en ter inzage te leggen, niet meerekent in het publiekrechtelijke spoor.

De minister stelt dat deze tijd om het dossier compleet te maken niet tot vertraging leidt, want anders dan in de huidige situatie bereidt het bevoegd gezag de onteigeningsbeschikking voor. Dus de tijd die gemoeid is met de voorbereiding, is dezelfde tijd die nu gemoeid is met de voorbereiding van de aanvraag bij de Kroon. Onder de nieuwe wet is volgens de minister geen kans meer op vertraging omdat de Kroon het dossier niet meer terug zal sturen. De minister stelt dat het bevoegd gezag dit aspect dus in eigen hand heeft.

De minister lijkt hiermee voorbij te gaan aan de welhaast coachende functie van het vooroverleg met de Corporate Dienst van Rijkswaterstaat, die namens de Kroon belast is met de administratieve onteigeningsprocedure. In de praktijk wordt verwacht dat vanwege het wegvallen van dit vooroverleg in de bekrachtigingsprocedure meer discussies zullen ontstaan. Kennelijk beoogt de regering dit gat te vullen met aangepaste handreikingen en het interbestuurlijk programma Aan de slag met de Omgevingswet, zoals toegelicht op de vraag van D66 (zie hieronder).

WAAROM RECHTSBESCHERMING IN TWEE INSTANTIES?

Tot slot stipt de heer van Dijk aan dat in de nieuwe onteigeningsprocedure zowel de bestuursrechter als de burgerlijke rechter betrokken wordt. De Raad van State adviseert, daarin gesteund door onteigeningsjuristen, om te kiezen voor rechtsbescherming in één in plaats van twee instanties. De Raad van State geeft daarbij aan dat bij twee van de drie besluiten die als grondslag voor het onteigeningsbelang kunnen dienen — het omgevingsplan en het projectbesluit — op grond van de Omgevingswet beroep in eerste en enige aanleg bij één instantie openstaat en dat wanneer hier bij de onteigeningsbeschikking ook voor gekozen wordt, het mogelijk is om te kiezen voor gecoördineerde besluitvorming zoals bedoeld in afdeling 3.5 van de Awb. Dan zouden bedenkingen van een belanghebbende tegen een onteigeningsbeschikking tegelijk behandeld kunnen worden met het beroep tegen het besluit dat daaraan ten grondslag ligt. De Raad van State wijst erop dat in de praktijk regelmatig vergeefs gronden tegen het ruimtelijk besluit aangevoerd worden in een onteigeningsprocedure, en andersom. Verder geeft rechtsbescherming in één instantie ook een versnelling van de procedure.

Op dit punt wordt helaas niet gereageerd door de minister. Het is met name de rechtsbescherming in twee instanties die voor een langere doorlooptijd van de onteigeningsprocedure zal zorgen.

AAN DE SLAG MET DE OMGEVINGSWET

Tot slot uit Mevrouw Moonen (D66) de zorgen van haar fractie over de informatiepositie van gemeenten. Ze  haalt een citaat aan van de Adviescommissie Omgevingswet: “Voor het scheppen van vertrouwen van het handelen van de overheid en het voorkomen van een onnodige gang naar de bestuursrechter, is het te overwegen een landelijke faciliteit in te richten die de gemeente op verzoek kan adviseren.” Dit citaat gaat volgens D66 uit van een mogelijk serieus gebrek aan expertise bij gemeenten. Ze vraagt de minister om in te gaan op de noodzaak en de concrete mogelijkheden om gemeenten te ondersteunen met betrekking tot de taken en verantwoordelijkheden die de regering nu rondom onteigening en kostenverhaal gaat neerleggen bij gemeenten.

De minister begint de beantwoording door aan te geven dat gemeenten al ruime ervaring met die instrumenten hebben vanuit het verleden. Wel is het belangrijk dat de regering — net als in de breedte — gemeenten goed ondersteunen bij de implementatie van de Omgevingswet. De minister geeft aan dat hier ook aandacht voor zal zijn via het interbestuurlijk programma Aan de slag met de Omgevingswet.

Daarnaast worden de gemeenten ook geholpen met een handreiking Grondeigendom, met daarin bijvoorbeeld onteigening en voorkeursrecht. Ook komt er een handreiking Kostenverhaal. Die handreiking geeft praktische aanwijzingen en voorbeelden voor de praktijk. Er komen verder voorlichtingsbijeenkomsten en het Informatiepunt Omgevingswet zal ook vragen beantwoorden. Mevrouw Moonen geeft tijdens de tweede termijn aan dat ze het verstandig vindt dat deze handleidingen voor gemeenten er komen.

Artikel delen