nieuws

Beantwoording vragen over Evaluatie Tarievenwet Commissie m.e.r.

06-07-2018

Minister Van Nieuwenhuizen (IenW) beantwoordt de vragen van de leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving. De commissie had vragen gestel over het rapport van de Evaluatie Tarievenwet Commissie m.e.r. Daarnaast reageert zij op de motie-Vos uit november 2017. De motie verzocht om aanpassing van de periodieke evaluaties van de Omgevingswet en de Commissie voor de m.e.r.

Bij deze beantwoord ik de vragen van de leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, zoals geformuleerd in uw brief met kenmerk 162471.03u, welke zij stellen naar aanleiding van mijn brief, d.d. 8 februari 2018, waarbij ik de Kamer het rapport van de Evaluatie Tarievenwet Commissie m.e.r. heb aangeboden en mijn brief, d.d. 13 april 2018, waarin ik de vragen van uw Kamer beantwoord zoals geformuleerd in brief met kenmerk 162471.02u. Tevens beantwoord ik bij deze de motie 34.287 (T02445 en T02446) van mevrouw Vos.

Op 8 februari 2018 heb ik u het rapport van de Evaluatie Tarievenwet Commissie m.e.r. toegestuurd. Ten behoeve van deze evaluatie is uitgebreid met de Commissie m.e.r. gesproken, onder meer over de (hoeveelheid) onafhankelijke toetsingen die gedaan zijn in het kader van project-MER’en. De resultaten van deze gesprekken zijn meegenomen in het evaluatierapport. Daarmee is tegemoet gekomen aan de motie van mevrouw Vos. De Commissie m.e.r. heeft daarnaast op 24 november 2017 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin zij onder meer aangeeft het beeld met betrekking tot de ontwikkeling van de kwaliteit van MER te herkennen. Ook gaat de Commissie m.e.r. in op de conclusie van het onderzoek dat het aantal adviesaanvragen terugloopt en de redenen daarvan, inclusief het effect van de tariefstelling waarvan de Commissie aangeeft dat die voor haar zeer herkenbaar is. Met deze brief geeft de Commissie m.e.r. haar oordeel over de (resultaten van de) evaluatie.

In motie nr. 34.287, T02446 verzoekt mevrouw Vos mijn voorganger om de periodieke evaluaties van de Omgevingswet en de Commissie voor de m.e.r. aan te passen zodat gevolgd kan worden hoe vaak en in welke gevallen een onafhankelijke toets door de Commissie voor de m.e.r. plaatsvindt. Na twee jaar zal geëvalueerd worden wat de effecten zijn van het niet langer verplicht stellen van een onafhankelijke kwaliteitstoets in geval van complexe projecten. Door het uitstel van de invoering van de Omgevingswet tot 1 januari 2021 is deze evaluatie op dit moment niet aan de orde. Desalniettemin is vooruitlopend op de invoering van de omgevingswet en deze specifieke evaluatievraag het bureau Ynformed gevraagd onderzoek te doen naar de karakteristieken van MER-plichtige projecten.

Dit bureau is gevraagd een methodiek te ontwikkelen die dergelijke projecten middels machine learning technieken kan herkennen. Dat is nodig omdat bepaald moet worden welke complexe projecten in de huidige situatie wel MER- adviesplichtig geweest (zouden) zijn en dat in de nieuwe situatie niet zijn. Dergelijke projecten moeten getraceerd worden om de vragen te kunnen beantwoorden over (wenselijke) advisering door de Commissie m.e.r.. Ynformed is tot de conclusie gekomen dat het praktisch onmogelijk is om met de huidige data dergelijke projecten te traceren. Als niet geïdentificeerd kan worden welke projecten in de oude situatie wel MER-adviesplichtig zouden zijn en in de nieuwe situatie niet, kan de vraag op deze wijze niet geëvalueerd worden. Uiteraard kan wel worden vastgesteld hoeveel complexe projecten een onafhankelijke kwaliteitstoets door de Commissie m.e.r. hebben laten doen.

Wellicht ten overvloede merk ik op dat het ontbreken van een MER-adviesplicht voor een project niet betekent dat er geen toereikend onderzoek wordt gedaan naar milieueffecten. Het houdt wel in dat het traject via de Commissie m.e.r. niet doorlopen hoeft te worden, op vrijwillige basis kan dat echter wel gebeuren. In geval er onenigheid bestaat over de kwaliteit van het MER is het daarbij uiteindelijk aan de bestuursrechter om zich hierover een oordeel te vormen.

De leden van de PvdA- en GroenLinks-fractie vragen mij of ik hun conclusie deel dat een groter aantal milieueffectrapporten (hierna: MER’en) de procedure van politieke besluitvorming ingaat zonder onafhankelijke beoordeling door de Commissie, met het risico op een groeiend aantal, niet aan het licht gekomen, tekortkomingen.

Het is altijd mogelijk dat er tekortkomingen zijn in milieueffectrapporten die niet zijn beoordeeld door de Commissie en ik acht het mogelijk dat dit risico toeneemt door de toename van het aantal MER’en dat niet door de Commissie wordt getoetst. Echter, er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal MER’en dat niet wordt voorgelegd aan de Commissie en er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat een toenemend aantal projecten bij de bestuursrechter struikelt vanwege tekort- komingen in het MER.

Gebaseerd op de cijfers over de kwaliteit van de MER’en bij gemeenten, provincies en het Rijk concluderen de leden van de PvdA- en Groenlinks-fractie dat dit gegeven duidt op een structureel hoog kwaliteitstekort van MER’en gemaakt door gemeenten, hetgeen volgens hen dringend om een oplossing vraagt. Bovendien geven de leden van de genoemde fracties aan dat het percentage MER’en met onvoldoende informatie is gestegen. Hierbij is echter niet aangegeven of het hierbij gaat om kleine, middelgrote of grote tekortkomingen. Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede MER, waar ik niet in wil treden. Er zijn geen aanwijzingen dat er een toename is in het aantal gemeentelijke projecten dat struikelt over de MER voor de rechter. Wel kunnen gemeenten en andere bevoegde gezagen – naast advisering door de Commissie m.e.r. tegen kostprijs - gebruik maken van de diensten en het advies van Infomil, welke door het Rijk bekostigd wordt.

De leden van de PvdA- en GroenLinks-fractie geven aan dat het aantal vrijwillige adviesaanvragen door gemeenten is afgenomen van achttien in 2015 en 2016 naar dertien in 2017. Zij zijn van mening dat dit duidt op voortzetting van de negatieve trend in het kader van de gewenste betrokkenheid van de Commissie. Gezien het geringe aantal vrijwillige adviezen waar het over gaat, waarbij niet duidelijk is of dat een eenmalige inzinking betreft of een structurele trend, is er op dit moment voor mij geen reden om maatregelen te nemen. Wel zal ik blijven volgen hoe de vrijwillige adviesaanvragen over MER’en zich over de tijd ontwikkelen en ingrijpen als blijkt dat op vrijwillige basis geen of weinig adviesaanvragen meer gedaan worden bij de Commissie en dit invloed heeft op de kwaliteit van de lokale of regionale besluitvorming.

Met betrekking tot de kosten van adviezen door de Commissie die gemeenten moeten betalen is het belangrijk te kijken naar de relatieve kosten van een MER ten opzichte van de totale kosten van een project dat voorligt. Voor kleine projecten betalen gemeenten het lage tarief, voor grotere projecten wordt het basistarief betaald. In verhouding tot de totale projectkosten behoort dit geen struikelblok te zijn voor gemeenten. Bovendien kunnen deze kosten verdisconteerd worden in de projectkosten en verhaald worden op de ontwikkelaar.

Met betrekking tot de uitwerking en het instrumentarium van en eventuele pilots voor de Omgevingswet staat mijn ministerie voor het onderdeel milieueffect- rapportages in nauw contact het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Vanzelfsprekend wordt gekeken hoe de overgang van het huidige stelsel naar de Omgevingswet in 2021 op een goede wijze kan plaatsvinden. Tot de Omgevingswet in werking treedt, is het huidige stelsel van wet- en regelgeving van toepassing. Daarvoor ben ik verantwoordelijk. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties is verantwoordelijk voor de Omgevingswet en daarmee ook voor pilots die gedaan worden in het kader van de Omgevingswet.

Ik ben het met de leden van de PvdA- en GroenLinks fractie eens dat het voor een stabiele bedrijfsvoering van organisaties wenselijk is om inzicht te hebben in de toekomstige vraag naar producten (in dit geval adviesaanvragen). Het is verstandig de komende jaren de ontwikkeling van de adviesvragen in de gaten te houden. Er is op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat de Commissie de komende jaren niet voldoende kritische massa behoudt. Nu ingrijpen zou voorbarig zijn, maar ik blijf wel in goed contact met de Commissie over de ontwikkeling van de adviesaanvragen de komende jaren en daarmee de robuustheid van de Commissie. Indien de robuustheid of de basisstructuur van de Commissie onzeker wordt, zal ik hierover in overleg met de Commissie treden.

Download: Advies over methodieken om MER-plichtige projecten middels machine learning technieken te herkennen

Het document is het eindverslag van een project in opdracht van Rijkswaterstaat. Onderdeel van het project was een onderzoek naar de karakteristieken van MER-plichtige projecten. Het doel was een methodiek te ontwikkelen die dergelijke projecten machinaal (door middel van machine learning technieken) kan herkennen.

Meer van Omgevingsweb