Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Archeologische verwachtingswaarden en het bestemmingsplan

Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in 2007 is een (goede) archeologische onderbouwing in bestemmingsplannen verplicht. Het toetsen van ruimtelijke plannen op archeologische waarden is na een aantal jaren gemeengoed geworden in de gemeentelijke praktijk en dat is een uitstekende zaak.

25 januari 2016

Nieuws & Achtergrond

Maar zoals Neerlands bekendste filosoof J. Cruijff al zei: Ieder nadeel heb zijn voordeel. Bij het zien van een hogere potentiële archeologische waarde/verwachtingswaarde op de betrokken locatie op de plankaart gaan sommige ambtenaren (ook erfgoedambtenaren) automatisch over tot het vragen van archeologisch onderzoek aan de indiener van een ruimtelijke plan. Menigeen zal nu zeggen: dat is toch goed, het staat toch in het bestemmingsplan dat archeologisch onderzoek nodig is?!!!

De in het bestemmingsplan aangegeven potentiële archeologische waarden zijn gebaseerd op een wetenschappelijke archeologische werkhypothese met betrekking tot het plangebied. Met de bestaande kennis hebben archeologen getracht een zo goed mogelijk beeld te scheppen van wat waar verwacht kan worden. Of dit beeld ook klopt, is niet altijd zeker. Nieuwe onderzoeken, andere archeologische onderzoekstechnieken en voortschrijdende wetenschappelijke inzichten kunnen leiden tot nieuwe informatie waar zich belangrijke archeologische waarden kunnen bevinden. Dit kan in sommige gevallen betekenen dat de archeologische onderbouwing van een bestemmingsplan eigenlijk op de grond van deze nieuwe informatie voor kleine en soms grote gebieden achterhaald is. Waar nu waarden op de plankaart staan, blijken die hoogstwaarschijnlijk feitelijk niet aanwezig, terwijl omgekeerd dat verlaten en onbelangrijk geachte knollenveldje wellicht een echte archeologische schatkamer is. Geen uitzonderlijke zaak als men bedenkt dat veel bestemmingsplannen een archeologische onderbouwing kennen, gebaseerd op de stand van zaken van 10 a 15 jaar geleden in een dergelijke periode kan veel gebeuren.

Indien een aanvraag voor een ruimtelijk voornemen wordt ingediend en er is op grond van het bestemmingsplan sprake van archeologische verwachtingswaarden moeten dus ook altijd de gegevens van recente relevante archeologische informatie (bv nieuwe onderzoeken) worden meegenomen. Pas dan kan besloten worden of onderzoek moet plaatsvinden dan wel dat er van kan worden afgezien. De Monumentenwet, Wabo etc. gaan uit van bescherming van het archeologisch erfgoed, niet van het beschermen van archeologische waarden, die er (hoogstwaarschijnlijk) niet zijn.

In voorgaande situatie is sprake van een vergeeflijke denkfout bij ambtenaren over het karakter van potentiële archeologische waarden in een bestemmingsplan. Ergerlijker is echter het maar blijven uitvoeren van onderzoek naar potentiële waarden onder het mom van je kunt het nooit zeker weten. Als een gebied met min of meer dezelfde morfologische eigenschappen en voorspelde archeologische waarden na herhaald onderzoek niets oplevert, is de aangegeven archeologische waarde in het bestemmingsplan waarschijnlijk foutief. In een nieuw bestemmingsplan zou het gebied een veel lagere waarde toebedeeld krijgen en zou onderzoek waarschijnlijk niet verplicht worden gesteld: het is niet fair om de indiener van een ruimtelijk verzoek op kosten te jagen als deze in een nieuw bestemmingsplan voor hetzelfde gebied en dezelfde activiteit het onderzoek niet hoeft uit te voeren.

Wat als nu het omgekeerde gebeurt: het bestemmingsplan geeft een potentiële lage waarde aan, maar het plangebied blijkt vermoedelijk wel archeologisch razend interessant te zijn? In dat geval staat de gemeente vrij machteloos.

Voor activiteiten, die in lijn zijn met het bestemmingsplan en waarvoor verder geen archeologische bestemmingsplanvoorschriften zijn opgenomen, kan niet opeens wel een archeologisch onderzoek worden verplicht. Dat heeft alles te maken met de rechtszekerheid, die een bestemmingsplan de burger moet bieden. Wel kan bij afwijkingen van het bestemmingsplan (art. 2.1, derde lid Wabo) een archeologisch onderzoek worden gevraagd, ondanks een eventuele lage archeologische verwachtingswaarde in het bestemmingsplan. Dan moeten er wel duidelijke aanwijzingen zijn dat er belangrijke waarden aanwezig zijn. Bij concrete vondsten geldt een meldingsplicht, maar in de praktijk wordt deze heel vaak ontdoken. Het beste middel is natuurlijk een nieuw en aangepast bestemmingsplan, maar dan is men meestal al jaren verder.

Artikel delen