Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Actualiteiten overheidsprivaatrecht

Het overheidsprivaatrecht is voortdurend in beweging. Wij zetten daarom maandelijks de belangrijkste jurisprudentie op een rij. Deze maand onder meer een onsuccesvol beroep op verjaring, een geslaagd beroep op het relativiteitsvereiste en een arrest over het toepassingsbereik van de Wpg en artikel 843a Rv.

23 december 2019

1. Vermeende bezitter is geen eigenaar
In een vonnis van 2 oktober 2019 oordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de gebruiker van een gemeentelijk perceel geen eigenaar daarvan door verjaring is geworden. Simpel gezegd, niet omdat de gebruiker op het moment dat de verjaringstermijn van twintig jaar verliep nog geen eigenaar van de naastgelegen woning was; dat was de rechtsvoorganger van gebruiker. Zou dus sprake zijn geweest van bezit, dan kon alleen de rechtsvoorganger eigenaar wegens verjaring zijn geworden. Bovendien had de gebruiker – voordat de woning aan hem werd geleverd – aan de gemeente gevraagd om het perceel aan hem te verkopen. Uit dit verzoek blijkt duidelijk dat hij geen eigendomspretentie had, wat wel een eis is voor verjaring. Ook oordeelt de rechtbank dat tussen de gebruiker en de gemeente geen koopovereenkomst tot stand gekomen; de ambtenaar waarmee gebruiker contact had, was namelijk niet bevoegd te besluiten tot het aangaan van de overeenkomst en het daadwerkelijk aangaan daarvan.

2. Geslaagd beroep op het relativiteitsvereiste bij vordering tot betaling van schadevergoeding wegens onterechte weigering herregistratie huisarts
De Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) heeft een verzoek van een arts tot herregistratie afgewezen. In hoger beroep bij de Raad van State tegen deze afwijzing wordt de arts in het gelijk gesteld. Hij vordert vervolgens bij de burgerlijke rechter vergoeding van de schade die hij heeft geleden door de onterechte afwijzing. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de regels ten aanzien van herregistratie strekken tot bescherming van de kwaliteit van de zorg voor de zorgvragers, en van niet-financiële belangen van de arts. Er is daarom niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. Ook het beroep van de arts op de correctie Langemeijer slaagt niet. Hij heeft onvoldoende gemotiveerd dat RGS onvoldoende rekening zou hebben gehouden met zijn gerechtvaardigde belangen. Daarom staat niet vast dat RGS heeft gehandeld in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. RGS is daarom niet aansprakelijk voor de geleden schade.

3. Camerabeelden van de politie moeten “verstrekt” worden op grond van artikel 843a Rv
Een echtpaar heeft de politie verzocht om het verstrekken van camerabeelden van een incident in een politiecel op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Zij willen de politie aansprakelijk stellen voor geleden schade. De politie heeft weliswaar de camerabeelden aan hen getoond, maar niet verstrekt. Het echtpaar vordert de verstrekking van deze beelden op grond van art. 843a Rv. De voorzieningenrechter heeft het echtpaar niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep ligt de vraag voor of alsnog de camerabeelden verstrekt moeten worden. Het gerechtshof oordeelt dat de Wpg en art. 843a Rv ieder zijn eigen toepassingsbereik heeft. De Wpg biedt recht op inzage van de hem betreffende persoonsgegevens om na te gaan of deze kloppen. Artikel 843a Rv voorziet in een vordering van bepaalde bescheiden. De camerabeelden hoeven echter niet aan het echtpaar overhandigd te worden: zij stemmen ermee in dat de beelden tijdens de bodemprocedurezitting vertoond moeten worden (als de bodemrechter dat toestaat).

4. Zonder toestemming geplaatste damwanden moeten jaren later uit gemeentegrond
Een vastgoedorganisatie had – na daarover veel overlegd te hebben met de gemeente – damwanden in gemeentegrond geplaatst. Deze damwanden waren ingetekend op de constructietekeningen die onderdeel waren van de vergunningaanvraag. Jaren later maande de gemeente de vastgoedorganisatie de damwanden te verwijderen. De vraag waar deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam om draaide, was of de gemeente toestemming had gegeven voor de damwanden. De omstandigheid dat de damwanden op de constructietekening bij de vergunningaanvraag ingetekend waren, betekent volgens de rechtbank niet dat de gemeente privaatrechtelijk toestemming heeft gegeven voor de plaatsing van de damwanden. De beoordeling van deze tekeningen was namelijk onderdeel van de bouwvergunningsprocedure en dat is een publiekrechtelijke aangelegenheid. Ook het verweer dat de gemeente impliciet toestemming heeft gegeven voor de damwanden slaagt niet. Wel meent de rechtbank dat de gemeente navraag had moeten doen naar de damwanden en had moeten melden dat die niet zomaar geplaatst mochten worden.

5. Paaltje in weg leidt tot aansprakelijkheid van de gemeente
Een fietser is tegen een middengeleider met een paaltje aan gefietst en ten val gekomen. Die middengeleider was in het midden van een fietspad geplaatst zonder inleidende ribbelmarkering. Deze fietser stelde de gemeente vervolgens op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de door haar geleden schade. In dit geval staat vast dat op het moment van het ongeval al jarenlang bekend was dat obstakels op fietspaden gevaarlijk zijn. Dat staat immers al in een CROW-publicatie uit 2011. Ook blijkt uit deskundigenverklaringen dat in een situatie als deze, het ontbreken ter plaatse van voldoende inleidende en vooral voelbare ribbelmarkering voor de middengeleider, cruciaal is. Gelet op de CROW-aanbeveling en de deskundigenverklaringen, komt het Hof Arnhem-Leeuwarden tot het oordeel dat de ongevalslocatie op het moment van het ongeval gebrekkig was. Dat de CROW-richtlijnen geen wettelijke status hebben, neemt voorts niet weg dat de CROW-aanbeveling in deze procedure van betekenis is.

6. Asbest, onderzoeks- en mededelingsplicht
Het ligt natuurlijk allemaal veel genuanceerder, maar in principe moet een verkoper die weet dat er asbest in een pand zit, dat duidelijk aan een potentiele koper mededelen. Er rust dan een mededelingsplicht op de verkoper. Deze mededelingsplicht gaat in principe voor op de plicht van koper om onderzoek te doen naar de staat van wat hij mogelijk gaat kopen (onderzoeksplicht). Het is echter vaste jurisprudentie dat dit uitgangspunt uitzondering kan lijden (en de onderzoeksplicht dus voor gaat op de mededelingsplicht) als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Maar ja, wanneer weet een verkoper nu dat er asbest in een pand zit. Is dat ook al zo als er een stuk in zijn archief zit waaruit blijkt dat er asbesthoudende platen bij een verbouwing zijn gebruikt? Ja, zo oordeelt de rechtbank Rotterdam in een recent vonnis. Gevolg hiervan is dat de gemeente (verkoper) in principe een mededelingsplicht had. In dit geval gaat kopers’ onderzoeksplicht echter voor; de gemeente had koper namelijk een onderzoeksrapport verstrekt waaruit bleek dat de aanwezigheid van asbest werd vermoed en in de koopovereenkomst stond dat koper asbestonderzoek mocht laten doen en onder omstandigheden de overeenkomst kon ontbinden. Onder deze omstandigheden prevaleert de onderzoeksplicht van koper en worden de vorderingen afgewezen.

De bijdragen aan dit blog zijn verzorgd door Sophie Groeneveld, Ron de Martines, Keesjan Meijering, Burcu Özdemir en Emma van der Ploeg.

AKD

Artikel delen