nieuws

Actualiteiten omgevingsrecht – week 17

13-05-2019

Actualiteiten omgevingsrecht van week 17.

Kruimelgevallenafwijking – stedelijk ontwikkelingsproject. (ECLI:NL:RVS:2019:1432)

De gemeente Súdwest-Fryslân verleent een omgevingsvergunning via ‘de kruimelgevallenprocedure’ voor het vestigen van een verswinkel in Workum in een pand van een voormalige bibliotheek met de bestemming “Maatschappelijk”. Er is hierbij sprake van een verplaatsing van een winkel uit het kernwinkelgebied en een aantal detailhandelaren uit dit gebied stellen hiertegen bezwaar, beroep en uiteindelijk hoger beroep bij de ABRS in. Ze dragen hierbij (o.a.) het argument aan dat er sprake zou zijn van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, hetgeen op grond van artikel 5 lid 6 bijlage II Bor zou betekenen dat de ‘kruimelgevallenprocedure’ niet had mogen worden toegepast.

Onder vermelding van eerdere uitspraken stelt de ABRS dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Niet relevant hierbij is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

In dit geval oordeelt de ABRS dat er geen sprake is van uitbreiding van bebouwing. Daarnaast verschilt het beoogde gebruik als verswinkel in planologisch opzicht niet zodanig van het eerdere gebruik als bibliotheek, die werd immers ook door gebruikers werd bezocht zij het gedurende beperktere openingstijden. Bovendien is de oppervlakte van het beoogde gebruik van 372 m², waarvan 97 m² aan winkelvloeroppervlakte, betrekkelijk gering, net als de benodigde hoeveelheid van 12 parkeerplaatsen, die zullen worden gerealiseerd op eigen terrein. De ABRS oordeelt dat een stedelijk ontwikkelingsproject hier niet aan de orde is.

Kappen boom – evidente privaatrechtelijke belemmering. (ECLI:NL:RVS:2019:1421)

Gemeente Hardenberg verleent een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom. De boom is gedurende een periode van ca. 40 jaar over de perceelsgrens heen gegroeid en hiermee voor een klein gedeelte (ca. 8cm) in eigendom gekomen van de buren. De buren willen niet dat de boom gekapt wordt en gooien in de strijd dat ze mede-eigenaar zijn van de boom, waarbij wordt aangevoerd dat de aanvraag om omgevingsvergunning dient worden gedaan door of namens degene die krachtens zakelijk recht gerechtigd is om over de houtopstand te beschikken (ook de buren dus). Er is sprake volgens de buren sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Ze gaan in bezwaar, beroep en uiteindelijk in hoger beroep bij de ABRS

De ABRS oordeelt dat hoewel vaststaat dat de buren geen medewerking willen verlenen aan het kappen van de boom, de enkele omstandigheid dat ze voor een klein deel eigenaar zijn, niet aannemelijk maakt dat het kappen niet kan worden verwezenlijkt. Het aanzienlijk grotere, overige gedeelte van de boom is eigendom van de vergunninghouder en bevindt zich op zijn perceel, alwaar de boom ook oorspronkelijk is geplant. Er kan in dit geval geen beroep worden gedaan op het leerstuk van de evidente privaatrechtelijke belemmering.

Sluiting woning onvoldoende onderbouwd. (ECLI:NL:RBROT:2019:3168)

De gemeente Rotterdam sluit een woning vanwege het aantreffen van 1,9 gram harddrugs. De rechtbank oordeelt dat hoewel er een overschrijding is van de gebruikershoeveelheid dit slechts in geringe mate is en waarom er niet volstaan had kunnen worden met een waarschuwing. De rechtbank legt hieraan ten grondslag dat niet als vanzelfsprekend kan worden aangenomen dat de geringe hoeveelheid harddrugs van invloed kan zijn op de drugscriminaliteit in de woonwijk. Daarnaast was er ook geen loop van kopers en/of leveranciers naar de woning. Niet in te zien valt waarom er niet volstaan kon worden met een waarschuwing.

Omvang normaal maatschappelijk risico. (ECLI:NL:RVS:2019:1434)

Het college van Westerveld stelt het Normaal maatschappelijk risico (NMR) vast op 2%. Naar het idee van appellante, contractant van de planschadeovereenkomst, vindt 2% te laag. Omdat de adviseur van het college heeft gemotiveerd dat de ontwikkeling deels in de lijn der verwachtingen lag, kan het college niet volstaan met de vaststelling dat 2% eigen risico voldoende is.

De Afdeling neemt plaats op de stoel van de planschadeadviseur en beargumenteert eerst dat 5% NMR te veel van het goede is: “de waardedaling van de woningen wordt niet veroorzaakt door de ‘uitstulpingen’ die als inbreidingslocatie zijn aan te merken, maar door het deel van de gronden dat als uitbreidingslocatie moet worden aangemerkt.
Nu de ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, die binnen het door de gemeente gevoerde beleid en wat betreft haar aard in de ruimtelijke structuur past, maar deze ontwikkeling wat betreft de locatie, de omvang en de afstand tot de achterperceelgrenzen van de woningen aan de Lindenlaan niet in de lijn der verwachting lag, acht de Afdeling in dit geval een normaal maatschappelijk risico van 3% aangewezen.

Samengevat: bij een plan waarbij je kunt beargumenteren dat dit plan volledig in de lijn der verwachtingen ligt, is 5% het uitgangspunt op basis van de jurisprudentie. Als dit niet het geval is, is 2% het wettelijk forfait. Als de ontwikkeling deels in lijn der verwachtingen ligt, is het in ieder geval meer dan 2% en minder dan 5%.

https://www.omgevingsweb.nl/partners/ruimtemeesters